Er is een groep mensen
Er is een groep mensen
en er is een groep mensen
die 's morgens en 's avonds elkaar bevragen
hoe is het? goed zeker? hoe
was het? als vroeger zeker? hou
je nog van me? ja, wat dacht je? en
ginder? ik blijf op je wachten.
Er is een groep mensen
en er is een groep mensen
en daartussen het vlies van vermoedens
een hellend vlak van attenties, vermogen
van traan en elektrische pulsen,
die telefoon wordt nooit neergelegd.
Soms is de taal kort van stof en stoffig
herhalingen ook en
buiten dampt het landschap, groen en nat
wordt het gehouden door kabouters.
Prijkt hij, kijkt zij, blijft hij, smeekt zij
bidt hij, denkt zij, rouwt zij
die eerste maanden jaren als de eerste dag
flakkerend ingekaderd, op altaartjes
valt hun dorstige mond nooit stil.
Koen Peeters (1959)
uit: Fijne motoriek







