wassen
Hij kent het klappen van de zweep.
Hij weet uit ervaring goed hoe daarmee om te gaan.
De kwint sprong hem.
Hij werd erg boos.
Iemand de bol wassen.
Iemand zeggen waar het op staat.
Hij moet zijn hand in de zak steken.
Hij moet de rekening betalen.
Hij kwam met de klompen in het gelag.
Hij sloeg een modderfiguur.
Dat heeft veel stof opgejaagd.
Dat heeft veel opschudding gegeven.


















