‘Elsschot stond mij vanaf de eerste kennismaking aan. Ik meen dat wij van dezelfde soort waren’, zegt oud-staatsrivierloods en schrijver Libera Carlier. De eerste ontmoeting vond plaats niet lang na het verschijnen van Elsschots Verzameld Werk in 1957. ‘Ik begon in de mode te komen als schrijver. Op een dag met Frans Smits en Fritz Francken kwam Elsschot ter sprake. Even later namen ze me mee naar de Lemméstraat. Elsschot was een grote meneer voor mij. Ik keek naar hem op.’
‘Smits kende ik van in 1942. Hij was mijn leraar Nederlands geweest op de Hogere Zeevaartschool. Fritz besprak mijn boeken met veel enthousiasme in de Volksgazet.’
‘Ik denk dat Elsschot mij niet in de eerste instantie wou ontmoeten als schrijver, maar omdat hij het fijne wou weten van mijn ruzie met het havenbestuur. Elsschot hield van opstandelingen, van mensen die tegen bergen begonnen te strijden. Het plan Bonnet was net uit. Bonnet had de baggerwerken bij het kalibreren van de Schelde geleid. Als gepensioneerd administrateur was hij adviseur voor de stad Antwerpen gebleven. Hij en Oscar Leemans, directeur-generaal van de haven van Antwerpen, hadden het plan opgevat om de bocht van Bath af te snijden. Ik had daartegen geprotesteerd in een tijdschrift. Oscar Leemans schreef daarop het departement verkeerswezen, waaronder ik viel, ‘dat hij niet begreep dat iemand met zo weinig hydraulische kennis staatsloods was kunnen worden.’ Ik moest vervolgens bij het havenbestuur komen. De brief – in het Frans – werd me voorgelezen. Sindsdien moest ik alles wat ik publiceerde, zelfs interviews over mijn literaire werk, voor publicatie laten lezen.’
‘Toen ik een paar weken later weer bij Elsschot langsging , zat ik ineens aan de kaarttafel met dezelfde Oscar Leemans! De volgende keer vroeg Frans Smits, die de vorige keer verstek had moeten laten gaan, aan Fritz: “En, hoe zat Oscar daar?” Fritz antwoordde; “Als een zoutpilaar.” Uiteindelijk is die bocht niet afgesneden, maar het plan heeft zowat dertig jaar op het programma gestaan en een stuk of honderd simulatieproeven gekost.’
‘Die eerste avond ging het over literatuur, maar niet te veel. Alleen Elsschot en ik waren echte spelers. Wij speelden niet om het geld, maar om de punten, om de slimste te zijn.’
‘Elsschot was heel intelligent, hij was een echte hartenjager, ikzelf ben een bridger.’
‘Onze gesprekken gingen over de meest verschillende onderwerpen, maar Fons was heel enthousiast over tekeningen en miniaturen. Op een keer kwam zijn schoonzoon Wim Dolphyn binnen met een vriend, die tekeningen onder de arm had. Hij vroeg aan Elsschot: “Is dat nu geen Rubens?” De kaarten werden opzij geschoven en Fons vond het ook een Rubens. En toen zei Dolphyn; “Ik zou het er durven onderzetten.”
Kort daarna werd Elsschot ziek en verminderden de bezoeken aan de Lemméstraat.
Fernand Auwera vroeg me op een bepaald moment over De Ridder: “Hoe kon je met die man toch overweg?” Hij dacht dat onze karakters te zeer verschilden. Ik zei: “Ik heb hem maar gekend toen hij oud was. Toen was hij een fijne man. In alle opzichten.” En alles wat ik hoorde over Elsschot die die of die niet wilde zien, klinkt mij als flauwekul in de oren.’
‘Later wilde hij mij zijn Verzameld Werk cadeau doen. Ik zei: “Bedankt Fons, maar ik heb het al.” Over literatuur hebben wij niet veel gesproken, hoor. Soms eens over een schrijver, maar dat vertel ik niet zo graag. Hij had kritiek op sommige bekende mensen. In drie, vier woorden rekende hij met hen af. Over Boon zei hij: “Die zal het nooit leren.” (Blijkbaar is Boons aanvankelijk negatieve kritiek op het Borms-gedicht, hoewel later aanzienlijk afgezwakt, hem tot zijn laatste jaren zwaar op de maag blijven liggen.- NvdR) Claus noemde hij “de keizer zonder kleren”.
‘Soms was de humor van Elsschot aan de cassante kant. Helemaal anders dan die van bijvoorbeeld Gerard Walschap of Ernest Claes. Zij waren ook plezierig om mee om te gaan, maar anders plezierig. Die vertelden moppen. Van Elsschot heb ik er nooit een gehoord. Elsschot had hetzelfde absolute als de Vlaamse schrijver Willem Pée. Iets moest groot of klein zijn. De middelmaat kende hij niet.’
‘Ik ben meteen aanvaard door de vorige generatie schrijvers. In 1961 ben ik door Herman Teirlinck gevraagd om lid te worden van zijn club in Beersel. Teirlinck had twaalf apostelen, niet allemaal literatoren, ook muzikanten en beeldhouwers. Elsschot is nooit zo’n apostel geweest. Sommigen waren redacteur bij het Nieuw Vlaams Tijdschrift en enkelen van hen zaten Elsschot dwars. Ik heb hem eens gevraagd: “Jij bent toch lid van het Nieuw Vlaams Tijdschrift?” Hij antwoordde: “Jaja, nominatief.”
‘Ik lees vaak dat Elsschot niet veel belangstelling vertoonde voor literatuur en zo, maar dat is onjuist, hoor. Met Fritz Francken en Frans Smits sprak hij over alle bijdragen in de tijdschriften.’
‘Ik weet echt niet meer of ik Elsschot Action Station Go cadeau deed. Misschien had hij het van de leden van de jury van de Ark-prijs te lezen gekregen. Hij heeft het in ieder geval gewogen en goed bevonden.’
‘Toen Fons in de kliniek lag met een hersentrombose ben ik hem gaan bezoeken. Zijn gezicht was roze en gezwollen van de cortisone. “Ik zie alles dubbel”, zei hij. Ik: “Dat zal wel overgaan.” “Denk jij dat?” Ik zei ja, maar ik dacht neen. Hij lag daar echt niet al te best.’
Niet zoveel later belde Fritz me. “Kom je mee? Ik ga naar de Lemméstraat. Fons is overleden.” Wij zijn samen naar de Lemméstraat gereden. Sus Claessens was Fons’ dodenmasker aan het maken. Lieven Walsschap was er ook. Ik was nauwelijks thuis of daar was Fritz weer aan de telefoon. De vrouw van Fons was ook overleden. Ze moet zijn gestorven op de eerste verdieping, terwijl wij bij haar overleden man waren.’
Raymond
1 reactie op dit bericht
Waar halen wij onze chocolade paaseieren denkt gij ?