wonen

Hij wast er zijn handen van af.
Hij aanvaardt geen verantwoordelijkheid.
Op de boer wonen.
Buiten de stad wonen.
Uit je doppen kijken.
Goed opletten.
Hij is uit de paardepoten gekomen.
Hij is weggevlucht.
Een rare snoeshaan.
Een vreemd figuur.
Hij schaamt zich de ogen uit zijn kop.
Hij is heel erg beschaamd.




















