Oud vers (21)
kom maar weer eens bij me aan,
Als je zonder bijbedoeling
Goede dingen hebt gedaan.
Oud vers (21)
Maartse buien (20)
De Moerbeitoppen ruisten (19)"De moerbeitoppen ruisten"
God ging voorbij ;
Neen, niet voorbij, hij toefde ;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij ;
Sprak tot mij in den stillen,
Den stillen nacht ;
Gedachten die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.
Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin ;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in,
Den morgen, die mij wekte,
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij
(Nicolaas Beets)
Nie Pleujen (18)
Kinderen (17)
EENZAAM (16)
Voor een dag van morgen (15)Waneer ik morgen doodga, vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind die in de bomen klimt,
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen al door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad, hoe lief ik je had.
Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven,
ze zouden niet willen geloven
dat alleen maar een man , alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.
(Hans Andreus)
Grafschriften (14)De criticus :
Eerlijk gezegd
hij ligt hier slecht
De gevangene :
Mijn enig verlangen is ,
terug naar de gevangenis
De soldaat :
Zo is het inderdaad
Magere Hein maakte mij Soldaat
De kok :
Wat ik vooral betreur
dat is de geur.
DE LEZER (13)Hij reist onder de meest azuren luchten
Voortdurend met de reisgids in z'n hand
Want met die welvoorziene informant
Heeft hij van niets of niemand wat te duchten
Hij leest zich door het mooiste buitenland
Hij leest zijn weg door steden en gehuchten
Hij staat voor de beroemde Brug der Zuchten
En leest: De brug is oud en imposant
Hij moet naar huis toe na een week of drie
De leesbril kan terug in zijn etui
Het dikke boek wordt eindelijk gesloten
Hoe heb je het gehad ? vraagt z'n gezin
Fantastisch, jubelt hij, ik heb genoten
Maar jammer van die drukfout achterin
(Ivo de Wijs)
Doodgaan (12)
ZEEMAN (11)
Terug naar Tsjernobyl (10)onderweg terug naar haar betonnen kaartenhuis
beslaan terneergeslagen ogen de ramen
verzacht door volksmuziek op gedempte toon
botst het landschap onder haar vandaan
verborgen achter jaren onkruid en ongeplukt fruit
zijn daar de deuren als deksel dichtgetimmerd
een breekijzer kraakt de cocon van rustend stof
de holte beantwoordt haar in vertrouwde echo’s
als ze bij slingerlicht de trap en haar voordeur vindt
overwint ze de drempel waar ooit warmte begon
maar wat nu door een hellestorm lijkt leeggezogen
en zo is zij
ze vindt niet het portret van toen, van hem, van samen
ze vindt niet de doorgang terug naar haar wereld
maar zal verder gedroomd leven in nachten zonder slaap
wachtend op haar tijd
een voortslepend afscheid
(stephan van der sluys)
KLEINE DINGEN (8-9)spontane hulp, een gewaardeerd bezoekje,
het zijn zo van die kleine dingen,
maar "groot" aan waarde voor elkaar
(auteur onbekend)
Wijsheid (7)
ARGENTINIE (6)
Kom, luistert arme Belgen, kom luistert brave lien
wat die arme Belgen lijden in de wrede argentien
Daar was in dorp en steden voor ons geen werk niet meer,
d'r was geen werk, geen eten voor vrouw en kindren teer.
Om te blijven uit de schande, verlieten wij ons vaderland
en trokken naar den Argentien met vijftienhonderd man
We kwamen een schip te nemen in die Antwerpse stêe
waar vrouw en kindren weenden als zij zagen er de zee.
Maar die matrozen riepen met hunnen kapitein
Belgen, ge moet niet schrikken, ge zult daar gelukkig zijn
Wij werden in ene kajuit gesteken, waar wij niet horen of zien
dan de brieschende baren en het fluiten van 't machien
Is er een kind halfdood, dat wordt met wreedheid groot
door de wreede matrozen gerukt uit zijne moeders schoot
Als we dertig dagen lank lagen op een houten plank
dan zijn wij aangekomen op 't Argentiensche strand.
In het licht zag men van verre, eene blinkende ster
en het kruis op den toren, de stad van Buenos Aires
Wij wierden daar met veel geweld op vier rangen gesteld
en zo dan weg gedrongen door wildernis en veld.
Als er nu nog mannen vielen van moeite en hongersnood
blijven voor de wilde dieren, wij moeten altijd maar voort.
Ons eten dat we kregen, dat was maar vogelkweek
en water uit de beken, anders krijgen wij daar niets.
Komt luistert arme Belgen, gebruikt beter uw verstand
wilt uit die landen blijven, blijft in Uw vaderland.
Want in den Argentien, is anders niets te zien,
als leeuwen, tijgers, beren en zwarte boze lien.
(volkslied begin 20e eeuw)
Een vriend (5)
It Can be done (4)"If you think you are beaten, you are;
if you think you dare not, you don't
If you'd like to win, but you think you can't,
i't's almost a cinch you won't.
If you think you'll lose, you've lost,
for out in the world you'll find
Success begins with a fellow's will
It's all in the state of mind.
"Full many a race is lost
ere even a race is run,
And many a coward fails
ere even his work's begun.
Think big, and your deeds will grow,
Think small and you fall behind,
Think that you can, and you will,
I's all in the state of mind.
"If you think you are outclassed, you are;
you've got to think high to rise,
You've got to be sure of yourself before
You can ever win a prize.
Life's battle doestn't always go
to the stronger of faster man.
But sooner or later, the man who wins
Is the fellow who thinks he can "
(R.Collier)
Turn the Leaf (3)
HOND (2)Mijn hond
STOP ALL CLOCKS (1)
Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.
Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.
He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.
The stars are not wanted now: put out every one;
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the wood.
For nothing now can ever come to any good.
Zet alle klokken stil, zet het gerinkel af!
Deel vette kluiven uit, zodat geen hond meer blaft;
Sluit de piano, sla de trom en draag
De kist naar buiten, mensen treur vandaag.
Schrijf in het hemelblauw een tekst, heel groot
Met witte vliegtuigletters: hij is dood;
Doe alle duiven van de stad een rouwband om hun nek,
En laat verkeersagenten surveilleren in jaquet.
Hij was mijn noord, mijn zuid, mijn west, mijn oost,
Mijn werken door de week, mijn ’s zondagstroost;
Mijn overdag, mijn nacht, mijn woord, mijn lied
Liefde voor eeuwig, dacht ik – maar zo was het niet.
Ik hoef geen sterren meer, laat ze vergaan,
Vernietig ook de zon, doe weg de maan;
Giet leeg de oceaan en kap het woud,
Want er is niets dat nu zijn waarde nog behoudt.
(Vertaling: Arie van der Krogt)