ei

Hij is aardig bijgespijkerd.
Hij is goed opgeknapt.
Hij heeft de fles de nek gebroken.
Hij heeft flink wat drank op.
Bij haar kan men een ei in haar gat gaar koken.
Zij is erg bang.
Met de grond gelijk maken.
Volledig afbreken.
De hele santenkraam.
De hele boel; alles.
Hij laat de kerk in het midden.
Hij kiest geen partij.




















