Victor en Alicia spelen met Amos

Victor en Alicia spelen met Amos
God is onzichtbaar omdat Hij zich heeft weggegeven!Waarom is God onzichtbaar? Omdat Hij zich heeft weggegeven!
In mijn vroeger leven, toen ik godsdienstleraar was, kreeg ik af en toe de vraag: ‘Hoe weet u dat God bestaat? Waarom kun je Hem niet zien?”
De Oude Catechismus antwoordde, dat je God niet kon zien, omdat hij geen lichaam had. Dat God geest was.
Maar je zou ook kunnen zeggen: we kunnen God niet zien, omdat Hij Zichzelf heeft weg-gegeven.
Maar hoe moet je je dat voorstellen?
Halverwege de vorige eeuw in België trad bij de missiepaters een jongen in die Pierre heette. Hij sloot al gauw vriendschap met een zekere Jean. Samen spraken ze vaak over hun ideaal: pater in de missie.
Totdat Pierre een boek leest over het Melaatseneiland.
Het boek schrijft, dat de melaatsen er waarschijnlijk eerder doorgaan aan lusteloosheid, apathie of zelfs aan honger en dorst, dan aan hun ziekte.
Pierre wordt daar zo door gegrepen, dat hij aan niets anders meer kan denken. Het melaatseneiland achtervolgt hem overal. Jean kan het zich allemaal niet zo goed indenken. Na een lange innerlijke strijd komt het voor Pierre vast te staan, dat hij de aangewezen man is om naar het melaatseneiland toe te gaan.
Hij nam afscheid van Jean. Eenmaal aangekomen op het eiland moet hij eerst zijn walging overwinnen, voor hij een melaatse aanspreekt:
“Is er niemand die voor je zorgt?”
- “Nee!”
- “Zou je het fijn vinden?”
- “D’r is toch niemand.”
- “Zouden de anderen het ook fijn vinden?”
- “Allicht.”
- “Waarom ben je dan zelf niet ermee begonnen: je weet zelf hoe het zou zijn…?”
- “U hebt gemakkelijk praten: u bent gezond.”
Pater Pierre gaat aan het werk. Het eiland moet bewoonbaar worden. Hij hakt bomen, zaagt, timmert, bouwt huisjes. Pas na een paar maanden komen de eerste helpen. Maar dan gaat het ook vlot. Het melaatseneiland wordt een menselijk eiland.
Als iedereen een dak boven zijn hoofd heeft, komt er zelfs een kerk.
Tevreden bidt pater Pierre in zijn kerk. Hij heeft wat tot stand gebracht.
Dan valt zijn oog op witte plekjes op zijn handen; en op zijn armen. Ze zitten overal. “Ik heb het ook! Nee God, dat niet. Dat kan U niet van me vragen… .”
Drie dagen en nachten is pater Pierre in paniek. Hij wil weg. Terug naar huis.
In de derde nacht schiet het hem te binnen: “Nu kunnen ze nooit meer zeggen: U hebt gemakkelijk praten, u bent gezond.”
Nu begon het eigenlijke werk pas. Hij bleef.
Voortaan was hij melaatse pater van het melaatseneiland.
Na jaren was pater Jean in de gelegenheid het eiland te bezoeken.
Hij zocht zijn oude vriend Pierre, maar zag hem nergens. Hij riep op een afstand naar een melaatse: “Is pater Pierre hier ergens?” De melaatse begreep het meteen, en zei: “Ga terug naar de kerk, en als u hem nog niet ziet, dan moet u maar roepen.”
Pater Jean deed het.
U kunt zich voorstellen wat erdoor pater Jean heengegaan zal zijn, toen op zijn geroep één van de melaatsen in de kerk opstond en hem toeriep: “Jean!”
Waarom kan pater Jean pater Pierre niet zien?
Deze had zichzelf weggegeven, en nu zag hij er heel anders uit dan zijn oude vriend Jean dacht.
Waarom kunnen wij God niet zien?
Die heeft zichzelf weggegeven, en nu ziet Hij er anders uit dan wij denken.
Diamautem
'Het Schaeck' is het stamhuis van de familie Temmerman te Erondegem
Foto van 'Het Schaeck', het stamhuis van de familie Temmerman te Erondegem. In 1661 woonde daar Pieter Timmerman, 'vis-à-vis' de Kruis-Lieven-Heer van de kerk van Erondegem.
Volk van het luisteren
De eucharistie dwingt tot dienstbaarheid


Homilie van kardinaal Godfried Danneels in de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal
Allerheiligen 1 november 2006
Brussel-Allerheiligen 2006
Broeders en zusters,Deze kathedraal staat in het hart van Brussel. Buiten ligt de stad, een plaats van bruisend leven en van veel verborgen lijden, een plaats van leven en dood. Een stad van mensen van alle rassen, talen culturen en religies. Is er wel één taal die men in Brussel niet spreekt en één land op de planeet waarvan niemand hier verblijft?
En midden in deze stad wonen wij, christenen van Brussel, als ‘vonken in een stoppelveld’ zou de bijbel zeggen. Maar, houden wij, christenen, wel van de stad? Soms zegt men van niet: de stad is heidens en zondig. Waar is de rust, de vrede en het geloof rond de vertrouwde kerktoren in de landelijke gemeenten? En toch is het christendom niet in de stad geboren: in Jeruzalem, in Korinte en Rome. Daar is de Kerk gesticht. Zal het dan ook niet zijn dat ze in de steden wordt hersticht en zal ze er herleven? Christenen houden van de stad, het is hun biotoop en net daarom is dit congres van Brussel-Allerheiligen 2006 er ook gekomen.
Christenen houden van de multiculturaliteit. God trouwens ook. Was zijn eerste Verbond, dat Hij met de mensen sloot in Noach, er niet een met alle naties over de hele aarde en zette Hij zijn regenboog niet in de wolken opdat allen eraan zouden worden herinnerd? Dat verbond met alle mensen heeft God nooit teruggenomen. De Babelse spraakverwarring die onze samenleving al te vaak kenmerkt, komt niet van God, maar van ons. Wij zijn het die niet naar God hebben geluisterd en meteen verstonden we ook elkaars taal niet meer. Maar Gods droom van een Stad voor alle mensen blijft. We hebben het daarnet nog eens gehoord in het Boek van de Openbaring: ‘Daarna zag ik een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen. Ze stonden voor de troon en voor het Lam, gekleed in witte gewaden en met palmtakken in de hand. En zij riepen allen luid: “Aan onze God die op de troon is gezeten en aan het Lam behoort de overwinning”’ (Apo 7, 9v.).
Gods stad komt. Dat visioen van het Nieuwe Jeruzalem mogen we vandaag al in geloof vooruit zien. En in dat visioen zit ook Brussel. ‘Het is maar een visioen, zal wel iemand opmerken’ en ‘ik zie het slechts van verre of zelfs helemaal niet’. Maar de Bijbel weigert om visioenen naar het rijk van de verbeelding te verbannen. Visioenen zijn geen creatie van een op hol geslagen verbeelding, ze zijn de vrucht van Gods beloften en gevestigd in de goddelijke hoop die nooit wordt beschaamd. Daarom zijn wij christenen verplicht om van deze visioenen te leven, ook al in de wetenschap dat “als het visioen verdwijnt, het volk verwildert”(Spr 29,18).Niet dat we het zullen waarmaken op eigen krachten. In deze nieuwe Stad Jeruzalem staat geen monument gewijd aan het menselijk kunnen. Centraal staat de troon van God en van het Lam. Immers, ‘Als de Heer de stad niet bouwt, bouwen vergeefs de bouwers’ (Ps 127, 1).
Maar Hij doet het niet zonder ons, wij helpen mee. Ja, in de stad werken wij, christenen, mee aan de gerechtigheid, aan de zorg voor zieken en armen, voor vluchtelingen en asielzoekers, aan vrede en verdraagzaamheid. Er gebeurt ongelofelijk veel aan service en diensten aan de samenleving door de Kerk in Brussel. Ze heeft een ‘Open Deur’ waar zowat iedereen binnenvalt. Maar wat de Kerk doet in parochies en verenigingen, blijft vaak al te verborgen. Best misschien, want je linkerhand mag niet weten wat je rechter doet, zegt Jezus. Maar voor één keer mogen we toch ook dan andere woord van hem uitzeggen: ‘Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt. En men steekt toch ook geen lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de kandelaar zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn. Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat ze uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is’ (Mt 5, 14vv.).Kerk van Brussel, toon je maar eens zoals je bent opdat ze uw werken zien en vooral opdat ze de Vader verheerlijken die in de hemel is. Want godsdienst is geen privé-zaak: ze hoort ook thuis in het publieke leven en in het hart van de publieke samenleving.
‘Maar’, zal u wellicht zeggen, ‘dienst bewijzen doen toch alle goede mensen, daar hebben wij, christenen niet het monopolie van’. Nee, maar we hebben wel iets bijzonders, een ‘surplus’. En dat staat in evangelie vandaag te lezen. Tot acht keer toe zegt Jezus wat aan christenen eigen is: dat ze arm van geest zijn dus niet groot gaan op zichzelf, dat ze treuren omdat het goede zo langzaam vordert en het kwade lijkt te winnen, dat ze zacht zijn en zachte waarden huldigen in de samenleving, dat ze hongeren en dorsten naar gerechtigheid, barmhartig zijn en vergeven, dat ze zuiver zijn van hart en vrede brengen en dat ze het doorstaan van vervolgd te worden en van allerlei kwaad te worden beticht om Christus’ wil. En boven dat alles nog dat ze blij zijn en verheugd. Want Jezus eindigt met: ‘Verheugt u en juicht want groot is uw loon in de hemel’ (Mt 5, 12).
Welaan dan christenen van Brussel en van ver daarbuiten, ‘Wees niet bang’, toon wie je bent zonder complexen en zonder arrogantie. Met de psalmist mag ik u zeggen: ‘Gelukkig het volk dat de Heer heeft als God’ (Ps 33, 12).
+ Godfried kardinaal Danneels
Aartsbisschop van Mechelen-Brussel
Wie heeft het laatste woord?
Straks is het weer klasdag van de 58tigers
In het juiste perspectiefIn het juiste perspektief
Bisschop Edwin Hughes preekte op zekere dag over het onderwerp: God, Heer en Meester van alle dingen. Het sermoen was best, maar het viel toch maar weinig in de smaak van een van de rijkste grondbezitters uit de streek. De man liet het niet bij een zwijgend protest. Hij nodigde de bisschop aan zijn tafel, en liet hem daarna zijn tuinen, bossen en hoeven bewonderen.
“En wat denkt u er nu van”, vroeg de eigenaar een beetje korzelig, “blijft u nog altijd bij uw idee dat dit alles mij niet toebehoort?”
De bisschop glimlachte en zei: “Laten wij hier over honderd jaar nog eens terugkeren en dan verder praten”.
De fout zit hem inderdaad zeer dikwijls in het feit dat wij de zaken te kortzichtig beoordelen. De juiste norm om ons leven te bekijken en alles wat ons leven kruist, ligt in het perspectief van God. Wij kunnen onszelf veel wijsmaken, maar uiteindelijk moeten wij bekennen dat wij vals hebben gespeeld. Voor God en de eeuwigheidsgedachte wordt alles tot zijn echte waarde en tot de ware proporties teruggebracht.
Allochtonen en arbeidsmarkt
Dejongeren erkennen, is ook van hun relatie houden
Mijn gebedstrapMijn gebedstrap
Mister J. Arthur Rank, een van de bigbosses uit de engelse filmindustrie, had de eigenaardige gewoonte altijd langs de lange trap naar zijn bureau te lopen, in plaats van de snelle lift te nemen zoals iedereen.
Aan een journaliste die hem vroeg waarom, zei meneer Rank: “Mij te gemakkelijk, die lift! Ik gebruik liever mijn gebedstrap”. “Uw wat?” vroeg de kranteman verwonderd. “Mij gebedstrap”, herhaalde de glimlachende mister Rank. “Iedere morgen, terwijl ik naar boven loop, heb ik even de tijd om in een paar gebedjes te vragen dat ik de beslissingen van die dag altijd zal kunnen verantwoorden tegenover de duizende mensen die voor mijn firma werken, en tegenover de miljoenen die onze films zullen zien. En ’s avonds, als ik weer naar beneden kom, geeft die traploperij me de kans om God te danken voor zijn leiding”.
De christen, vriend van de armen
De chrysant: een Japanse herfstbloeier!
De naastenliefde concreet maken

'Kom en zie...'
Mgr. Policarpo verwees in zijn toespraak naar die eerdere congressen: "Telkens zijn we erin gelukt de eenheid in de verscheidenheid te vinden". De Portugese Patriarch verwees in zijn toespraak naar de recente encycliek van de paus, 'Deus Caritas Est'. Daarin schreef paus Benedictus XVI: "De missie van de Kerk is het concreet maken van de naastenliefde".
Volgens Kerknet
Bidden op jouw manierBidden op jouw manier
In het leven van Mozes volgens een joodse volkstraditie komt een opmerkelijke passage voor.
Mozes ontmoet in de woestijn een herder. Hij brengt de dag samen met de hrder door en helpt hem bij het melken van zijn schapen.
Aan het eind van de dag ziet hijdat de herder de beste melk die hij heeft in een houten nap giet, die hij op enige afstand op een platte steen plaatst. Dan vraagt Mozes hem waar dat voor dient, en de herder antwoordt: “Dat is de melk voor God.” Mozes snapt het niet en vraag wat hij bedoelt.
De herder zegt: “Ik neem altijd de beste melk die ik heb om die aan God te offeren.” Mozes die veel meer verstand heeft dan de herder met zijn naïeve geloof, vraagt hem: “En drinkt God die op?” “Ja”, antwoordt de herder, “dat doet hij”. Dan ziet Mozes zich verplicht de arme herder voor te lichten, en hij legt hem uit dat God, omdat Hij zuiver geest is, geen melk drinkt. Toch is de herder er zeker van dat Hij dat wel doet, en zo redetwisten zij een poosje. Het loopt hierop uit dat Mozes tegen de herder zegt dat hij zich achter de bosjes moet verbergen om te zien of God inderdaad de melk komt opdrinken.
Mozes gaat dan de woestijn in om te bidden. De herder verbergt zich, het wordt nacht en in het maanlicht ziet de herder een klein vosje uit de woestijn komen aantippelen; het kijkt rechts, het kijkt links en gaat recht op de melk af, likt die op en verdwijnt weer in de woestijn.
De volgende morgen vindt Mozes de herder helemaal ontdaan en terneergeslagen.
“Wat is er aan de hand?”, vraagt hij. De herder zegt: “U had gelijk, God is zuiver geest en Hij heeft mijn melk niet nodig.” Mozes is verbaasd. Hij zegt: “Je zou blij moeten zijn; je weet nu meer van God dan eerst.”
“Dat wel”, zegt de herder, “mar het enige wat ik kon doen om mijn liefde voor Hem tot uitdrukking te brengen is mij nu ontnomen.” Mozes begrijpt wat hij zeggen wil. Hij trekt zich terug in de woestijn en bidt met aandrang. In de nacht spreekt God tot hem in een visioen: “Mozes, je hebt verkeerd gedaan. Het is waar dat Ik zuiver geest ben. Maar toch heb Ik de melk die de herder mij offerde altijd in dank aanvaard als het bewijs van zijn liefde, maar omdat Ik als zuivere geest die melk niet nodig had, deelde Ik hem met dat kleine vosje, dat zo dol is op melk.”
Wij laten ons vangen!Wij laten ons vangen
Om een klein aapje te vangen stop je wat lekkers in een fles. De aap grijpt door de hals van de fles en houdt de lekkernij in zijn vuist geklemd. Zo krijgt hij zijn pootje niet meer vrij. Want hij wil de fles van zich afschudden en toch zijn buit niet loslaten.
Mensen laten zich even gemakkelijk vangen. Het principe in precies hetzelfde. Ze willen grijpen en bezitten, zonder los te laten. Ze verlangen vrij te zijn en hoeven daarvoor alleen maar hun hand te openen en de gegrepen buit prijs te geven. Ze beseffen niet dat wanhopig grijpen en vasthouden hen onvrij maakt.
U en ik, wij allemaal, springen hopeloos in het rond, met aan onze armen ontelbare flessen, en intussen lachten we om die domme aap, met die éne fles om zijn pooit.
Karel Staes.
Kapel van den Ouden Berg te Geraardsbergen
Koekoeksgedachten
Op bezoek bij juffrouw Anaïs