ruiken
Hij heeft een moed als een paard van een daalder.
Hij heeft veel lef.
Dat valt mij geducht uit de hand.
Dat is een teleurstelling Dat valt op een gansje.
Hij is uit de synagoge geworpen.
Hij is uit de vriendenkring gezet.
Hij is uit hetzelfde hout gesneden.
Hij heeft dezelfde eigenschappen.
Naar de lamp ruiken.
Het is droge kost om te lezen/horen.
Hij heeft veel kak aan zijn gat.
Hij is verwaand.












