tulpen

gij die op uw steel gestegenschijnt te zijn uit zon gedegen
die met uw doorvlamd gewaad
drachtig in de velden staat
gij die,nog in 't morgendoomen
tegen vroege-voorjaarsboomen
ijl de verte bloeit en brandt,-
in de verten van mijn land
in de verten,waar de scholen
witgedekte wolken dolen
waar de wereld in het rond
uitligt aan den horizont,-
in de statige avonduren
ligt gij met de wijde vuren
uwer levensheerlijkheid
voor mijne ogen uitgespreid,-
en nog diep in kalme nachten
zien,herdenkend,mijn gedachten
u bij menigten gepland
in den schoonheid van mijn land














































