joost
Hij is een windbuil.
Hij is een opschepper.
Hij is zo mager als een aal.
Hij is erg mager.
Hij heeft een tong als een scheermes.
Hij kan venijnig praten.
Joost mag het weten.
Dat weet niemand.
Hij is van de kist.
Hij heeft teveel gedronken.
De schellen vallen hem van de ogen.
Het wordt hem nu ineens duidelijk.
Hij kan zijn streng niet meer trekken.
Hij kan fysiek het werk niet meer aan.



















