Gerrit Jansen: De architectuur van een lisbloem

foto Gerrit Jansen
Bloembezoek ;Boven het honingmerk staat de meeldraad. De helmknop is het meeste stuifmeel al kwijt. De bloem rechts is volkomen uitgebloeid; de groene vruchten kunnen gaan rijpen.
De lissenfamilie omvat wel tweeduizend soorten. De architectuur van de bloem is uiterst geraffineerd. Lisbloemen worden bestoven door hommels met een lange tong waarbij zelfbestuiving vermeden moet worden.
Het heeft even geduurd voordat we thuis goed in de gele lissen zaten. Bij de aanleg van de eerste vijver, vijftien jaar geleden, heb ik twee pollen in de oever geplant. Die bloeiden elk jaar met mondjesmaat. Een paar jaar geleden heb ik een aantal rijpe vruchten, die wat vorm betreft veel van een augurk weg hebben, laten drogen. Als de vruchten aan de toppen open scheuren, komen met rissen tegelijk tientallen kastanjebruine zaden tevoorschijn. Ik heb de platte zaden in onze vijvers gegooid. Het duurt lang voordat ze zinken, want ze dragen allemaal een zwemvest van kurk en ze bevatten luchtholten waardoor ze lang blijven drijven.
Pas als het kurklaagje verrot is, zakt het zaad naar de bodem, waarna het kan kiemen. En dat lukt bij ons de laatste jaren wonderwel. Elk jaar verschijnen er meer gele lissen aan de oevers van onze vijvers. In deze maand bloeit de 'fleur de lys' optimaal. Iedereen kent de gestileerde lisbloem wel als de Franse lelie, maar van verwantschap met de lelie is geen sprake. Ik heb vorige week een tak van de lis op de vaas gezet, omdat ik de bloembouw en de ontwikkeling van een bloeistengel eens nauwkeurig wilde bekijken.
De zwavelgele bloemen zijn drietallig vergroeid. De zes bloembladen vormen het bloemdek. Net zoals bij de tulp en de meeste narcissen is zo'n bloemdek eenkleurig. Er zijn drie buitenste en drie binnenste bloemdekbladen. De drie buitenste zijn groot en rond met een smalle voet en de drie binnenste klein en lepelvormig. De drie buitenste buigen zich naar beneden, de binnenste blijven rechtop staan. Ook zijn er nog drie stijlen die op bloemdekbladen lijken. Deze stijlen staan op het onderstandige vruchtbeginsel dat na bestuiving en bevruchting uitgroeit tot de augurkvormige doosvrucht waar we het net over hadden. De drie meeldraden zijn op de voet van de drie buitenste grote bloembladen ingeplant, maar staan verscholen onder de binnenste bloemdekslippen. Daardoor zijn ze beschut tegen regen en dauw en dat is gunstig voor de bestuiving.
Ik ben niet de enige die interesse toont voor de fraaie lisbloemen op de vaas onder onze veranda. Regelmatig landt er een tuinhommel op een van de buitenste bloemdekbladen. Zo'n blad is gemarkeerd met fijne donkerbruine lijntjes en wordt honingmerk genoemd. Deze aanduiding wijst bepaalde insecten de weg naar de nectar. Buiten bij een grote pol met bloeiende lissen is goed te zien dat de hommels de honingmerken direct herkennen. Als de harige insecten van bloem naar bloem vliegen, landen ze steeds weer precies op de markering van de landingsbaan. Alleen bloembezoekers met een lange tong kunnen bij de diep liggende nectar komen. Bepaalde hommelsoorten hebben dat en zij zijn de aangewezen bestuivers. Eigenlijk zijn de meeldraden en de bloemdekbladen zo met elkaar vergroeid, dat we met drie lange buizen te maken hebben. Onderin zo'n buis bevindt zich het bakje met zoetigheid. Trek zo'n bloem open en steek de tong erin: puur suikerwater.
Als we een bloeistengel van de lis goed bekijken, zien we dat de toegangsweg tot de nectar niet bij elke bloem even breed is. De eerste dag van de bloei vormt de mannelijke fase; de toegang is dan nog breed en de hommels raken op weg naar de nectar op de rug bepoederd met stuifmeel. De top van de stijltakken is nog omhoog gericht, zodat de stempel niet aangeraakt wordt en bestuiving nog onmogelijk is. Een tweededagbloem heeft veel nauwere openingen.
De helmknop heeft geen stuifmeel meer; de stijltakken zijn slap waardoor de stempel toegankelijk wordt. Hommels die van een eerstendagbloem komen, strijken het stuifmeel af op een tweededagbloem. De kans op kruisbestuiving is daardoor aanmerkelijk groter. De Latijnse naam Iris is bij niet plantenkenners waarschijnlijk bekender dan de Nederlandse naam lis. Dat komt, omdat er veel irissoorten in cultuur zijn. Iris betekent regenboog.
De naam is waarschijnlijk te danken aan de vele kleuren die sommige soorten hebben en aan de gebogen vorm van de bloembladen. In de Griekse oudheid was Iris de boodschapster van de goden. Zij onderhield via de regenboog het contact tussen hemel en aarde en vervoerde er de zielen van de overledenen op. Daarom plantten de oude Grieken lissen op de graven, een gebruik dat ook bij ons lang opgang heeft gemaakt. De gele lis voelt zich het beste thuis op de grens van land en water.
Ook broekbossen die regelmatig blank staan, kunnen in deze tijd geel van de lissen zien. In de uiterwaarden zien we de plant ook wel op het droge. Vaak betreft dat dan toch lage gebieden, die als de rivier buiten haar oevers treedt, lang blank staan. Zo'n 'droge' lis is en blijft vanwege haar schoonheid voor mij toch een koninklijke oeverplant. door Gerrit Jansen.
bovenste foto Joke
bron; gelderlander.nl