Maandag 22 februari 2010
Carnaval deel 6 {een nawoord}

Carnaval en Rooms katholisisme hebben alles met elkaar te maken. De Carnavalsviering is onlosmakelijk verbonden aan 't Katholieke Paasfeest.
En toch is er die haat-liefde verhouding.
Carnaval en katholisisme verdragen elkaar wel, maar dat ze elkaar beminnen is een gotspe.
Deze houding komt voort uit de opvatting - die vanaf ± 16e eeuw tot ±1930 - postvatte in 't katholisisme, dat geloven alles te maken had met ernst, medidatie, ontzegging e.d.

Men geloofde in 'n liefdevolle, maar uiterst rechtvaardige God, als Vader, die de mensen - zijn kinderen - in hun levens naspeurde op goede en slechte daden, om tenslotte te kunnen oordelen over hun uiteindelijke gelukzalige eeuwigheid.
En in zo'n geloof was beslist geen plaats voor uitbundigheid in eten, drinken, zang en dans. Men was devoot en zag op naar God.
Want een goede vader spaart de roede voor zijn kinderen niet!
Uitbundigheid was 'n uitspatting, dus fout en bijgevolg verboden.
Het is dan ook eerst zo rond de jaren zestig van de vorige eeuw (na WO II)dat er verandering kwam in het denken en geloven van veel katholieken.
De God van Liefde begon de overhand te krijgen.
Doch 't oude, stugge vasthouden aan de rechtvaardige, straffende God liet zich niet zo maar verdringen. Tenslotte had de middeleeuwse levenswijzen meer dan voldoende aangetoond, dat uitbundigheid tot verval van 't mensdom leidde. En dat wilde men niet terug.
Men wist ondertussen - na Luther, Calvijn e.a. - hoe er geleefd diende te worden. Feestelijkheid en fantasie waren geen christelijke bouwstenen. De menselijke geest was goed, maar 't vlees was zwak. En die zwakheid moest bestreden worden. Vasten en onthouding waren de elementen die tot zaligheid voerde.
Genot was des duivels.
Maar latent bleef 't narrenschip in de vaart.
En zo zien we, dat vanaf ± 1960, links en rechts, steeds meer carnavalsfeesten worden georganiseerd. Men steekt weer de draak met leger, wet en kerk. Voor 'n ogenblik leeft de Carnavaller weer in die vrije- niet benauwende wereld - van menselijke fantasie.
't Narrenfeest komt opnieuw tot leven.
Doch de traditionele Rooms Katholieken - bijgestaan door enige straf kerkelijke wetten volgende cleresie - laten zich niet zomaar uit 't veld slaan. Zij vinden bij tijd en wijlen zaken die zij met beroep op die oud kerkelijke gewoonten, c.q. wetten kunnen ontraden dan wel verbieden.

Feestelijkheid en fantasie horen niet thuis in hun religieuze beleving.
Het tergt hun geloofsovertuiging, om er bij benadering maar aan te moeten denken, dat de schepping wel eens 'n vorm van spel van God zou hebben kunnen zijn. Dat God het deed uit vrije wil; niet omdat 't moest - maar spontaan - en niet om te gehoorzamen aan een of andere onverbiddelijke wet van noodzaak.
Hij deed 't - bij wijze van spreken - voor vermaak.

Voor de ware Carnavalvierder is zo'n feestelijke fantasie het summum van genot bij uitstek. Het stelt hem in staat om te pogen zich als 'n engel te gedragen, doch tegelijk - zonder verontschuldiging - te zeggen:
"Sorry, maar ik ben maar een mens."
Tenslotte weet de nar als geen ander, dat waar de lach en de hoop verdwijnen de mens ophoudt mens te zijn.
Vandaar dat de echte Carnavalvierder als geen ander begrijpt, dat daags na 't Narrenfeest, er maar één waarheid bestaat, n.l.:
"dat hij uit stof is voortgekomen en uiteindelijk tot staf zal wederkeren."

Dus: As op de kop en Alaaf!
Geschreven door W. Smeekens om 00:00
Reageer op dit bericht













































