Naar de inhoud

Hylpen likje stea oen it Yselmor

mijn
Welkom in Hindeloopen. Welkom bij mijn digitaal boek
seniorennet.beseniorennet.be

mijn


Geschiedenisverhalen

Zie ook andere blogs in linker kolom

Ik wens u veel kijk- en leesplezier


Scheepswrak bij Hindeloopen

Maritieme Archeologie - Scheepswrak bij Hindeloopen - 2006

In juni 2006 is in opdracht van Gasunie NV in het IJsselmeergebied een duikonderzoek uitgevoerd op twee locaties langs een door de Gasunie geplande nieuwe gastransportleiding.

Uit een vooronderzoek met geofysische technieken waren op negen locaties objecten waargenomen. Twee van deze objecten werden aangemerkt als mogelijk archeologisch. Deze twee locaties zijn visueel geïnspecteerd, geïdentificeerd en de resultaten zijn vastgelegd.

Op één locatie zijn kleine en middelgrote (tot 1 meter) stenen aangetroffen die onderdeel uitmaken van een keileemlaag uit de laatste IJstijd die op deze locatie aan het bodemoppervlak komt.

De andere locatie herbergt een nagenoeg intact historisch scheepswrak uit de laat-zeventiende eeuw, waarschijnlijk een tjalkachtige kustvaarder. In dit wrak werd onder meer een vuurplaats of kombuis aangetroffen met een verzameling potten, pannen, borden, lepels en ketels, deels bestaande uit intacte objecten.

Op basis van de bevindingen en operationele afstemming is in overleg met het bevoegd gezag besloten dat de activiteiten rondom de aanleg van de nieuwe gastransportleiding doorgang kunnen vinden zoals gepland, waarbij het gebied rondom het scheepswrak niet verstoord wordt.

Bron : Periplus Archeomare



679541-4e25c71d8c17857ebe206296e30385e7.jpg

Reageer op dit bericht

Elfstedentocht 1941

Foto 1941
 
SERVICE VAN HINDELOOPEN


Menig Elfstedentochtrijder zal bij zijn aankomst in Leeuwarden zeggen: “Bij de vele momenten, die mij op de­zen tocht getroffen hebben, zal de ontvangst te Hindeloopen onvergetelijk blijven”. En dan zullen andere tocht- en wed­strijdrijders hem of haar bijval­len, en “de service van Hindeloopen” zal nog vele ma­len het onderwerp van’t ge­sprek zijn èn stof tot veel vro­lijkheid geven. Wat was dat dan toch, die ‘service’ van Hindeloopen? Stel u voor, dat u, in Hindeloopen komende, moest ‘klunen’, een grasveldje over, een schuin oploopend straatje op, over een 25 meter ‘balsteenen’, om bij den con­trôlepost te komen!De wach­tenden hadden al bij voorbaat medelijden met de rijders, vooral met hen die op Noren reden. “For jin méénsken es 't gin dwaaen”, dât siz iek jimme. “West het wie dwaaene? Wie nimme te gaaere een op’t skoolder, en wie drèège him nei de controle tô!” “En wie helje ’n karretjen”. “En wie helje ’n krot”. Wij hoorden dit aan, en lachten eens. Want we we­ten: ‘Sizzen is neat, mar dwaen is ’n ding’, ook in Hindeloopen. Maar toen we ons, na de af­stempeling op ‘t ijs, van de zes eerstaankomenden, in café ‘De Zwaan’hadden terug ge­trokken, merkten we al spoe­dig, dat het meenens was.

11.51 Een karretje over de balsteenen reed. Daar kwam De Vries, de winnaar van 1933, getrokken door zijn rivaal van dat jaar, IJpe Smid, den post binnen. Vlug afstem­pelen, een sprong op IJpe's schouders, hup! op de wagen, en weg naar 't ijs! Is dat service of niet? Daar kwamen twee jongens, die op hun schouders een forschen rijder torsten. Even klunen door de gelagka­mer, afgestempeld.... Hup, op­getild en weggedragen! Van toen af was er geen houden meer aan! Op fietsen, op kar­retjes, op aanhangwagens van fietsen.... Op handen gedra­gen kwamen ze binnen! Alleen het ‘krot’oftewel de kinderwa­gen bleef tot onzen spijt ach­terwege.’t Voorbeeld van de heeren der schepping werkte aanstekelijk.’k zie nog die vier meisjes (van pl. m. 1000 we­ken) sjouwen met dien rijder, die zich, volgens zijn zeggen, voelde, of hij in de wieg lag. Na deze ontboezeming kon geen der vier een stap meer doen, en het slachtoffer werd zacht­kens op de balsteenen neer­gevlijd. “Moet ik nu verder loopen” vroeg hij verschrikt. “0, néé, héér. Mar wie mutte éé­ven uutlakje, wie kenne naat mear”. En toen zeulden ze ‘ge­vieren’ den rijder postwaarts. Op het ijs werden de rijders reeds aangeroepen., aange­grepen, omarmd, opgetild, weggedragen, nog voor ze wisten, wat er met hen gebeu­ren ging. Ziet ge, dat is de spontaniteit, dat is de sportivi­teit, dat is medeleven, dat is de Elfstedensfeer. Want winstbe­jag zat hierbij niet voor. Uitte een rijder zijn dankbaarheid door een kleinigheid te geven, dan werd dit meestal afgewim­peld met een: “Néé héér, dèr dwaaene wie 't naat fôr, jimme mutte mar gauw op­sèète”. Bleef dan de rijder aan­houden, dân werd het aan­vaard, maar ‘t was de bedoeling niet. Ze hadden er graag een beetje kou voor over. Want koud was het! We zien nog dien rijder uit Hengelo z'n tanden zetten in een sinaas­appel, die hij, sappig en wel, van den start had meegeno­men.’t Zou niet gaan. Eén klomp ijs was het. Daarom echter niet getreurd. Een sprong in ‘t aanhangwagen­tje.... En weg was hij. Bleef de rijder even zitten voor een hartversterking, dan werd er ge­duldig gewacht, of men ging om een nieuw vrachtje. Zoo ging het in Hindeloopen tijdens den Elfstedentocht 1941, van ‘s ochtends kwart voor 11 tot ‘s middags 5 uur. Is het wonder, dat ‘de service van Hindeloopen’ nog lang stof tot veel gepraat en gelach zal ge­ven?

Bron: Uus Likje Wraald.
Ingestuurd door Gauke Bootsma

Reageer op dit bericht

De schaatsenmakers

DE SCHAATSENMAKERS

Hindeloopen, Albert Lolkes Smid, Hindeloopen 7 - 4-1831

Periode 1880

Type: Friese schaats.

Beschrijving:

Zoon van de smid Lolke Jelles Smid (Hindeloopen, 1783 - 1853). Zijn tien jaar oudere broer neemt na de dood van hun vader de smederij over en Albert is dan smidsknecht bij zijn broer. Later krijgt hij zelf een smederij aan de Tuinen. De broers Smid hebben dan elk een smederij in Hindeloopen. In 1879 neemt Albert de smederij van Jorritsma aan 't Oost over. In de Navorscher van 1885 wordt gesproken van “Hindeloo­per” schaatsen zonder ver­melding van de maker ervan. Aangezien Albert Smid al vanaf circa 1865 smid is in Hindeloopen is het aannemelijk dat hij de maker is van de “Hindelooper” schaatsen, im­mers hij heeft al een langere traditie van schaatsen maken kunnen opbouwen. Waar­schijnlijk maakten ook zijn vader en zijn broer al schaatsen. De elfstedenrijder Ype Smid uit Hindeloopen die in 1929 tweede was in de Tolhuster Tocht en derde in de Elfstedentocht van 1933 is een kleinzoon van Albert Smid.

(Bij nader onderzoek deed blijken dat Ype Smid geen kleinzoon is van Albert Smid, maar dat Ype zijn overgrootvader, Ype Lolkes Smid (1812), een half­broer is van Albert Smid: red.)
                                       _______________________

O.Y. Faber: Hindeloopen
.
Beschrijving:
Rond 1880 wordt Faber smid aan de Buren in Hindeloopen, waar hij in de stille tijd in kleine aantallen schaatsen maakt. De smederij wordt later door zijn zoon Ynze Faber overgeno­men. De houten werden ge­maakt door Borneman in Hindeloopen. In het briefhoofd van het door Faber gebruikte papier staan twee schaatsen­makers afgebeeld en noemt hij zich schaatsenmaker..

                                       _______________________

Brongegevens:
ObbeYnzes Faber.
Sloten: 25-9-1852
Koudum: 25-7-1 937
Periode: 1880-1920
Type: Friese schaats
Uit: Uus Likje Wraald
Artikel gevonden in het boek: “van glis tot klapschaats “ 
Ingestuurd door G. Bootsma

Reageer op dit bericht

Info over de kerstboom

       131893-3d650487bc1dfbda70be75cf6d2ce3ba.gif

De oorsprong van de kerstboomtraditie.

Over de oorsprong van de kerstboomtraditie lopen de meningen uiteen. Er bestaan hierover verschillende versies, maar steeds wordt aan de kerstboom dezelfde symboliek toegeschreven: in het putje van de winter symboliseert de spar met zijn groenblijvende naalden het leven dat niet dood is en zal terugkeren.

De geschiedenis van de kerstboom is voor een deel gebaseerd op waarheid, maar de tijd en de verbeeldingskracht hebben deze realiteit een eigen vorm gegeven, waardoor de mystiek rond de kerstboom alleen maar gegroeid is.

We geven hier de meest gangbare verhalen die de ronde doen over de kerstboomtraditie.

Zeer waarschijnlijk was het bij onze Germaanse voorouders traditie om de kortste dag te vieren met een altijd groene tak of boom uit het bos (conifeer, jeneverstruik, hulst, maretak, enz…).

Deze boom of tak stond voor het leven dat voortgaat en was de voorbode van de vernieuwing. Ook het licht vormde een belangrijk symbool bij deze gebeurtenis. Om de langste nacht van het jaar te vieren werden er vreugdevuren ontstoken. Naar alle waarschijnlijkheid is deze traditie van de groenblijvende boom en van het licht bij de kerstening van Europa overgenomen door de Christelijke gebruiken. Ze maakt sinds die tijd deel uit van de kerstvieringen.

De traditie om de kerstboom te versieren met kerstballen zou ontstaan zijn in de XIde eeuw.

In die tijd gaven de troubadours voorstellingen op het kerkplein. Vooral het "mysterie" (de naam die gegeven werd aan deze voorstellingen) van het Paradijs was zeer in trek en kreeg een vaste stek in de Adventsperiode. Een boom (meestal de takken van een appelboom) versierd met rode appels symboliseerde dan de boom van het Paradijs. In de loop van de XVde eeuw vatten de gelovigen dan de gewoonte op om op 24 december, de feestdag van Adam en Eva, hun interieur op te smukken met deze versierde takken. Later werden door de Duitse kerstboomtraditie de appelboomtakken vervangen door een spar en de appels door kerstballen in allerhande kleuren.

Wat er ook van zij, de traditie van de kerstboom heeft zo goed als zeker een Germaanse oorsprong. In de XVIde eeuw versierde iedereen zijn straat of huis met een groene boom (dit was meestal de spar van de Vogezen, toen de enige groenblijvende boom van streek). Dit wordt gestaafd door de edicten van Sélestat (Nederrijn). Deze edicten stelden een kapperiode in voor kerstbomen tijdens de kerstperiode (van 9 dagen vóór tot 9 dagen na Kerstmis).

In Frankrijk was het Hélène de Mecklenbourg, echtgenote van de Duc d’Orléans en van Duitse origine, die in 1837 in de Tuilerieën voor het eerst een kerstboom versierde.

Voor de invoering van de kerstboomtraditie in Groot-Brittannië en in de rest van het Europese continent zorgde Prins Albert van Saksen Coburg en Gotha. Via zijn huwelijk halverwege de XIXde eeuw met Koningin Victoria van Engeland verspreidde hij de traditie van de kerstboom in Groot-Brittannië.

De missionarissen en de eerste Franse kolonisten zouden de kerstboom mee naar het Amerikaanse continent genomen hebben.

Vandaag de dag maakt de kerstboomtraditie overal in de wereld deel uit van de heersende gebruiken. Deze van oorsprong christelijke traditie is uitgegroeid tot een symbool voor gelovigen en niet-gelovigen, groot en klein, arm en rijk, die samen rond deze boom de eindejaarsfeesten vieren.

Hier in België moeten we voor de kerstboomtraditie teruggaan tot in de XVIIIde eeuw. In die tijd gingen de inwoners van de Ardennen in het bos een kleine spar zoeken waarmee ze hun huis in de kerstperiode versierden.

Met de twee Duitse invasies die ons land tijdens deze eeuw meemaakte, kreeg deze traditie steeds meer ingang.

Verschillende benamingen van land tot land

Een "kerstboom" krijgt in Londen, Düsseldorf, Amsterdam in Parijs een heel andere naam.

De Engelstaligen kozen voor de algemene term "Christmas tree", net als de Nederlandstaligen (kerstboom).

De Duitsers spreken dan weer van een "Christbaum" of "Weihnachtsbaum" (kerstboom of Kerstnachtboom).

In Frankrijk en Wallonië gebruikt men de term "sapin de Noël". Ongetwijfeld omdat de eerste kerstbomen "abies" waren (Latijnse naam voor "spar"). Door de eeuwen heen blijkt dit een verkeerde benaming omdat de meeste Kerstbomen eigenlijk epicea zijn (Epicea Abies Karst in het Latijn).

Door de invloed van de Franse taal wordt een kerstboom in Vlaanderen ook wel een "kerstspar" genoemd.

In zuiderse landen omschrijft men de kerstboom als "de boom van de Geboorte" (Italië: Albero di Natale; Spanje: Arbol de Navidad).

Die verschillende benamingen hebben ondertussen ruimschoots ingang gevonden. Voor de consument en de verdeler is het inderdaad makkelijker om de kerstboom met een algemene naam aan te duiden, veeleer dan de variëteit te specificeren. Dan zouden immers heel wat namen in omloop zijn. Bovendien is dat een stuk moeilijker voor de verkopers en vooral de gebruikers die vaak de variëteit of de naam van de boom helemaal niet kennen.

Bron : Orpah

Reageer op dit bericht

De Hylper haiven



De Hylper haiven


De gemeentelijke haven van Hindeloopen was aan groot onderhoud toe. Op voorstel van de Stichting Stadsherstel Hindeloopen werd besloten om de haven, voor zover mogelijk, in de staat van 1930 terug te brengen. In 2005-2006 werd de oude haven gerenoveerd.

Foto maart 2006 van Henk Smid. Op foto de de eerste sneeuw op de nieuwe "Lang bregge".

In mijn fotoalbum, zie link, vind u een fotoreportage over deze renovatie.

                    Klik hier voor fotoreportage

Reageer op dit bericht

De gemene scharen



DE GEMEENE SCHAREN

 


Op straffe van een geldboete was het verboden ,,geduirende ende ondert scharreekenen….. sich onfassoenlijk met rabbelen off praeten mogen aanstellen tot... verstoringe ofte verbijsteringe van de reekeninge”, aldus een bepaling uit het schar-reglement van 1673.

Hindeloopen kenmerkt zich met Molkwerum in een bijzonder gedrag ten aanzien van het bezit der weidegronden. Kennen wij het gemeenschappelijk weidebezit, vooral in de Saksische stre­ken van ons land, op de klei- en laagveengebieden is daar zeer weinig van overgebleven, en daarom is het een bijzonderheid wanneer wij het gemeenschappelijk weidebezit in Hindeloopen en Molkwerum rond 1700 nog aantreffen. Het gemeenschappe­lijk wei- en hooilandenbezit, wordt hier aangeduid met ,,gemee­ne scharren” het besloeg in die tijd 73,5% van de oppervlakte. De scharren lagen in negen afzonderlijke stukken aan beide zij­den van de Indijk. Ten oosten daarvan lagen de weilanden ge­naamd: Meenschar en de daaropvolgende Nijfenne, terwijl we de hooilanden Maaden en Soltgraft tot aan het Haanmeer daar eveneens moeten zoeken. Ten westen van de Indijk had men de weilanden: Weide, Diepesloot en Hyngstefenne, letterlijk Paar­denfenne, tevens treffen we daar de hooilanden Boven Poelen en Welcke aan. Het overige percentage land, kleine of particuliere fennen, was door sloten in kleine stukken verdeeld; het waren grotendeels hooilanden, in het bezit van meerdere eigenaars. Ze werden bestuurd door particulieren, terwijl de ,,gemeene schar­ren” door de stadsregering werden beheerd.

Ieder jaar werden er door het stadsbestuur twee scharmeesters benoemd, die belast waren met de taak om samen met de schrij­ver de zaken van de gemeene schar te behandelen. Aangezien de Hindelooper klein-grondbezitters waren, de Meenschar kende in 1672 bijvoorbeeld 106 eigenaren, die onderling de schar splitsten. kochten of verkochten, huurden of verhuurden, was de admini­stratie van dit geheel een tamelijk moeilijke opgave. Daarom verwondert het ons ook niet dat de in de aanvang genoemde bepaling werd vastgesteld; men had alle rust nodig om te reke­nen.

Van de hooilanden had ieder een aangewezen stuk door palen omheind. De weiden daarentegen waren onverdeeld. Men had hierin alleen een aandeel. Een ieder maaide zijn eigen stuk land, wanneer echter het hooi was weggehaald liep al het vee bijeen, daarbij werd bepaald dat de hoeveelheid grond en aantal stuks vee in een evenredige verhouding tot elkaar stonden

Er waren ook enkele eigenaren, die geen bepaald aangewezen land hadden, maar enige ,,blinde koegangen” hadden toegewe­zen gekregen op de Maaden. Dit hield in dat zij geen hooi kre­gen, maar het recht hadden om na de hooioogst vee in het veld te zenden.

Toen men na de aanleg van het bolwerk in 1672 de Meenschar had gesplitst, moest er geloot worden wiens aandeel binnen. en wiens aandeel buiten de fortificatiën zou vallen. Trouwens de Meenschar en de Weide waren door de uitbreiding der stad reeds aanmerkelijk ingekrompen.

Langzamerhand begon in de achttiende eeuw het verdelingspro­ces der gemeenschappelijke gronden. Het particuliere bezit groei­de en daarmee ging gepaard een concentratie van grondbezit en bedrijven. Er waren in 1676 nog ruim 146 landgebruikers, daarna nam het aantal af. In 1714 ruim 68, in 1725 nog 61, terwijl bij de volkstelling van 1749 21 mensen werkzaam zijn in de landbouw, dat is zes procent van de beroepsbevolking. Zo rond het midden van de achttiende eeuw werd er in Hindeloopen in tegenstelling tot voorgaande tijden tamelijk veel aan akkerbouw gedaan, dit als gevolg van de tweede veepestgolf.

Bron: Bovenstaand verhaaltje is overgenoemen de ZWH reeks “Hindeloopen stad aan de Zuiderzee”.
In dit boekje wordt de rijke historie in kort bestek prima beschreven.

Reageer op dit bericht

Een Zuivelfabriek

EEN ZUIVELFABRIEK

1818454-cd7413ef1ebcca68c41282b60457169b.jpg

Een primitieve boerencoôperatie! - zo zou men het samengaan van de vier boeren, woonachtig op de Grote Wiske, een gehucht onder Koudum, met recht mogen noemen. Hun namen zijn bekend; nog bestaan de boerderijen waar zij hebben gewoond. Echter weten wij omtrent de redenen, die hen tot coöpereren deden besluiten, niets bepaalds; wij hebben de datum waarop zij met de fabriek-matige verwerking der melk begonnen nièt kunnen ontdekken, noch weten wij iets af van de zorgen en teleurstellingen, die in de zes of zeven jaren van hun samenwerking hun deel zullen zijn geweest. In het jaar 1888 vormden de boeren Feike R. de Boer, Siebold Wiersma, Tjebbe Tjebbes Czn. en Meindert Kuiper een combinatie, om de melk van hun bedrijven samen te brengen en centrifugaal te verwerken. Naast de boerderij van F. R. de Boer - op korte afstand van het toenmaals nog nieuwe stationsgebouw van Hindelopen -, werd een fabriekje gebouwd, voor de inrichting waarvan de firma Boeke en Huidekoper te Gro­ningen verschillende machireneën, o. a. een Laval Separator, leverde. Het fa­briekspersoneel bestond uit een botermaker en een kaasmaker, die bij Jouke Swart te Klooster-Anjum in de leer waren geweest; verder een werkman en een machinist; de laatste was woonachtig te Bolsward en bediende zich van een fiets met een heel groot en een klein wiel, een zogenaamde vélocipède: een op de Grote Wiske nooit eerder gezien vehikel, dat voortaan, in rijdende toestand, het dagelijks vermaak van de streekbewoners was. De leiding van het bedrijf was in handen gelegd van Tjebbe Tjebbes, een zoon van de Workumer boterkoper Cor­nelis Tjebbes, lid van Tjebbes en Co., welke vennootschap na beëindiging van de samenwerking het fabriekje van de vier boeren aankocht en van de afbraak een kaaspakhuis te Workum optrok. Aan de stichters van de boerencoôperatie op de Grote Wiske, en het jaar waarin zij met hun samenwerking aanvingen, herinnert enkel nog een eenvoudige gedenksteen, die, na tweemaal in een afbraak te zijn beland, tenslotte terechtkwam in een veeschuur op de Workumerwaard! Dáár, ingemetseld in een binnenmuur, troffen wij het gedenksteentje uit de Grote Wiske, bedolven onder het hooi, aan. Slechts enkele weken in de meimaand, wanneer het oude hooi bijna opgevoerd is, komt het steentje in het zicht... en op een dergelijke dag bescheen hem het floodlight van onze fotograaf, ten be­hoeve van de lezers van dit boek, die - gevolg van blind geluk! - van de foto­grafische opname van het gedenksteentje kennis kunnen nemen.
 
Uit: Erf en wereld

Op dit moment (anne 2014) is de steen, samen met diverse andere gevelstenen uit Workum, ingemetseld in de zijmuur van het pottebakers hus (restaurant) wat aan de merk staat.



Op foto twee van de oprichters.

Links M. Kuipers. 

Rechts Sybolt Wiersma

1818454-c96b6ebea4fd8b9a1704720c7156ef72.jpg 1818454-01f4e962c0f67beffdf9cd9db7f666b5.jpg

Reageer op dit bericht

De schaatsenmakers

DE SCHAATSENMAKERS

Hindeloopen, Albert Lolkes Smid, Hindeloopen 7-4-1831.

Periode 1880 
Type: Friese schaats
.

Beschrijving

Zoon van de smid Lolke Jelles Smid (Hindeloopen, 1783 - 1853). Zijn tien jaar oudere broer neemt na de dood van hun vader de smederij over en Albert is dan smidsknecht bij zijn broer. Later krijgt hij zelf een smederij aan de Tuinen. De broers Smid hebben dan elk een smederij in Hindeloopen. In 1879 neemt Albert de smederij van Jorritsma aan 't Oost over. In de Navorscher van 1885 wordt gesproken van “Hindeloo­per” schaatsen zonder ver­melding van de maker ervan. Aangezien Albert Smid al vanaf circa 1865 smid is in Hindeloopen is het aannemelijk dat hij de maker is van de “Hindelooper” schaatsen, im­mers hij heeft al een langere traditie van schaatsen maken kunnen opbouwen. Waar­schijnlijk maakten ook zijn vader en zijn broer al schaatsen. De elfstedenrijder Ype Smid uit Hindeloopen die in 1929 tweede was in de Tolhuster Tocht en derde in de Elfstedentocht van 1933 is een kleinzoon van Albert Smid. (Bij nader onderzoek deed blijken dat Ype Smid geen kleinzoon is van Albert Smid, maar dat Ype zijn overgrootvader, Ype Lolkes Smid (1812), een half­broer is van Albert Smid: red.)

O.Y. Faber: Hindeloopen
. Beschrijving: Rond 1880 wordt Faber smid aan de buren in Hindeloopen, waar hij in kleine aantallen schaatsen maakt. De smederij wordt later overgenomen door zijn zoon Ynze Faber. De houten werden gemaakt door Borneman in Hindeloopen. In het briefhoofd van het door Faber gebruikte papier staan twee schatsenmakers afgebeeld en noemt hij zich schaatsenmaker.
 
Brongegevens:
ObbeYnzes Faber.
Sloten: 25-9-1852
Koudum:25-7-1 937
Periode: 1880-1920
Type: Friese schaats
Uit: Uus Likje Wraald
Artikel gevonden in het boek: “van glis tot klapschaats “ 
Ingestuurd door G. Bootsma

Reageer op dit bericht

Het Workumer Nieuwland



Foto is situatie(ontwerp?)schets van het Workumer Nieuwland
(In werkelijkheid is de dijk in rechte lijnen aangelegd.) 


HET WORKUMER NIEUWLAND

Het Workumer Nieuwland, oftewel ‘het Nylân’, is tussen 1621 en 1624 ontstaan door bedijking van de inham, het zogenaamde ‘Worckumer Hop’, tussen Workum en Hindeloopen. Alvorens het zover was zijn er verschillende plannen geweest. Er zijn tekeningen dat deze polder eerst een stuk kleiner zou worden. De eerste schets dateert van 1599. Dit betrof een dijk via de kortste lijn van Hindeloopen naar Workum. Het eerste plan is van 1621. Dat betrof een dijk vanaf v.m.Kolderzijl (ongeveer bij de grenspaal Hindeloopen-Workum aan de Oosterdijk) naar Workum. Te oordelen naar oude tekeningen was de dijk Tontje-Hindeloopen zoals die in 1624 is aangelegd eerst niet recht toe recht aan gepland maar zaten er enige bochten in deze dijk. De dijk zoals hij nu is aangelegd is ruim 3,9 kilometer lang.

Om de haven van Workum bereikbaar te houden werd toen ook ’het Zool’ gegraven’. De naam ‘het Zool’ is al van voor de inpoldering van het Nieuwland. Toen heette de inham van de Zuiderzee voor Workum ‘It Zool’. Ook de putten langs de dijk zullen, zo laat zich raden, ontstaan zijn bij het maken van de dijk.

 De polder Nylân wordt doorkruist door drie wegen/paden. Op de (vermoedelijke) ontwerp tekening wordt de huidige ‘Lieuwe Klazes Leane’ aangeduid als ‘Maags Dam’. Uit overlevering is mij verteld dat de Maags Dam nadat de polder klaar was waarschijnlijk vernoemd is naar een opzichter die Lieuwe Klazes heette. De huidige ‘Lange Leane’ staat op eerdere tekeningen vermeld als ‘Middellaan’of ‘Workumer Dam’. 

De huidige ‘Hylper Dyk’(vanaf Nylândermolen naar Workum) staat op de eerste tekeningen niet vermeld. Dus kan aangenomen worden dat de weg in eerste instantie over de dijk liep en de weg ‘Hylper Dyk’ van latere datum is. Nabij de ‘Oude dijk’, aan Workumer kant van het Nylân was de ‘Kleine dam’die later omgedoopt is in ’t Papeleantsje’.

Gelijk na de drooglegging werd de oostkant van de polder opgekocht door één boer die drie zonen had. Hij liet voor alle drie zonen een boerderij bouwen. Dit betreft de boerderijen Lange Leane nummer 11, Lange Leane nummer 20 en Lieuwe Klazes Leane nummer 3. Verder valt op dat de huidige boerderij Lange Leane 4 van begin af aan als ‘Intiema Hofstede’ staat vermeld. Dus zal ook die boerderij waarschijnlijk van het eerste uur zijn.

 De gehele polder, groot 1200 pondemaat (= ruim 441 ha) wordt momenteel bemaalt door een elektrisch gemaal nabij de "Nylândermolen" bij Workum. Het water wordt middels een kanaal en een duiker in de ‘Oude dijk’ op de Friese boezem gepompt. Voorheen werd dit werk uiteraard door de molen gedaan. Het schijnt dat er een stuk of drie molens zijn geweest om het ‘Nylân’ droog te houden. Het precieze hoe en wat van die molens is mij niet bekend. De de huidige molen de zogenaamde “Nijlannermolen’ bij Workum is waarschijnlijk gebouwd in 1784. De achtkante bovenkruier is van het type grondzeiler en de functie is poldermolen. De windmolen die in 1987 gerestaureerd werd wordt bij gelegenheid gebruikt. Eigenaar is de Molenstichting Nijefurd. Nabijgelegen is de molenaarswoning.

De dijk van het ‘Nylân’ is meerdere keren doorgebroken. In een boek van het waterschap worden wel een stuk of vijf doorbraken genoemd. Al voor de definitieve verdeling van de gronden (1635) zou er een doorbraak geweest zijn. In 1776 brak de dijk zelfs op 2 plaatsen door. De doorbraak van 5-2-1825 was van ongekende omvang. Ook is toen de ‘Oude Dijk’ nabij de ‘Kolmar’ en ‘Dyksherne’ doorgebroken. Ook op andere plaatsen rond de ‘Zuiderzee’ zijn toen de dijken doorgebroken.De bekende stads archivaris W.Eekhof (1809-1880), die deze ramp dus persoonlijk heeft meegemaakt schreef:

“Hevige en aanhoudende stormen deden op verscheidene plaatsen dijkbreuken ontstaan en binnen weinige uren was tweederde gedeelte deze bloeiende provincie overstroomd”.

Bij deze stormvloed, die meerdere dagen duurde, zijn in Groningen, Friesland en Overijssel circa 800 mensen omgekomen.

Na deze ramp van 1825 is waarschijnlijk de noodzaak ingezien om in geval van calamiteiten snel te kunnen ingrijpen. Nabij de plaats waar de dijk in 1825 doorbrak werd een ‘Seelhokje’ (wat de ouderen in Hindeloopen zich nog wel kunnen herinneren) gebouwd waar grote zeilen in werden opgeslagen om in geval van nood de dijk mee te kunnen verstevigen. Na afsluiting van de Zuiderzee in 1932 werd dit overbodig en is dit hokje gesloopt.

Markant op de dijk staat de vuurtoren ‘het Toantsje’ met daar tegenaan de woning voor de vuurtorenwachter. Als bouwdatum voor deze vuurtoren kwam ik 1807 en 1817 tegen. Welke de juiste is laat ik in het midden.

Het westelijk gedeelte (het laagst gelegen deel van het ‘Nylân’) gelegen tussen ‘Gatsdijk’ en ‘Lieuwe Klazes Leane’ werd tijdens de ruilverkaveling in de zeventiger jaren van de vorige eeuw grotendeels aangekocht door staatsbosbeheer en beheert als natuurgebied.

Aan de kant van Hindeloopen staat tegen de dijk het zogenaamde ‘Diikshusjen’. Dit werd, voor zover mij bekend, altijd bewoond door een arbeider van het waterschap. Die zal van oorsprong zo neem ik aan een soort wachtersfunctie hebben gehad. Wanneer dit Dijkshuisje precies gebouwd is niet bekend. Althans niet bij mij.

Gegevens komen uit: Archiefboek Westergo’s IJsslemeerdijken, Website Molenstichting Nijefurd en oude tekeningen.

 

Reageer op dit bericht

Meer van Hylpen likje stea oen it Yselmor

↑ Terug naar de berichten