|
Het regende vanmiddag. De hemel weende tranen met tuiten. Drup, drup, plens, plens. Hoewel mijn auto een dak heeft besloot ik toch maar te gaan schuilen in mijn stamcafé van vroeger, toen Bertie er nog cafébazin was, en biechtmoeder ook nog.
Bertie had haar gouden tapkranen net op tijd aan de takken van de wilgenbomen gehangen want even later lag de hele horeca plat door een imaginair virus dat zich razendsnel verspreidde naar nergens.
Om van mijn blogverslaving af te geraken bracht ik haar dagelijks een bezoekje in haar ontwenningskliniek, waar zij mijn therapeute was.
Haar therapie volgde een strikt schenkritueel om de gasten te doen watertanden. Zij verhief bier serveren tot een kunst. Eerst de bierviltjes, keurig naast elkaar op tafel, dan het flesje rechts en het kelkje links, beiden met de afbeelding naar de klant gericht. En op de achtergrond een hemels sfeermuziekje.
Bertie beweerde echter dat ik niet vatbaar was voor een ontwenningskuur. Ik zou toch steeds hervallen, ze noemde me een blogrecidivist, en daarbij ook nog een blogpiraat.
... Zowat twee jaren later werden Koen en Maarten de gastheren van het gezellige cafeetje onder de kerktoren, waar de kerkklokken luidden als er een tournée générale gegeven werd. Tegen die twee mannen hoefde je niet te zeuren over zweverig gezwam, zoal dat bij Bertie wel lukte.
Mijn stamcafé van weleer is niet meer het bedevaartsoord wat het ooit geweest is, waar je achter een schuimende bierschotel eindeloos kon filosoferen over de onbenulligste onderwerpen...
|