bal

Hij is een slijmbal.
Hij is iemand die met iedereen loopt te slijmen.
Zij moeten op een houtje bijten.
Zij hebben het heel arm.
Op stel en sprong.
Meteen.
Zij is van lichte zeden.
Zij is een prostituée
Dat is zalf voor hem.
Dat is goed voor hem.
Hij kan zijn gat niet meer herdraaien.
Hij zit in financiële nood.





















