De Nar
Het nadeel om nar te zijn, is dat er met je gelachen wordt.
Het voordeel is dat je jezelf kan blijven.
mizar
De Nar
Het nadeel om nar te zijn, is dat er met je gelachen wordt.
Het voordeel is dat je jezelf kan blijven.
mizar
Reizigers
We zijn reizigers door de tijd
komen uit het onbekende
gaan naar het onbekende
Heel even ‘wij’ op deze stipin de oneindigheid.
Om elkaar te horen , te zien
aan te raken en lief te hebben.
mizar
de steenDe steen.
Ik heb me moe naast je neergezet .
Praat met je. Maar je luistert niet.
Koppig hard als je bent.
Al weet ik dat je iets moois verbergt.
Angstvallig voor me omklemt.
Toch wil ik weten.
Die bolster breken.
Ik hamer, ik tik
Hoor nu hoe je klinkt .Slag na slag met me zingt.
Tot ik tenslotte mezelf in je vind.
Uit het dagboek
Beeldhouwen in Toscane.
TomTom
Ik heb Tom begraven, mijn ganzerik.
Een stukje van me werd mee begraven.
Een stille vriendschap van vele jaren.
De tuin voelt nu een beetje leeg .
Ik vul een glas.
‘Tom, het is fijn geweest’
uit het dagboek
Zapper
Het gat in de kousAls een vrijgezel met een gat in zijn kous loopt,
hoeft geen vrouw zich schuldig te voelen.
mizar
De tempel
De tempel West - Kreta
De man aan het tafeltje naast ons zat ons al een hele tijd te bekijken. Al waren zijn blikken vooral op de benen van mijn vriendin gericht. Die droeg een mini-jurk en trok daardoor steeds weer de aandacht. Niet dat me dat uit jaloezie stoorde, maar ik voelde me niet altijd veilig op de afgelegen plaatsen die we bezochten. Ik vond dat we te veel vreemde gedachten naar ons toetrokken. Het was haar echter wellicht om de kick te doen, want ze wou toch met haar jonge benen bloot. ‘Het is hier ook zo warm .‘verdedigde ze zich steeds weer. Er was dus geen zeggen aan.
‘You go temple ’ zei de man aan het tafeltje en hij zwaaide nonchalant met zijn arm naar de berg boven het dorp. We wisten geen van beiden dat er in dat verloren gat een tempel stond en keken elkaar dan ook verwonderd aan. Hij moet dat gemerkt hebben en zei prijzend ‘Beautifull temple. You go. ’ Ik had er geen zin in . Ik vertrouwde het zaakje niet echt. Hij leek me een zonderling met zijn verwilderde baard die zijn gezicht overwoekerde. Bovendien wat het middag en snikheet. ’ ‘You look temple with me’ drong hij aan. Het klonk voor mij nogal autoritair in de horen , maar mijn vriendin vond de toon eerder uitnodigend. Kortom, na nog wat gehakketak met de nodige gebaren, volgden we de man door het stoffige dorp dat door alle levende zielen verlaten leek.
We probeerden zoveel mogelijk het lommer te pakken terwijl we door de olijfgaarden naar de berg liepen. De zon sloeg ons immers met haar grootste hamer. Aan de voet van de berg waren we wat blij dat we het bos in konden. Het was daar toch ietsjes koeler . De man leek geen last van de hitte te hebben en liep maar door . Hij zei geen woord meer, keek zelfs niet om. Wij volgden hem stil sudderend in ons zweet over het smalle pad dat wild kronkelend de hoogte zocht en splitste en nog splitste. Alsof het tegen de berg was gesmakt. Er leek geen einde aan te komen.
wordt vervolgd.
De tempel 2
de tempel 2
‘You have cigaret’ vroeg de man. en stak de hand uit. Rokend liep hij verder tot ze opgebrand was . Toen keerde hij zich om en doofde de peuk voor onze verbaasde ogen in zijn handpalm. Terwijl hij over drugs en zijn zieke broer begon te praten. We verstonden zijn stuntelig engels niet. Hij probeerde het dan maar in een al even stuntelig Duits en toonde een foto van \'seinen Bruder\' . We bleven echter stoïcijns ‘van krommen haas gebaren*.’ De kerel grimaste en bekeek ons met harde ogen terwijl hij nog een sigaret eiste. Verveeld gingen we weer op pad . We wilden wel terug maar wisten niet meer hoe we gekomen waren. En de zon, die bleef ons maar meedogenloos raken.
Op een kleine open plek wees onze gids een steen en beweerde dat die van de tempel afkomstig was. We waren geen kenners maar in onze ogen leek hij op de keien die langs het pad lagen. Uit zijn woorden begrepen we dat de rest van de tempel hogerop stond . ‘We gaan terug’ mompelde ik tegen mijn vriendin die de schuine blikken van de man niet meer verdroeg. ‘Cigaret’ eiste die alweer en terwijl hij de rook demonstratief in de lucht blies, wilde hij ‘Money’. Ik had zoiets al eerder verwacht en voelde me echt bij de neus genomen. ‘No money . We go back’ zei ik kwaad. Zijn reactie hierop was sneller dan het oog. Plots had hij een mes in de hand. ‘Money’ gebood hij ons, terwijl hij dreigend met het mes zwaaide. Perplex, als twee staande rotsen , keken we naar het glimmende lemmet. Er was geen ontkomen aan , we gaven hem alles . De smeerlap liet ons zelfs geen sigaret . Met snelle passen verdween hij voor onze ogen het bos in.
De tempel hebben we niet meer gezocht . We raakten verstrikt in een wirwar van paden . Het dorp waar we vertrokken, was niet meer te vinden. Uiteindelijk kwamen we op een weg en vingen daar een lift naar de stad waar we op kamers logeerden. Toen we informeerden naar de tempel die nabij dat dorp lag, keek ieder uiterst verwonderd . Er was geen tempel in die streek. Maar ook geen dorp. En dat is zo .
uit het dagboek van mizar
(* van krommen haas gebaren = een gezegde dat ik van thuis meekreeg. oorsprong onbekend.)
Waarom ?
Waarom zijn we ?
En waarom mogen we dat niet weten ?
mizar
De vloed Ouden Doel . zomer 1960
De vloed.
02u 34 Het water komt en klotst. In de tent op de rand van het schor, onder de dijk slaapt het gezin tussen vader en mij. Als oudste waak ik mee aan de achterkant van de tent. Maar de wacht slaapt. En Flodder, de hond ligt languit aan het voeteinde . Het water komt en klotst aan de tent . Vader snurkt zijn eentonig lied. Moeder slikt even in haar slaap en zusje droomt onrustig. Het water komt en klotst nu in de tent. En Flodder de hond is al nat, maar slaapt. De dekens zuigen zich geleidelijk vol. Het water in de tent is als een sluipende slang klaar voor haar prooi. De luchtmatrassen worden ook al nat, klaar om in het geniep weg te drijven , de schepen op de Westerschelde achterna. Alarm ! Groot alarm ! Pompen of verzuipen !
02u 56 Alarm !
De zaklamp flitst haar bleke straal door de kleine ruimte. De wekker doet het niet, en het is springvloed ,en de tent staat buitengaats ,en de rivier komt . ‘Ieder uit de tent en vlug, want we lopen onder ! ‘ roept vader. Een lichte paniek vult het zeil . Mijn broer en ik ,de oudste kinderen, vinden het toch spannend leuk. We stormen hyperactief de tent uit. Kussen, dekens, truien, matrassen, broeken, het grondzeil, moeders schoenen, … alles gaat de dijk op. Moeder draagt kleine zus in een deken en legt ze hoog op het droge . \'Ons kleintje\' is zich van geen vloed bewust en slaapt rustig verder. Kleine broer loopt slaapdronken tussen de stapeling dekens en matrassen. Moeder kan het niet aanzien en dirigeert hem behoedzaam naast kleine zus. En Flodder, de hond, blijft vader achtervolgen.alsof hij wil uitleggen dat hij er ook niets aan kon doen
03u 24 De canadese tent staat met opgerolde wanden wat zielloos in het water dat nu tot aan de voet van de dijk reikt. Hoger op de dijk en onder een heldere sterrenhemel slaapt het gezin terwijl vader de wacht houdt. Gezeten op de schutting die over de dijk loopt, overschouwt hij het tafereel en denkt aan het jaar 1953 toen hij het huis tegen diezelfde stroom moest verdedigen. Gelukkig kon hij de boedel toen ook redden.
04u05 Het klotsen is gestopt en het donkere water keert stil , als een hond met ingetrokken staart, terug naar de rivier. Het wordt tijd om terug in de tent te kruipen. Heel ons huishouden gaat weer onder zeil en als de bedden opgemaakt zijn , begint ieder aan het vervolg van zijn wel natte droom . Flodder, de hond , ligt weer met gesloten ogen, maar waakzaam aan de voeten. En het water golft en gaat alweer, klaar voor die volgende keer. Golft en gaat alweer. Golft en gaat alweer. …