|
Op een mooie dag ergens in 1980 kwam er een eigenwijze onderwijsinspecteur prediken over 'Xenofobie'. Zijn naam was Haesendonckx uit Overpelt. Ik mag gerust zijn identiteit prijsgeven want de man zit allang rijstpap met een gouden lepeltje op te slurpen in den hemel en zich te bezinnen over de nonsens die hij tijdens zijn leven verkondigde.
Hij kreeg de vergaderruimte toegewezen in de school van directeur Mosselmans, een vurig lid van de migrantenfanclub, om het hele Limburgse onderwijswereldje te indoctrineren over Xenofobie, een begrip dat krampachtig geïntroduceerd werd in het onderwijs.
Velen hoorden voor het eerst over 'Xenofobie'... Oei! Een nieuw woord? Alle merken van fobieën waren gekend, maar fobieën gelinkt aan vreemde indringers, dat was totaal nieuw! Het deed ook pijn aan mijn oren, dat gekke woord, mijn trommelvliezen daverden, het was alsof xenofobie met criminele feiten te maken had.
Onze taal wordt geweld aangedaan door de uitvinding van nieuwe woorden als 'xenofobie'. Het woord 'fobie' wordt verkracht, uit de psychiatrische sfeer gehaald, en door journalisten en schrijvers misbruikt om mensen met een klare kijk op het migrantenprobleem wijs te maken dat ze psychisch gestoord zijn, of dat ze niet goed snik zijn, of dat ze hun hoofd eens moeten laten nakijken.. Het idiote woord 'xenofobie' werd uitgevonden om migranten te beschermen en om ons schuldgevoelens aan te wrijven als we xenofoob zijn.
Xenofoben bestaan niet! Wij hebben geen schrik van vreemdelingen. Wij kunnen etnische rariteiten goed beredeneren, zonder vrees, maar wél met gevoelens van afkeer, van minachting en geringschatting. De hele aversie heeft niets met onredelijkheid te maken, en dus ook niets met een fobie in al zijn onredelijkheid.
|