De Merovingische en Karolingische tijd.
Eburonen in Tessenderlo, daarna de Toxandri die na het midden van de III e eeuw de streek hebben verlaten en dan de Franken die van 388 af tot 446 inval op inval beproefden in onze contrijnen, telkens weer tevergeefs. Pas in 454 na de dood van de Romeinse veldheer Aëtius kregen ze hier vaste voet.
De landsname van de Ripuaarfranken strekte zich uit over de landen tussen Rijn en Maas, Limburgs en Luiks Haspengouw en, ten Noorden, aan de Peelmoerassen in Brabant, leunen zij aan bij de Saalfranken. Deze laatste namen bezit van de valleien van Demer en Dijle, van Zenne, Schelde en Leie. Hun nederzetting reikte tot aan Kolenwoud.






