Wannes Van de Velde kreeg, toen hij nog Wim heette, op de academie in Antwerpen les van Vic Dolphyn, schoonzoon van Willem Elsschot, en rolde zo in de kring van de schrijver. ‘Het was de tijd van Vic, diens zoon Willem Dolphyn en Emeri Vercruyssen, de man van de dierenbescherming, die tevens een hoedenwinkel had op de hoek van de Francken-en de Nationalestraat.’
Op een zaterdag van 1956 ging het van de hoedenwinkel in de Nationalestraat naar de Lemméstraat. ‘Emeri nam mij, een snotneus mee. Ik was een leerling van een zwijgzame grootmeester van het stilleven, maar toen al meer bezig met muziek dan met schilderen. Ik herinner me dat de familie De Ridder hispanofiel was. Ik speelde flamingogitaar bij mijn leermeester Sabas Gomez Y Marin, die toen optrad in de kroeg La Macarena aan de Stadswaag, die ik via de kring rond Elsschot had leren kennen.’
Die avond in de Lemméstraat speelde Wim Van de Velde geen flamingo, maar twee preludes van Bach voor stamvader De Ridder. De Ridder zat zo dicht bij Van de Velde dat de gitarist zijn ademhaling kon voelen. ‘Ik vermoed dat hij slecht hoorde’, zegt Wannes Van de Velde. ‘Hij plakte zowat tegen het klankgat van de gitaar. Hij was erg stil, waarschijnlijk wat gepakt door de stukjes.’
Van de Velde tekent De Ridder als ‘een voornaam mens. Er was iets aarzelends in zijn stap. Hij zag er streng uit, gesloten. Hij drong op een natuurlijke wijze respect af. Hij was duidelijk de autoriteit in huis. Je voelde hoeveel achting de kinderen en de kleinkinderen voor hem hadden.’
Voor de mini-concerterende Van de Velde zat de stamvader, niet de schrijver, benadrukt hij. ‘Ik wist natuurlijk dat de naam Willem Elsschot wat betekende, maar ik had hem nog niet gelezen. Mijn literaire ontwaken is slechts later gekomen. Ik ben beginnen te lezen in het jaar 1973.’
Wim had dan niets van Elsschot gelezen, Wannes las er alles van. Laarmans en Boorman uit Lijmen/Het been zijn fantastische maskers, archetypes van la comédie humaine. Tsjip ontroerde me diep, want ik kende Jan – Maniewski - in het echte leven. Geniaal hoe Elsschot daar een privé-drama van schetst met afstand, zonder al te pijnlijke scenes. Het dwaallicht is een meesterwerk.’
Van de Velde doorliep de Middenschool aan de Pijlstraat in Antwerpen, in hetzelfde classicistische gebouw als het Atheneum waar Fons De Ridder zijn jonge schoolloopbaan verknalde.
‘Toen ik die avond bij Elsschot binnenkwam, voelde ik de bezadigde trots van man en milieu. Een echte Antwerpenaar koestert een kalme fierheid, niet te verwarren met pretentie. Antwerpenaren hebben iets flegmatieks, pragmatisch. “Geen flauwekul.” Zo was Elsschot. Een Antwerpenaar was toen trots op zijn stad. Zo ook Elsschot.
Die avond sprak Elsschot een bedachtzaam, eerder traag Antwerps.’ Van de Velde behoort tot een generatie die in het Antwerps dialect is opgevoed. ‘Nederlands heb ik op school geleerd, maar mijn omgangs- en gedachtetaal, de klank die me in de mond ligt, is het Antwerpse dialect.’
‘Als ze tegen mij zeggen: heel uw leven al zing je in dialect. Je hebt oude liederen die dreigden verloren te gaan weer opgepakt en je bent geen flamingant? Hoe kan dat? Dan antwoord ik met deze boutade: “Ik was flamingant in 1840 en misschien nog in de loopgraven van 1914-1918, maar in Buchenwald ben ik van gedachten veranderd.”
‘Elsschot was op zijn manier een cultuurflamingant, zoals Vermeylen en Teirlinck, maar minder uitgesproken. Neen, Elsschot had niets te maken met collaboratie. Flamingantisme heeft op zich niets met links of rechts te maken. Jef van Extergem was een linkse flamingant en niet minder flamingant dan Borms.’
‘Ik kende de zoon van Borms. Gerda Borms, kleindochter van August, was een schoolvriendin van me. We zaten samen op de academie. Op een avond in september, voor ik het leger in moest, heb ik nog nasi goreng voor haar klaargemaakt. Over August Borms, laat staan over het Borms-gedicht van Elsschot is nooit gepraat. Maar laat ik duidelijk zijn: August Borms was een rechtse flamingant en bijgevolg te gebruiken door de Duitsers.’
Wannes Van de Velde zit vaak buitenshuis te schrijven in een kantoor niet ver van de Groenplaats, waar op de gevel een plaquette prijkt: Willem Elsschot Genootschap. Willem Elsschot zelf zat vaak op de Groenplaats, een steenworp verwijderd van waar nu de tikmachine van Van de Velde staat.
‘Wat ik heb opgepikt van Willem Elsschot, is een zekere bescheidenheid en soberheid. Deze zelfbewuste man kon relativeren! Hij was niet te beroerd om als reclameagent te werken. Alfons De Ridder wordt alom gesitueerd in een degelijk, burgerlijk milieu, maar in feite was hij een werkman, geen bourgeois.’
Raymond
(NvdR : de opvattingen in dit stuk over de man De Ridder/Elsschot zijn deze van Wannes Van de Velde.)
Vrij bewerkt naar "Een Man van Woorden" door Martine Cuyt