hoeden

Hij is niet zijn broeders hoeder.
Hij waarschuwt hem niet.
Hij zoekt naar zijn bril en heeft hem op de neus.
Hij zoekt naar iets wat vlakbij hem is.
Hij is op de duiten.
Hij is een gierigaard.
Hij heeft de varkens geschoren.
Hij is er bekaaid van afgekomen.
De klop op de deur.
De vraag om binnen te mogen komen.
Hij krijgt wat van de taart.
Hij krijgt voor het minste geringste een pak rammel.





















