pastoor

Iemand het land opjagen.
Iemand kwaad maken.
Hij is een vreemde vogel.
Hij is een raar persoon.
De pastoor zegent zijn zelven eerst.
Iedereen denkt het eerst aan zichzelf.
Hij is van het ganzenbord afgelopen.
Hij is heel erg mager.
Het zal wat wezen als het voor de heren komt.
Het zal nog moeilijkheden geven als het nader onderzocht wordt.
















