praler

Hij vliegt als een mug om de kaars.
Hij kan niet meer weg.
Hij is een oetlul.
Hij is een sukkel.
Hij schiet met zilveren hagel.
Hij koopt het wild bij de poelier.
Een kraak zetten.
Een inbraak plegen.
In maart kan het nog wel eens sneeuwen.
Nooit niet.
Hoe groter praler hoe slechter betaler.
Iemand die zich goed voordoet kun je vaak niet vertrouwen als het om geld gaat.












