Staatsmisdrijf met voorbedachte rade


Jurramendi-Montejurra
+9 mei 1976
In Aiegi-Iratxe, op de mythische berg Jurramendi-Montejurra te Lizarra (Navarra) vieren de Carlisten hun jaarlijkse herdenking. Op 9 mei 1976 werden bij deze gelegenheid twee van hun sympathisanten, Ricardo García Pellejero en Aniano Jiménez, neergeschoten door Spaanse fascisten, die met naam en toenaam (en ééntje zelfs op foto-mét-revolver) gekend zijn. Het heeft echter tot 2001 geduurd eer de twee slachtoffers door het Hooggerechtshof erkend werden als “slachtoffers van het terrorisme”. Deze “slachtoffers” werden indertijd opgevoerd om het ETA-terrorisme aan te klagen en zeker niet het terrorisme dat aan de basis lag van alle problemen in Baskenland… Een gedenksteen naast het klooster van Iratxe, vlak in de buurt, is opgericht voor de twee slachtoffers.
Zoals elk jaar trekken de Carlisten samen naar de berg Montejurra, in Irache (Navarra) om de eed van trouw aan hun idealen te zweren. De Carlistenoorlogen (1833-1840 en 1873-1876) ontstonden nadat koning Ferdinand de bestaande successieregeling (slechts mannelijke bloedverwanten als opvolging) wijzigde om zijn dochter Isabella op de troon te krijgen. De broer van Ferdinand, Don Carlos, (waaraan de latere aanhangers, de Carlisten hun naam danken) nam hier geen genoegen mee. Na de troonsbestijging van Isabella (1833) startten de Carlisten een militaire campagne met een federalistisch, klerikaal en conservatief karakter, die vooral steun van Basken kreeg. Op het einde van de eerste Carlistenoorlog diende Don Carlos de vlucht te nemen naar Frankrijk waar hij, geïnterneerd, in 1847 afstand deed van zijn rechten. Zijn kleinzoon, Don Carlos María de Los Dolores Juan, was kroonpretendent toen de tweede Carlistenoorlog uitbrak. Ook ditmaal kozen de Basken de kant van de Carlisten om op die manier hun autonomie-eisen kracht bij te zetten. De gevolgen waren catastrofaal voor de Basken want in 1876 werden hun vrijheden, de Fueros van Navarra afgeschaft. De Carlistenoorlogen gingen soms gepaard met grote wreedheid. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog streden de Carlisten als “Requetés” aan de kant van Franco.
Op 9 mei 1976 voltrok zich op de Jurramendi-Montejurra een vooraf aangekondigde actie van uiterst rechts nadat in de kranten van die strekking (El Alcázar en El Pensamiento) wekenlang opgeroepen was tot een ‘reconquista’ van de Montejurra “voor het échte Carlisme” en om zich te ontdoen van het “heiligschennend Separatisme die de heilige berg onteerd had”. Bovendien had de Spaanse Minister van Buitenlandse Zaken, de “Bask” José María de Areilza, de Nederlandse Ambassadeur laten weten dat ze niet konden instaan voor hun veiligheid mocht de leider van de Carlistische Partij, Carlos Hugo de Borbón Parma, en zijn vrouw, de Nederlandse prinses Irene, naar de Montejurra komen. De Dictator was nog maar een half jaar dood, maar alles kón nog steeds, o.a. met de zegen van Manuel Fraga, minister tijdens de dictatuur (en, tot voor kort, president van de autonome regio, Galicië!) Er werd gevreesd voor een confrontatie die geen uitstaans had met het Carlisme.
Later bleek dat de Burgerlijke Regering van Navarra niet minder dan 20 kamers had gereserveerd in hotel Irache om haar kornuiten in onder te brengen: militairen en andere leden van de nationale veiligheidsdienst die ontevreden waren met de democratische hervormingen na de dood van Franco, gewelddadige activisten van Triple A, Batallón Vasco Español, Guerrillero's de Cristo Rey, Franse, Argentijnse en Italiaanse huurlingen en last but not least: Sixto, de broer van Carlos Hugo! Op het ogenblik dat de Carlisten de tocht naar de top van de berg aanvatten marcheerden ook zij, met 250, in militaire pas naar de Montejurra, gewapend met gele matrakken, maar ook met pistolen. Bij het klooster van Irache kwam het tot een eerste botsing. Het bleef bij beledigingen, stenen en stokslagen tegen de Makilas (Baskische wandelstokken) van de Carlisten. Even later kwam het tot een woordenwisseling tussen enkele Carlisten en een man in gabardine gekleed en met een rode Baskenmuts (José Luis Marín García Verde) die plots een FN Browning bovenhaalde en de Carlist Aniano Jiménez Santos dodelijk trof. De aanwezige Guardia Civiles deden niets om aan het incident een einde te maken. Noch werd de agressor een strobreed in de weg gelegd! Toen de kruisweg naar de top van start ging en Carlos Hugo en prinses Irene zich bij de groep hadden gevoegd waren er honderd nationale politiemannen aanwezig. Boven, in de mist van de berg, bevonden zich een twintigtal personen die er de nacht hadden doorgebracht. Tegen 11 uur arriveerde Sixto boven op de top bij de grot waar de mis wordt opgedragen en van waar men een overzicht heeft over de hele omgeving. Hij was vergezeld van duistere figuren gewapend met pistolen en één automatisch geweer. Er werd bevel gegeven te vuren en er viel een tweede Carlist met een kogel in het hart: Ricardo García Pellejero, 20 jaar. Later werd er munitie gevonden van een militaire wapenfabriek uit Sevilla. De rest van de 25.000 Carlisten die de tocht maakten, hadden amper weet van de tragedie die zich had voorgedaan.
Verschillende aanvallers zouden later als betekenisvolle leden van BVE en GAL (doodseskaders van het staatsterrorisme) boven water komen. De aanstichter tot de moord, Juan María Araluce voorzitter van de Deputatie in Gipuzkoa, werd later op dat jaar door ETA geliquideerd.




















