Naar de inhoud

Halle zonder Zenne

over grote en kleine geschiedenissen van belangrijke en minder-belangrijke 'levens' in een dorp dat zich stad mag én wil noemen
seniorennet.beseniorennet.be

WIJZIGINGEN


Hieronder worden nieuwe bijdragen (N) en uitbreidingen (U), toevoegingen van een illustratie (I) of andere kleine(re) wijzigingen of aanpassingen (W) van of bij bestaande artikels van niet meer dan 3 maanden oud vermeld -de datum van inbrenging stemt om praktische redenen niet altijd overeen met de datum onder de bijdrage-:
-8 november 2010 (N): "Filips vde Stoute en Hallle".
-9 september 2010 (N): "Over Maximiliaan van Habsburg, voordijschap, het kasteel van Beersel en een ontsnapte valk".

Geschreven door Rik Wouters om 08:27

INTERNETLINKS


PERSONEN

-Jozef Cardijn, Halllenaar, kardinaal en stichter van de KAJee: http://nl.wikipedia.org/Jozef_Cardijn.
-Colruyt, Camille: http://www.arto.be/CONTENT/NL/02_LEXICON/01_LEXICON_DETAIL.cfm?LETTER=C&LEX=1573.
-Patrick De Bruyn, Hallenaar, twintigste en eenentwintigste-eeuw misdaadschrijver: http://nl.wikipedia.org/wiki/Patrick_De_Bruyn.
-Cyprien Godebski, beeldhouwer en schoonzoon van Adrien Servais: http://nl.wikipedia.org/wiki/Cyprien_Godebski.
-François Goossens, Hallenaar, één van de Halse moordenaars van Julien Lahaut: http://nl.wikipedia.orgJulien_Lahaut.
-Ghislain Laureys, Hallenaar, twintigste-eeuws dichter uit wiens poëzie vooral een liefde voor zijn geboortestad en een religieuze bewogenheid blijkt en die van lokaal en regionaal belang was:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Ghislain_Laureys, opgestart door Rik Wouters.
-Justus Lipsius, geschiedkundige die over Halle geschreven heeft: http://nl.wikipedia.org/wiki/Justus_Lipsius.
-Jehan Mone, Renaisssancekunstenaar en beeldhouwer van het Mone- of 7 sacramentenretabel in de Sint-Martinuskerk te Halle: http://nl.wikipedia.org/wiki/Jehan_Mone, opgestart door Rik Wouters.
-Ewout Pierreux, Hallenaar, eenentwintigste-eeuws musicus: http://nl.wikipedia.org/wiki/Ewout_Pierreux.
-Adrien Servais, Hallenaar, negentiende-eeuws componist en musicus met internationale uitstraling.
-http://nl.wikipedia.org/wiki/Adrien_Fran%C3%A7ois_Servais. 
-Louis Thevenet, Hallenaar, twintigste-eeuws kunstschilder, die Brabants fauvist genoemd wordt, terwijl hij eerder een 'eigenzinnige' synthese brengt van de stromingen van het einde van de 19de en het begin van 20ste eeuw: http://nl.wikipedia.org/wiki/Louis_Thevenet, opgestart door Rik Wouters, http://nl.wikipedia.org/wiki/Louis_Thevenet en ttp://www.arto.be/CONTENT/NL/02_LEXICON/01_LEXICON_DETAIL.cfm?LETTER=T&LEX=8560.
-Jan van den Weghe, Halllenaar, twintigste-eeuws dichter, proza- en toneelschrijver: http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_van_den_Weghe, opgestart door Rik Wouters.
-Rik Wouters, Halllenaar, twintigste en eenentwintigste-eeuws dichter, prozaschrijver, literair criticus,  plastisch kunstenaar en geschiedkundige: http://nl.wikipedia.org/wiki/Rik_Wouters_(dichter), opgestart door Andreas Wanders, https://blog.seniorennet.be/recht_van_spreken_van_rik_wouters en https://blog.seniorennet.be/halle_literatuur.

GEBOUWEN

-Sint-Martinusbasiliek, veertiende en vijftiende-eeuwse gotische kerk: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sint-Martinusbasiliek, opgestart door Rik Wouters.
-Vlaams renaissancestadhuis uit 1616: http://nl.wikipedia.org/wiki/Renaissancestadhuis_van_Halle, opgestart door Rik Wouters.

GEBEURTENIS

-Aanval van Halle in 1580 door Olivier van den Tympel: http://nl.wikipedia.org/wiki/Beleg_van_Halle en http://nl.wikipedia.org/wiki/AanvalopHalle(1580).

ANDERE

-Halle: http://nl.wikipedia.org/wiki/Halle.
-"Halle door de eeuwen heen": https://blog.seniorennet.be/plerog, een initiatief van Roger Pletinckx.
-"Halle in de literatuur door Rik Wouters": https://blog.seniorennet.be/halle_literatuur_door_rik_wouters, een initiatief van Rik Wouters.
-Halle zonder Zenne": https://blog.seniorennet.be/halle_en_ik/, een initiatief van Rik Wouters.
-"Louis Thevenet (1874-1930)": https://blog.seniorennet.be/louis_thevenet, een initiatief van Rik Wouters.
-"Louis Thevenet (1874-1930): onvolledige catalogus":  https://blog.seniorennet.be/louis_thevenet2, een initiatief van Rik Wouters.
-"Recht van spreken van Rik Wouters", over zijn literatuur: https://blog.seniorennet.be/recht_van_spreken_van_rik_wouters, een initiatief van Rik Wouters.
-"Stamboom", Halle en de familie Ghysels: https://blog.seniorennet.be/halle, een initiatief van Victor Ghysels.

Geschreven door Rik Wouters om 00:00

FILIPS DE STOUTE EN HALLE

In 1985 verscheen "De Bourgondische uitdaging" [1] met als ondertitel "Bewogen leven in de Late Middeleeuwen" van Jean-Philippe Lecat. Hij laat de Bourgondische periode in de Nederlanden die nooit als politieke eenheid bestaan hebben, volkomen terecht  beginnen met Filips de Stoute en niet onterecht eindigen met Karel de Stoute en niet met Maria van Bourgondië.
Halle wordt tweemaal eerder terloops vermeld en wel in verband met de dood van Filips de Stoute die in 1404 te Halle stierf.
Op bladzijde 121 waar Halle 'uitgebreid' aan bod komt, lees ik: De begrafenis van de hertog wordt geregeld. Het hart "du fils de roy de France (cursief in de tekst), van de koningszoon van Frankrijk" zal naar Saint-Denis gaan. Zijn ingewanden worden bijgezet in het koor van de Lieve-Vrouwbasiliek van Halle, in Brabantse grond. Zijn gebalsemd lichaam, dat gehuld is in de witte kartuizerpij, vat dan zijn laatste tocht aan, naar Dijon, langs de weg die de hertog in zijn leven zo dikwijls heeft afgelegd. Op 1 mei verlaat de stoet Halle.
Zijn ingewanden worden bijgezet in het koor van de Lieve-Vrouwbasiliek van Halle, in Brabantse grond.
, deed me steigeren. Van iemand als Lecat die van 1978 tot 1981 onder Giscard d'Estaing Frans minister van cultuur geweest is, had ik accuraatheid verwacht. Ik verduidelijk:
-Lieve-Vrouwbasiliek van Halle. Halle heeft nooit, noch in 1404, noch in 2010 een kerk gewijd aan de Onze Lieve Vrouw gehad. De Gotische parochiekerk van Halle, gelegen aan de Grote Markt, is steeds opgedragen geweest en is nog steeds opgedragen aan de heilige Martinus;
-Lieve-Vrouwbasiliek, bis. De Gotische parochiekerk van Halle was in 1404 nog niet als kerk ingewijd; dat gebeurde pas in 1409. Die kerk was overigens geen basiliek. Ze werd dat slechts in 1946, door een pasuelijke bul. Vreemd is dat men in publicaties over de verheffing van kerk tot basiliek steeds weer 1947 vermeld ziet;
-Zijn ingewanden worden bijgezet in het koor. Klopt niet. Ze werden bijgezet in de crypte onder het koor. De plaats is aangeduid met een Grieks kruis in één van de tegels;
-Halle lag in Brabantse grond. Halle had in 1404 niets met Brabant te maken. Halle maakte deel uit van Henegouwen en zou dat blijven tot in 1794 toen het tijdens de Franse overheesing ondergebracht werd bij het Département de la Dyle dat later Brabant zou worden;
Zijn de ingewanden van Filips de Stoute wel bijgezet in de crypte? Bij mijn weten is er nooit onderzoek naar gedaan. Wahrheit? Dichtung?
Op bladzijde 115 komt Halle slechts zeer terloops aan bod, maar wordt nader ingegaan op de kartuizerpij uit bovenstaand citaat: Zij, de kartuizers, gingen van de cel naar de kerk, in stilte, gehuld in een lang gewaad van witte wol, dat hun op een dag als lijkwade zou dienen. Begin uli 1404 deelde Dom Bonifacius Ferrier, generaal-overste van de kartuizers, aan zijn kloosterbroers mee dat een officier van de machtige hertog van Bourgondië  zich op 27 april voordien aangeboden had bij de prior en de monniken van hun abdij te Herne de buurt van Halle in Brabent. Filips de Stoute, zo verklaarde de officier, was zopas gestorven op tweeënzestigjarige leeftijd. Hij kwam de kartuizers een nieuwe pij vragen als lijkwade voor Monseigneur.

[1] LECAT, Jean-Philippe. De Bourgondische uitdaging. Bewogen leven in de Late Middeleeuwen. Elsevier, Brussel-Amsterdam. 1985.

Geschreven door Rik Wouters om 00:00

OVER MAXIMILIAAN VAN HABSBURG, VOOGDIJSCHAP, HET KASTEEL VAN BEERSEL EN EEN ONTSNAPTE VALK

of Willy Vandersteens “De Schat van Beersel”

 

“De Schat van Beersel” [1], een stripverhaal van Willy Vandersteen [2], is meer dan 50 jaar oud. Tal van personages treedt erin op. Ze vallen in 2 groepen uiteen: historische en fictieve. Tot de historische behoren Hendrik III van Witthem, zijn zoon Filips en Filips van Kleef. De fictieve maken deel uit van 2 groepen. De ene groep bestaat uit typische “Suske en Wiske”-personages: Suske, Wiske en Lambik. Sidonie en Jerom treden niet op. Personages uit de andere groep geven de strip mee inhoud; de belangrijkste zijn een valkenier, zijn moeder, drielingbroers en Priem, een hypnotiseur die reeds in “De Tartaarse Helm” optrad.

 

“De Schat van Beersel” valt uiteen in 3 delen waarvan er 2 in het heden spelen en één in het verleden plaatsvindt.

Deel 1 (pp. 2-22). Suske, Wiske en Lambik wonen een toneelstuk bij in het kasteel van Beersel [3]. Een reusachtige, groene vleermuis stuurt het toneel in de war. Gids Isidoor deelt mee dat het in het kasteel Spookt al vanaf het jaar 1438 [1, p. 5] of de tijd van Hendrik III van Witthem [1, p. 6]. Vandersteen heeft zich vergist. Hendrik II was in 1438 heer van Beersel. Hendrik III was heer van 1454 tot 1515. Isidoor vertelt 2 verhalen: dat van een valkenier en dat van het beleg van het kasteel in 1489. De zoon van de valkenier liet de lievelingsvalk van de heer ontsnappen. De valkenier verraadde zijn zoon niet en werd in de vergeetput geworpen. Op dit moment scheerde een vleermuis voorbij… De moeder van de valkenier die een heks was, betoverde (…) de vleermuis, die (…) reusachtige afmetingen aannam en ze sprak (…) een vervloeking uit… Ze bezwoer dat, telkens als de vleermuis zou verschijnen, er onheil over het Slot van Beersel zou komen… (…) Toen in 1489 de Brusselaars het kasteel aanvielen (…), kon Philips, de zoon van Hendrik III van Witthem, hem een eerste maal afslaan, doch tijdens de tweede aanval verscheen de vleermuis op het kritieke ogenblik. Ze zaaide paniek bij de verdedigers en het kasteel werd verwoest…  [1, p. 6]. Wanneer Isidoor de herberg verlaat, verliest hij een document dat een hint naar een in 1489 verborgen schat bevat: Langs hoger dan de krone… maar lager dan de trone… [1, p. 8]. Suske, Wiske en Lambik ontcijferen het raadsel en willen de schat gaan halen. Isidoor en zijn drielingbroers sluiten hen echter op, samen met hypnotiseur Priem die ze op hun tocht zijn tegengekomen. Priem hypnotiseert  hen zodat ze in 1489 terechtkomen om een vluchtweg te zoeken.

Deel 2 (pp. 23-54) is het geromantiseerde of Vandersteeniaanse verhaal van het beleg.

Deel 3 (pp. 54-56). Suske, Wiske en Lambik ontwaken uit hun hypnose, ontsnappen en vinden de schat. De drielingbroers worden door de rijkswacht gevangen genomen.

 

Vandersteens “De Schat van Beersel” is opgebouwd rond 2 verhalen: een waar gebeurd en een fictief verhaal.

Het waar gebeurde verhaal.

Zoals al vermeld is “De Schat van Beersel” een geromantiseerd verhaal. Toch bevat het verhaal een kern van waarheid: het beleg en de beschieting van het kasteel in 1489. Om de reden daarvan te achterhalen moet men teruggaan tot 1482.

In 1482 stierf Maria van Bourgondië. Uit haar huwelijk met Maximiliaan van Habsburg, door Vandersteen ten onrechte keizer Maximiliaan [1, p. 30] genoemd omdat hij dat pas in 1508 werd, werd troonopvolger én latere Filips de Schone geboren. In haar testament had Maria haar man benoemd tot voogd en regent. Hij drong zich echter te zeer op, onder meer door de strijd met erfvijand Frankrijk én Louis XI te herbeginnen en de stedelijke macht te beperken. Daar kwam nog bij dat hij overigens terecht als vreemdeling beschouwd werd. De zaken escaleerden. Pas in 1485 had Maximiliaan de situatie onder controle en werd hij unaniem als voogd en regent erkend.

Toen hij echter de strijd tegen Frankrijk hervatte in een vergeefse poging om de volledige Bourgondische erfenis terug te winnen, had hij het voorgoed verkorven. Op 5 februari 1488 werd hij te Brugge gevangen gezet. De Staten van Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland, Zeeland en Namen sloten een overeenkomst die voor Maximiliaan zeer nadelig was. Op 16 mei 1488 kwam Maximiliaan vrij nadat hij de overeenkomst plechtig erkend had. Als borg nam onder meer Filips van Kleef als gijzelaar zijn plaats in. Al snel verbrak Maximiliaan zijn gegeven woord.

van Kleef was zoon van Adolf van Kleef, ridder van de Orde van het Gulden Vlies, die kleinzoon van Jan zonder Vrees was. Hij was achterkleinzoon van Joao, koning van Portugal, stiefzoon van Anna, bastaard van Filips de Goede, en echtgenoot van Françoise, aangetrouwde nicht van Louis XI. Hij heeft onder Maria en Maximiliaan belangrijke functies bekleed. Hij heeft in Franse dienst gevochten. Hij bezat één van de grootste bibliotheken uit zijn tijd, meer dan 160 manuscripten.  

van Kleef voelde zich door zijn heer verraden en koos de zijde van de staten en de steden van Vlaanderen en Brabant. Meer zelfs, hij besloot om de strijd tegen Maximiliaan aan te gaan. Hij verdedigde zijn houding door het schijven en publiceren van een eigenaardig pamflet ”Philalites”, waarin hij verklaarde de verdediger van het Bourgondische huis te zijn t.o.v. de Habsburgers. Hij beschuldigde Maximiliaan (…) de Nederlanden te willen annexeren en stelde tegenover Maximiliaan, de meinedige, Filips de Schone als “Prince Naturel” en wettelijke erfgenaam van het Bourgondische Rijk. [4].

Tot tweemaal toe verscheen van Kleef met steun van Brussel voor de muren van het kasteel van Beersel. De aanval in november 1488 werd afgeslagen. Het beleg in april 1489 lukte dank zij de steun van de door Frankrijk ‘uitgeleende’ artillerie, de “bande d’artillerie du Brabant” [5], nog door Louis XI opgezet. Die legereenheid slaagde erin om het drassige gebied snel te verstevigen zodat ze met bombardes met beperkte draagkracht de muren dicht genoeg kon naderen om donjon en een deel van de muren tot puin te schieten.  

Het fictieve verhaal.

Zonder een ontsnapte valk, een vervloeking en een angstaanjagende vleermuis zou er van “De Schat van Beersel” echter nooit sprake geweest zijn.

 

Is het verhaal van de ontsnapte valk wel fictief?

Halle, niet ver van Beersel, werd in 1489 eveneens door van Kleef aangevallen. De 32 kanonballen die in een nis in de ruimte onder de toren van de Sint-Martinuskerk bewaard worden, zijn er getuige van. In de kerk zijn 2 verwijzingen naar een ontsnapte valk te vinden.

Een eerste verwijzing kan men lezen in het Gulden boek der Broederschap van O.L.V. van Halle, (…) begonnen in 1341, samen met de bouw van de basiliek en de stichting van de Broederschap, alles ter bevordering van de bedevaart. [6]. Het bevat ondermeer een lijst en beschrijving van mirakels, toegeschreven aan de zwarte madonna van Halle.

In het kader van “De Schat van Beersel” is de beschrijving van het twaalfde mirakel van belang: Miracle van enen valkenere, die sinen valk verloes. (…) siin meester siin heere beschuldigde hem ervan dat hij den valke die als dier voor de jacht te paard een fortuin waard was, vercocht hadde. Er werd naar de valk gezocht, maar men vernam vanden valke noit tale noch teeken. (…) Ende alse die heere sach dat men sinen valke niet venden en coste. doe (…) seide dat hinc soude doen hanghen. Toen de valkenier ging opgehangen worden, doe quam hem die moeder gods te voren. vertrosterde alder werelt. Hoewel het niet vermeld wordt, kan verondersteld worden dat de valkenier om hulp gebeden heeft. die valke quam vlieghende van boven uter locht. quam den valkenere op sijn scouweren staen ende alse dat die goede liede aensaghen. soe danctten sie der moeder gods. (…) ende die heere dede den valkenere ontbenden. ende vander galgen comen. ende hadde sinen valke weder. aldus wert die valkenere verloest. ende quam te halle. ende versocht dat beelde vander moeder gods. alsoe hi geloeft hadde. ende wert haer pelgherijm. alsoe wi alle moeten in secula seculorum. amen. [6].     

Er zijn een aantal wezenlijke verschillen tussen het stripverhaal en de tekst uit het gulden boek. Bij Vandersteen is niet de valkenier schuldig aan het verdwijnen van de valk, maar zijn zoon: Het zoontje van de valkenier liet al spelend de beste valk uit zijn kooi ontsnappen… De gelijkenis is dan weer dat Hendrik van Witthem (…) de valkenier (…) ervan verdacht zich door de jaloerse jagers die allemaal jaloers op de prachtige valken waren, te hebben laten omkopen  [1, p. 6]. In “De Schat van Beersel” wordt de valkenier niet tot dood door ophanging veroordeeld. De kasteelheer liet hem in een vergeetput werpen. [1, p. 6]. Vandersteen heeft van de ondergrondse gevangenis die zich wanneer men het kasteelplein betreedt, links onder een traliewerk bevindt, een obliette gemaakt. Tot nader order heeft Beersel dat nooit gehad. In het stripverhaal is er geen sprake van een mirakel dat ervoor zorgde dat de valkenier in leven blijft. Hij ontsnapte uit zijn vergeetput en zaaide verkleed als vleermuis paniek bij de verdedigers van het kasteel. In het “Suske en Wiske”-verhaal ging de valkenier na zijn vrijlating niet naar de zwarte madonna van Halle om haar voor zijn redding te bedanken. De valkenier werd door Lambiks typische onhandigheid uitgeschakeld. De jonge Filips van Witthem vond dat het verblijf in de vergeetput als straf voldoende is… De valkenier verliet voor immer het domein … [1, p. 52]. In werkelijkheid zoul hij niet verplicht geweest zijn om alleen maar het domein van Beersel, maar ook het hertogdom Brabant waarvan Beersel deel uitmaakte, te verlaten. Dit betekent niet dat hij niet op bedevaart naar Halle kan gegaan zijn. Halle maakte immers geen deel uit van Brabant. Halle dat lang op de wip tussen Brabant en het graafschap Henegouwen gezeten heeft, hoorde vanaf de veertiende eeuw bij Henegouwen. Dit zou duren tot 1794 toen het onder de Franse overheersing deel ging uitmaken van het “Département de la Dyle” dat tijdens de Nederlandse overheersing Brabant zou worden.

Een tweede verwijzing is te vinden op een mirakelschilderij [7] uit de zestiende eeuw, dat in de Trasegnieskapel bewaard wordt. Men maakt zich klaar om de valkenier op te hangen. De verdwenen valk die plots opdaagt, redt hem echter het leven. Het schilderij is niets anders dan de visualisering van het laatste deel van de tekst uit het “Guldenboek”.

Het werk is, net als de 21 andere mirakelschilderijen, ook wel Mysterieschilderijen [8], geschilderd in de trant van David Teniers, of meer in het algemeen gesproken in de stijl van de Brabantse schilderkunst uit de 17e eeuw [8].

 

Het mirakel van de valkenier is nog op een ander kunstwerk afgebeeld. Op een ets die zich in het Teylers Museum te Haarlem bevindt, is de Onze-Lieve-Vrouw van Halle met wit gelaat centraal en aan de bovenzijde, de hemel dus, afgebeeld. Onder haar worden 26 mirakels, aan haar toegeschreven, verbeeld. Onderaan vond ik in het Latijn een opsomming van al de mirakels van Justus Lipsius, door hem vermeld in zijn “Diva virgo Hallensis” [9] uit 1604, op de prent elk met een letter aangegeven en elk voorzien van een datum, waarschijnlijk de data die vernoemd zijn in het Gulden boek. [8]. Één ervan is het verhaal van de valkenier. De 25 andere verwijzen naar mirakels, verwoord in het “Guldenboek”. Er zijn echter 22 schilderijen aanwezig in de Sint-Martinuskerk. Betekent dit dat ook de 4 mirakels waarvan geen schilderij bestaat, ooit geschilderd zijn? Indien ja, wat is ermee gebeurd?

De ets is van de hand van een onbekende meester uit het begin van de zeventiende eeuw. De tekening die aan de basis lag, wordt op basis van stijl en gebruikte technieken duidelijk aan Rubens toegeschreven. Van die tekening is echter (nog) geen spoor teruggevonden.

Is er een link tussen Rubens en Lipsius? Is er een link tussen Lipsius en Halle? Is er een link tussen Rubens en Halle?

Er is een link tussen Rubens en Lipsius. Ik denk aan “Zelfportret met vrienden” uit het Wallraff-Richartz Museum te Keulen en “De vier filosofen” uit het Palazzo Pitti te Firenze waarop Lipsius afgebeeld is. 

Er is een link tussen Lipsius en Halle. Ik verwijs opnieuw naar zijn “Diva virgo Hallensis”. Het is niet geweten of Lipsius ooit in Halle is geweest.

Er is een link tussen Rubens en Halle. Ik verwijs opnieuw naar de ets in het Teylermuseum te Haarlem.

Hoe is Rubens het bestaan van het “Guldenboek” waarin de mirakels vermeld staan, te weten gekomen? Rubens was bevriend met 3 zonen van Jean Richardot (1540-1609), die in 1597 voorzitter van de “Geheime Raad der Spaanse Nederlanden” werd, heer van Lembeek was en op het kasteel aldaar woonde. Op het reeds vermelde “Zelfportret met vrienden” zijn ze afgebeeld: Jean, Anthone en Guillaume. Meer dan waarschijnlijk heeft de familie Richardot Rubens over de mirakels van de zwarte madonna van Halle, net ten noorden van het familiekasteel gelegen, verteld.

Is Rubens in Halle geweest en heeft hij er de Sint-Martinuskerk bezocht? Het is bijna zeker dat hij in Halle geweest is. Meer dan waarschijnlijk heeft hij zijn Richardot-vrienden in Lembeek bezocht toen hij voor zaken in Brussel was. De weg van Brussel naar Lembeek liep door Halle. Heeft hij toen in de stad halt gehouden? Het is niet geweten of hij de Sint-Martinuskerk bezocht heeft. Toch laat de faam van kerk en bedevaartsoord en Rubens’ geloof toe om de vraag bevestigend te beantwoorden. Hoe zou de barokke Rubens zich in de gotische kerk gevoeld hebben?

 

Van wanneer dateren de schilderijen? Lipsius vermeldt ze niet in zijn boek.

Betekent dit dat ze van na het schrijven ervan in 1604 dateren? Everaert en Bouchery verwijzen in het “Ville de Hal” [10] dat On y voit seulement quelques petites peintures représentant plusieurs miracles, opérés par l’intercession de la Mère de Dieu. (…) Tous ces miracles sont approuvés par l’archevêque de Cambrai. Les peintures portent en effet l’inscription suivante: “APPROUVEZ PAR MONSIGN. (…) ARCHEVESQUE (…) DE CAMBRAI (…), L’AN 1604.” Dit bewijst echter niet dat de schilderijen in dat jaar zijn goedgekeurd. Het duidt enkel het moment aan dat de mirakels door de kerk erkend zijn.

Van wanneer dateren de schilderijen dan? Meer dan waarschijnlijk zijn ze gemaakt toen Rubens’ tekening en/of etsen ernaar reeds bestonden. Het wordt dus wachten op een datering van die ets.

 

Vandersteens “De Schat van Beersel” heeft me aan het denken gezet. De tekenaar heeft zijn inspiratie voor het beleg met zekerheid aan de geschiedenis ontleend. Hij heeft de figuur van de valkenier zonder wie het verhaal niet mogelijk zou geweest zijn, misschien/meer dan waarschijnlijk in Halle gevonden.  

Vandersteens “De Schat van Beersel” heeft me verder geleid dan in had kunnen vermoeden. Ik ben terecht gekomen bij een mirakelschilderij, een ets die er model voor gestaan heeft en (een) bezoek(en) van Rubens aan Lembeek en misschien/meer dan waarschijnlijk aan Halle en de Sint-Martinuskerk.     

Vandersteens “De Schat van Beersel” heeft me opgezadeld met vragen over een mirakelschilderij uit die kerk.

 

O ja, in het kasteel van Beersel is nooit een schat gevonden.

 

 

 

[1] VANDERSTEEN, Willy. De Schat van Beersel. Standaard Uitgeverij, Antwerpen. 1971 [verschenen als nummer 111 in de reeks “Suske en Wiske”]. Deze uitgave kende tal van herdrukken. Van 23 juli 1952 tot en met 8 oktober 1953 verscheen het als feuilleton in het stripweekblad “Kuifje”. In 1954 verscheen het in de blauwe reeks van “Suske en Wiske”. Wanneer er geciteerd wordt, wordt de bladzijde na de voetnoot vermeld.

[2] Meer informatie over Willy Vandersteen: http://suskeenwiske.ophetwww..net en http://nl.wikipedia.org/wiki/Willy_Vandersteen.

[3] Het kasteel van Beersel is gebouwd tussen 1310, terminus ante quo, en 1440, terminus ante quem. In 1310 kreeg Godfried van Hellebeke uit Halle van hertog Jan II van Brabant een stuk grond waarop nu het kasteel staat, in ruil voor zijn hulp tijdens de opstand van de Brusselaars in 1306. In 1440 wordt het kasteel voor het eerst vermeld in het “Leenboek van Brabant”. Zoals het er nu staat, omvat het 3 bouwfases: basisconcept van rond 1420, heropbouw van het donjon en een deel van de muren rond 1590 en torenbekroningen van 1617.

[4] RENSON, G[aston]. Filips van Kleef (1459-1528). In: DDAA. 1489. Halle belegerd en overvallen maar niet gevallen. Verhandelingen nieuwe reeks, Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring Halle, Halle. 1989 [verschenen als nummer 26]. 

[5] FRANSSENS, Marcel. Het Kasteel van Beersel in afleveringen. Niet gepubliceerde tekst, 28 mei 2007.

[6] N(omen)N(escio). Dit siin die privilegien van der kerke die miraclen ende die teekene die broeders ende zusters onser vouwen van Halle 1341-1789. Integrale tekst van het Guldenboek, met toelichtingen, overgenomen uit het Parochieblad, jaargang 1922 en volgende. VVV-Halle, Halle. 1989.  

[7] Er bevinden zich op 2 plaatsen mirakelschilderijen: in de ruimte onder de toren de (nog) niet-gerestaureerde, in de Trasegnieskapel de gerestaureerde. Het is bedoeling is om alle schilderijen te laten restaureren.

[8] STAS, Ghislain. Restauratie mysterieschilderijen. In: Hallensia, jaargang 18, nummers 2/3, juni-september 1996, p. 42-68.

[9] LIPSIUS, Justus. Diva virgo Hallensis. Jan Moretus, Antwerpen. 1604.

[10] EVERAERT, Léopold en BOUCHERY, Jean. Histoire de la ville Hal, d”après les documents originaux. Culture en Civilisation, Brussel. 1975.

 

Geschreven door Rik Wouters om 00:00

HALLE IN DE LITERATUUR DOOR RIK WOUTERS

"Halle in de literatuur door Rik Wouters" is "pogingen tot archiveren, verklaren en interpreteren" door mezelf van Halle en literatuur.

Ik citeer de inleidende tekst: “HALLE IN DE LITERATUUR” wil “pogingen tot archiveren, verklaren en interpreteren” ondernemen. Aandacht wordt besteed aan literatuur over en in Halle door Hallenaars en anderen in het Nederlands en andere talen. Onder literatuur wordt poëzie, proza, toneel en literaire kritiek verstaan, met een bijzondere aandacht voor poëzie, liefst niet verschenen in uitgaven in eigen beheer. Onder Halle wordt de stad van vóór de fusie verstaan. Dialect- en jeugdliteratuur komen niet in aanmerking. Thriller- en misdaadfictie wordt niet als literatuur beschouwd. De weblog staat voor iedereen open: verbeteren van foute informatie; vervolledigen van onvolledige informatie; signaleren van interessante items; leveren van eigen bijdragen voor zover ze in het kader van “Halle in de literatuur” passen; ... Medelingen zullen in deze tekst die steeds onder de titel van de weblog verschijnt, afgedrukt worden. Een initiatief van de literaire en kunstvereniging "Xarnego" uit Halle, waarvan letterkundige Rik Wouters voorzitter is."

Lees meer op https://blog.seniorennet.be/halle_literatuur_door_rik_wouters.
Geschreven door Rik Wouters om 00:00

'BRABANTS FAUVIST' LOUIS THEVENET IN WEINIG EN VEEL WOORDEN EN AFBEELDINGEN

Een massa informatie over de 'Brabantse fauvist' Louis Thevenet is te vinden op https://blog.seniorennet.be/louis_thevenet en https://blog.seniorennet.be/louis_thevenet2.

https://blog.seniorennet.be/louis_thevenet bevat onder mee r"L. Thevenet onbegrepen schilder van een oeuvre vol dagdagelijkse voorwerpen" met als ondertitel "over zijn vrijwillige ballingschap in Halle van 1916 tot 1930", mijn eindwerk voor "Toeristische Gids" aan "Elishout" te Anderlecht dat in een zeer beperkte oplage bij "xarnego" uit Halle verschenen is. Het is het uitgangspunt van vermelde site.
Geschreven door Rik Wouters om 00:00

HALLE EN EEN ALBASTEN RETABEL, KEIZER KAREL EN EEN RENAISSANCISTISCH BEELDHOUWER*

            over leven en werk van Jehan Mone        

 

Indien men op de streek ten zuidwesten van Brussel -enigszins chauvenistisch zou ik het over de streek van Halle kunnen hebben-een ‘overkoepelend’ kunstbegrip zou moeten plakken, zou ik zonder twijfel kiezen voor gotiek. Verwonderen kan dat niet: de kerken van Sint-Martinus te Halle met tal van gotische kunstwerken in situ, Onze-Lieve-Vrouw te Alsemberg en Sint-Guido te Anderlecht en het kasteel van Beersel zijn er treffende monumentale voorbeelden van.

Heb ik het juist voor? Is het niet verkeerd om gotiek als hét (enige) kunstkenmerk voor vermelde streek te noemen? Ook andere kunststromingen zijn immers vertegenwoordigd. Ik beperk me tot de renaissance die met enkele meesterwerken uit de beeldende kunst vertegenwoordigd is.

Ik denk uiteraard zonder volledig te zijn aan 2 renaissancistische beeldhouwwerken in albast die naast de zuivere artistieke waarde om historische redenen belangrijk zijn: bij het oudste ligt een wereldlijk feit aan de oorsprong, het jongste is religieus van opzet en loopt vooruit op de bepalingen van het Concilie van Trente [1]. Het eerste werk, “Karel V en Isabella van Portugal”, bevindt zich in de Blauwe Kamer van het kasteel van Gaasbeek; het tweede,“Mone-retabel”, in de Trasegnieskapel van de Sint-Martinuskerk van Halle.

 

Op “Karel V en Isabella van Portugal”, een albasten kleinood, wordt het huwelijk van Karel met zijn nicht Isabel [2] van Portugal (…)  afgebeeld, met een complexe symboliek. De echtgenoten die elkaar de hand geven en teder aankijken, staan halfverheven onder een renaissanceportiek. Karel, met uitgesproken kin, legt de arm beschermend, lieftallig en ontroerend rond Isabels schouders. Zij biedt hem haar liefde of haar hart in de vorm van een juweel aan. Ik heb in mijn toenmalige tekst vermeld en ik zie geen reden om dat nu niet opnieuw te doen -Ik doe niet mee met de ‘massa’ die Karel in de vroegere ‘Nederlanden’ als de ‘goede’ voorstelt terwijl Filips II die slechts zijn vaders testament scrupuleus uitvoerde, de ‘slechte’ is. In Spanje valt eerder, maar minder uitgesproken het omgekeerde op.-: Is dit de Karel die drie jaar eerder de eerste andersgelovigen te Brussel naar de brandstapel liet voeren? Toch is de politiek subtiel in het werk geslopen: Karel is getooid met de ketting van de Orde van het Gulden Vlies. Daarna vervolgde ik: Links en rechts zien we de wapenschilden van de Habsburgers en Portugal, verwijzend naar beide echtgenoten én naar de huwelijkspolitiek van de Habsburgers, zelfs als dit inteelt betekent. [3].

Ik vermeld enkele opmerkingen van Delva en Van Dormael die mijn tekst vervolledigen. Het renaissanceportiek, een boog door twee pilaren geschraagd, verwijst naar de triomfbogen van de Blijde Inkomsten en Het geheel is in een vergulde houten (neo-?)renaissancelijst gevat. De afmetingen van het Albasten werk in vergulde lijst zijn 53 x 56,5 cm [4].

In een cartouche onder de boog staat het jaartal 1526. Het verwijst naar het jaar waarin Karel en Isabel te Sevilla in ‘Spanje’ getrouwd zijn. Is het ook het jaar dat het werk gemaakt is? Zekerheid is er niet.

Het werk komt uit het Legaat Arconati Visconti. [4]. Dit legaat is van Marie Peyrat, markiezin van Arconati Viconti, die het kasteel met een groot deel van de inboedel in 1922 aan de staat die België genoemd wordt, schonk.

Het piramide-achtige “Mone-retabel”, zoals het meestal genoemd wordt, is veel monumentaler dan reeds besproken werk, en eveneens in albast. Het heeft geen naam in traditionele zin: benoemen van beeldende en schilderwerken naar wat afgebeeld wordt. Ikzelf zou het daarom liever over het “Zeven Sacramenten-retabel” of zelfs gewoon maar “Sacramenten-retabel” omdat van een katholiek en zelfs van een niet-bijgelovige kunstkenner mag verondersteld worden dat hij weet dat er 7 zijn, hebben. Caudron heeft het over het Sint-Maartensretabel [5] dat alleszins beter dan “Mone-retabel” omschrijft.

Delva en Van Dormael hebben het in hun bijdrage waaruit ik reeds geciteerd heb, over Het grote retabel (…) in de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek te Halle [4]. Ik vind grote retabel overdreven omdat er geen vergissing mogelijk is: er bevindt zich immers slechts één retabel zodat er geen twijfel mogelijk is. Heb ik het verkeerd voor en willen ze, zoals ik hoger gedaan heb, het monumentale ervan benadrukken?

Het verwondert me dat notoire kunstkenners als Delva en Van Dormael het hebben over de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek [4]. De kerk van Halle is immers sinds eeuwen opgedragen aan de heilige Martinus.

Het “Mone-retabel” [6] staat op een predella of soort voetstuk. Op de eerste 2 verdiepingen worden de 7 sacramenten op medaillons afgebeeld. Op de eerste verdieping zijn dat tussen pilaren van links naar rechts Confirmation of vormsel, Confession of biecht of sacrament van de verzoening, Mariage of huwelijk en Extrème-Onction of ziekenzalving of heilig oliesel; op de tweede verdieping tussen zuilen van links naar rechts Baptesme of doopsel, Sacrement of communie en Prestise of wijding tot diaken, priester of bisschop. De medaillons van tweede verdieping worden geflankeerd door 2 van de 4 kerkvaders. Op de derde verdieping is de heilige Martinus die een stuk van zijn mantel aan een bedelaar geeft, afgebeeld. Hij wordt geflankeerd door de 2 andere kerkvaders onderaan en helemaal naar buiten en door 2 evangelisten bovenaan tussen de kerkvaders en Martinus. Op de vierde verdieping is een tabernakel in de vorm van een cilinder. Het wordt geflankeerd door de 2 andere evangelisten aan de voet ervan. Op de vijfde verdieping is een kleinere cilinder. Hij wordt omgeven door 8 putti, mollige kinderfiguren. Op de zesde verdieping op een halve bol staat de pelikaan die zich tot bloedens toe in de borst pikt en met zijn bloed zijn jongen voedert. Hij is het symbool voor Christus die zijn leven voor de mensen zou gegeven hebben en dus voor de eucharistie die tweemaal als sacrament aanwezig is.

Zoals reeds geschreven loopt het “Mone-retabel” vooruit op het  Concilie van Trente [1]. Dat concilie was een reactie van de kerk tegen de reformatie die tot een scheuring in de katholieke kerk geleid heeft: bedoeling was om duidelijkheid te brengen over door protestanten in vraag gestelde geloofspunten. Geloofswaarheid en sacramenten moesten verduidelijkt en bevestigd worden. Sacramenten zijn gewijde handelingen die teruggaan op het leven en het woord van Christus. Men mag ze niet verwarren met sacramentalia [7]. 

Het “Mone-retabel” is meer dan waarschijnlijk iets jonger dan “Karel V en Isabella van Portugal”. Op het retabel staat dat het in L’an de grâce 1533, posée fut in de kerk. Is het in dat jaar gemaakt? Zekerheid is er niet. Feit is dat het speciaal voor de kerk gemaakt is. Ik veronderstel dan ook dat het er onmiddellijk na de afwerking geplaatst is. 

 

Zijn de makers van vermelde werken bekend?

De maker van “Mone-retabel” staat op het werk vermeld net onder het beeld van de heilige Martinus: het is overigens het enige gedateerde (…) en gesigneerde werk van Mone [5]. Ik lees en geef ongeveer weer hoe de tekst vermeld is:

Jehan Mône                                         l’empereur

Maistre artiste de                                  ai faict cest dict

                                                           retable

De maker is een zekere Jehan Mône, wiens naam nog op andere manieren geschreven werd en wordt -ik zal het er verder over hebben- in het Nederlands Mone genoemd. Het retabel is dus naar de beeldhouwer genoemd. 

De maker van “Karel V en Isabella van Portugal” is niet op het werk vermeld. Van Dormael schrijft dat het is toegeschreven aan Mone [8]. Delva en Van Dormael veronderstellen dat het om Mone (?) [4] gaat. Het vraagteken moet er eerder pro formo staan: het werk wordt immers zonder discussie aan Mone toegeschreven.

Moet ik mijn vraag herformuleren? Is de maker van de werken gekend? Het antwoord is positief: Jehan Mone [9].

 

Wie was Mone?

Delva en Van Dormael hebben hem in de bijdrage waaruit ik reeds geciteerd heb, proberen te situeren. Dit is erg beknopt gebeurd: Jan Mone (ca. 1485-1554), te Metz, in het noordoosten van wat nu Frankrijk is, geboren, behoorde tot een hele schare kunstenaars, uit de Nederlands-Bourgondische sfeer afkomstig, die in dienst van de Habsburgse vorsten werkten. Na zijn opleiding, waarschijnlijk in Noord-Italië, was hij vanaf 1516 in Spanje werkzaam, toen al in dienst van de toekomstige keizer. Men kan aannemen dat hij Karel naar de Nederlanden is gevolgd, waar hij een der vroegste vertegenwoordigers van de Renaissance werd. (…) vermoedelijk overleed Mone in 1554. [4].

Ik heb besloten om te rade te gaan bij Saintenoy die in 1931 in Brussel een Franstalig werk met een erg complexe titel liet verschijnen. Ik geef weer zoals het op de kaft ongeveer staat: Le Statuaire JAN MONE / JEHAN MONEY / MAITRE ARTISTE DE CHARLES-QUIT / SA VIE, SES OEUVRES [10].

Wat opvalt, is dat Saintenoy het in zijn titel die niet toelaat om hoofd- van bijtitel(s) te onderscheiden heeft over Mone en Money. In zijn werk gaat hij nog een stap verder. Hij haalt een hele resem namen en toevoegingen aan: Jehan Money, Jehan de Metz, Jannen Monet, “die men heert Lartist”, Jannen Lartist, Meester Jannen, Jehan Mone, Jehan Mone dit de Metz, Jehan Monet dit de Metz, Monetz, Moné, Jehan Mone, enfin “Johannis artistae opus” of J(eh)an, de kunstenaar van het werk. Il n’y a donc pas de doute, son nom est Money ou Monet, ordinairement Simonet, puis, par aphérèse, Monet, et par apocope Money [10; de woorden tussen aanhalingstekens staan in de tekst cursief en zonder aanhalingstekens].

Dat namen in de Middeleeuwen en de Moderne Tijd op verschillende manieren geschreven werden, was gewone kost. Zelfs nu nog slaagt men erin om zelfs namen van bekende personen verkeerd te schrijven [11]. Santenoy citeert uit  rekeningen uit Mechelen van rond 1540 die sommen die aan Mone uitbetaald werden -ik kom hierop verder terug-, vermeldt: Jan Monet, Jannen lartiste als Monet en Jan Mosnet [10] [12]. Saintenoy heeft ervoor gekozen om Money te gebruiken. Hij argumenteert: Nous avons préféré la graphie Money, parce que c’est celle que nous avons trouvée sur la pierre tombale du père de l’artiste à Metz [10].

Hiermee ben ik bij de afkomst van Mone beland. Vader Mone die zijn voornaam aan ‘onze’ Mone gegeven heeft, was getrouwd met Poissante de Bongard en stierf te Metz in 1498. De voornamen van Mones groot- en overgrootvader zijn gekend: Didier. Mones bedovergrootvader heette Arnould en is in 1334 getrouwd met Martine Haiche. De namen van haar vader en grootvader zijn gekend: Auburtin en Walrin. Van Walrin is geweten dat hij in 1320 leefde.

Wat weet men verder over Mones voorouders? Niet veel. De namen van de echtgenotes zijn bekend. Walrin Haiche was amman van Saint-Maximin te Metz. Mones vader was schepen van Thionville, iets ten noorden van Metz.

Santenoy heeft tal van gegevens over het leven van Mone kunnen achterhalen. Ik geef ze met een korte omweg naar Caudron chronologisch weer:

-hij werd tussen 1480-1485 waarschijnlijk in Thionville of Metz geboren;

-over zijn opleiding tot kunstenaar waarop ik verder terugkom, is niets met zekerheid geweten;

-in het prille begin van de zestiende eeuw kwam hij naar Anwerpen. Dit situeert Saintenoy rond 1507. Hij baseert zich daarvoor op het feit dat Mone de graftombe van Bernard d’Orley die zich in Ecaussines d’Enghien bevindt, gemaakt heeft. Orley is op het einde van 1506 te Burgos in Spanje gestorven. Zijn vrouw heeft bij het vernemen van zijn overlijden opdracht gegeven om de tombe te maken;

-hij wordt als maistre Jehan de Lorraine, (…) très grand(…) ouvrier(…) en l’art de massonnerie [10] vermeld in een brief aan Margaretha van Oostenrijk van 3 december 1511;

-Caudron vermeldt zonder vermelding van bewijzen dat hij te Aix-en-Provence en Barcelona, waar hij samenwerkte met de bekende Bartolomè Ordonez [5], verbleef;

-Dürer vermeldt dat Mone in 1521 in Antwerpen woonde en het financieel goed had. Hij gaf hem een aantal van zijn gravures als geschenk;

-In 1524 woonde hij in Mechelen. De stad die hem 12 livres 10 sols betaalde om te verhuizen, betaalde hem vanaf 1525 een jaarlijks pensioen van quatre livres dix sous. In de stadsrekeningen van Mechelen staat dat er werd betaelt Mr Jannen artist tot hulpe van zynen verhuysen van Antwerpen hier te commen vuyt gracie XII livres Xsels [10];

-Caudron vermeldt zonder vermelding van bewijzen dat Karel V Mone in 1524, misschien wel eerder tot ‘artiste de l’empereur’ benoemde [5];

-In 1528 werkte hij voor graaf Hoogstraeten-Lalaing;

-In 1533, zoals uit het “Mone-retabel” te Halle blijkt, was hij Maistre artiste de l’empereur. Malheuresement ses lettres patentes n’ont jamais été retrouvées. [10]. Zijn ze bij de brand van het paleis te Brussel in 1731 vernietigd? Saintenoy veronderstelt dat Mone sinds 1531 of 1532 Maistre artiste [10] was. Dan zou hij Rombaut Keldermans die in 1531 stierf, opgevolgd zijn;

-In 1536 ging Lodewijk van Boghem naar het “l’hostel et ouvroir du Maître Jehan Monet” [10] te Mechelen. Mone werd gevraagd om een retabel dat aan Filips de Schone toebehoord had, te schatten. Hij werd daarvoor in 1536 en 1537 betaald;

-in 1538 wordt hij voor het maken van een retabel voor het paleis in Brussel betaald. Hij werd er in 1541, wanneer het werk afgeleverd wordt, nogmaals voor betaald;

-in 1539 en 1540 was hij te Metz en Thionville. De reden was het erven van de heerlijkheid van Luttange van een familielid dat in 1535 was gestorven en afstammelinge was Jehan Haiche, broer van Aubertin. Hij erfde ook 1/6 van hotel Gornay-Luttange te Metz;

-de stadsrekeningen van Mechelen van 1539/1540 vermelden het betalen van een pensioen aan Jan Monet [10];

-in 1540 woonde hij in de Adegemstraat te Mechelen;

-de stadsrekeningen van Mechelen van 1540/1541 vermelden het betalen van een pensioen aan Jannen lartiste als Monet [10];

-een document uit 1541 maakt melding van een compronis in verband met een schuur te Luttange. Mone wordt er “escuyer, artiste d’empereur, seigneur de Luttange” [10] in genoemd;

-de stadsrekeningen van Mechelen van 1541/1542 vermelden het betalen van een pensioen aan Jan Mosnet [10];

-de kerkrekeningen van de Sint-Janskerk te Mechelen van 1542-1543 vermelden een schenking van meest(er) Jan Moynet, cleynstekere of beeldhouwer van den huysein Adeghemstrate [10];

 -in 1549 gebeurde de betaling van een jaarlijks pensioen door Mechelen voor de laatste maal;

-de kerkrekeningen van de Sint-Janskerk te Mechelen van 1553-1554 vermelden dat mr Jan Monnot [10] een schenking gedaan heeft;

-meer dan waarschijnlijk is hij in 1554 gestorven. Hij feit dat Jacques de Brouecq in 1555 vermeld wordt als maître-arstiste, zou dit staven.

 

Saintenoy heeft Mones leven proberen te reconstrueren. Toch zijn er lacunes en zit ik met vragen. Hoe zag Mone eruit? Waar en bij wie heeft hij zijn opleiding gekregen? Is hij in Spanje geweest? In welk deel van Spanje zou hij in dat geval geweest zijn? Is hij in Halle geweest?

Waar en bij wie heeft hij zijn opleiding gekregen?

Saintenoy vermeldt dat hij a reçu (…) son inspiration d’artistes lombards, soit dans leur pays, soit de l’un ou de l’autre de ces artistes voyageurs que l’on retrouve zowat overal in Europa. il a dus très bien pu faire son apprentissage d’artiste à l’école de ces Italiens émigrés dans les cours du Nord. [10]. Saintenoy is dus in tegenstelling met Delva en Van Dormael niet zeker van een opleiding, waarschijlijk in Noord-Italië [4].

Invloed van ‘Spaanse’ kunstenaars ontkent Saintenoy omdat die zelf door ‘Italië’ beïnvloed zijn.

De opleiding kan en zal meer dan waarschijnlijk ook op visueel vlak gebeurd zijn. Kunstwerken uit andere gebieden werden immers via etsen of kopies in andere streken bekend.

Is hij in Spanje geweest?

In tegenstelling tot Delva en Van Dormael die er niet aan twijfelen dat Mone vanaf 1516 in Spanje werkzaam was, toen al in dienst van de toekomstige keizer [4], vermeldt Saintenoy niets over een ‘Spaans’ verblijf. Delva en Van Dormael blijven vaag over een verblijf in ‘Spanje’: ze vermelden niet in welk deel hij is geweest. Caudron vermeldt een verblijf te Barcelona en weet dat hij er samenwerkte met de bekende Bartolomè Ordonez [5].

Beeldhouwer Bartolomé Ordóñez leefde van 1480 tot 1520. Hij is in ‘Italië’ geweest. Vanaf 1515 werkte hij in Barcelona, onder meer aan het koor in het schip van de kathedraal van Santa Eulália i la Santa Creu of de heilige Eulalia en het heilig Kruis. 

De albasten panelen die opvallen zodra men de kerk vanop de Plaça Nova betreedt, zijn mooie voorbeelden van renaissancistische beeldhouwkunst. Toen ik ze op het einde van de tachtiger jaren van vorige eeuw voor het eerst zag, heb ik spontaan aan werken van Mone moeten denken.

Ik citeer de Spaanse Wikipedia: En la primera obra conocida de Ordóñez colaboran los ayudantes italianos de su taller, Monet, Mone dus, en anderen: “In het eerste werk dat van Ordóñez gekend is, werken de Italiaanse handlangers uit zijn atelier, Mone” en anderen samen. De beelden van de heilige Severus en de heilige Eulalia worden weliswaar mits enige twijfel aan Mone toegeschreven. Ze worden als Inexpresivas y muy inferiores [13], “expressieloos en zeer middelmatig”, omschreven.

De Catalaanse Wikipedia gaat een stap verder en vermeldt dat om Juan Petit Monet of “Jehan, de kleine Mone” gaat. Juan is niets anders dan Jan of Jehan. Belangrijk is de vermelding Petit [14], die verwijst naar de ‘Franse’ origine van Mone en naar het feit dat ‘onze’ Mone en niet zijn vader bedoeld wordt.

Is Mone in Halle geweest?

Het is mogelijk hoewel twijfel bij gebrek aan documenten blijft.

De latere keizer Karel was in 1519 in Barcelona waar hij een kapitel van de Orde van het Gulden Vlies voorzat. Hoewel Delva en Van Dormael beweren dat Mone toen al in dienst van de toekomstige keizer zou geweest zijn, bestaat hiervan geen bewijs. aannemen dat hij Karel naar de Nederlanden is gevolgd [4], kan zeer goed. Karel of één van zijn edelen kan immers onder de indruk van Mones werk gekomen zijn. Toen Karel dan na het bericht van de dood van zijn grootvader Maximiliaan naar de ‘Nederlanden’ vertrok, kan Mone mee afgereisd zijn. Het is mogelijk dat hij deel uitmaakte van Karels gevolg dat in datzelfde jaar vanuit Brussel naar Halle reisde om de zwarte Maria te danken voor zijn verkiezing tot keizer.

Mone heeft in zijn Halse retabel de heilige Martinus, de 4 evangelisten en de 4 kerkvaders afgebeeld. Deze personen waren reeds in de Sint-Martinuskerk afgebeeld tijdens Karels bezoek in 1520. De heilige Martinus  is te zien op de doopvont en in de askapel van de kooromgang. De 4 evangelisten zijn te zien op het triomfkruis en de 4 kerkvaders op hetzelfde kruis, de doopvont en de sluitstenen van de Trasegnieskapel. Heeft Mone ze tijdens een bezoek gezien? Indien ja, wanneer kan dat geweest zijn? Tijdens Karels bezoek in 1520? Tijdens voorbereidende werkzaamheden voor het Halse retabel toen hij de kerk bezocht heeft? Naar aanleiding van een bedevaart?

 

Hoe zag Mone eruit?

Dürer die Mone in Antwerpen heeft leren kennen, heeft hem geschilderd. Hij heeft geschreven -Ik citeer Saintenoy- qu’il ressemblait à un certain Kohler […]. Malheureusement ce portrait si précieux a disparu  [10]. Hoe Kohler eruit zag, is niet geweten.

Gelukkig bestaat er in la précieuse collection de M. de Munter à Louvain […] une médaille en plomb, portant l’inscription “Jehan Mone” [10]. Het medaillon zou dateren uit de periode van 1540 tot 1550. Mone ziet eruit als een zestigjarige, zonder baard en met lang,  tot op de schouders vallend haar.

In de Blauwe Kamer van het kasteel van Gaasbeek bevindt zich een 16de-eeuws albast, “De H. Maagd met Christus en twee schenkers” dat door meerdere auteurs aan Jehan Mone wordt toegeschreven. Iiets verder vindt ik de titel “H. Maagd met Kind en  twee donateurs”, dat in het midden 16de eeuw [8] gesitueeerd wordt: dit schept voor de niet-goefende lezer onduidelijkheid. Het komt uit het Legaat Arconati Visconti. [4]. Links onderaan zijn de 2 schenkers, een man een een vrouw, afgebeeld. De gelijkenis tussen de man van het albasten beeldhouwewerk en die op het loden medaillon is treffend. La ressemblance (…) est trop frappante pour que nous hésitions à l’affirmer. [10]. Mone heeft zichzelf dus afgebeeld.

Die gebeurde samen met een tweede schenker, een vrouw. Het lijkt me niet overdreven om te veronderstellen dat het zijn vrouw was: erg vaak werden op kunstwerken het schenkersechtpaar naast elkaar of links en rechts van het centrale thema van het werk afgebeeld. Toch twijfelt Saintenoy: nous ne pouvons pas affirmer, ondanks de treffende gelijkenis met het Leuvense medaillon, qu’il s’agit du statuaire Money, d’autant que nous ignorons s’il a été marié [10].

Toch vermeldt Saintenoy dat een zekere Johan monet herr zu Luchtingen [10] op 14 juli 1560 een brief naar de Raad van Luxemburg geschreven heeft. Die persoon is in 1582 en 1585 getuige geweest bij 2 huwelijken. Het kan niet anders dan dat die Johan monet die ‘onze’ Mone als herr zu Luchtingen [10] opvolgde, een afstammeling van de beeldhouwer moet geweest zijn. Een zoon? Een ander famlielid? Sporen van de familie van Mone én zijn opvolgers als seigneurs de Luchtingen [10] zijn tot in de tweede helft van de zestiende eeuw gevonden: Nous savons (…) qu’avant 1664, les descendents de Jehan Money avaient vendu à divers particuliers les terres de leur seigneurie de Luttange (Luchtingen). [10].

 

In de onmiddelijke omgeving van Halle, binnen een straal van 15 kilometer, waar zich misschien wel Mones belangrijkste werk bevindt -Ce monument est trop connu, figure dans tant d’ouvrages sur l’histoire de l’Art et dans de si nombreux musées de moulage, en Europe et en Amérique, pour que nous ayons à insister. [10]-, zijn tal van werken van de beeldhouwer te bewonderen. Ik som ze zonder verdere uitleg op: 

-1510: grafmonument van Pierre d’Herbais, die in 1504 en 1505 stierf, in de Sint-Martinuskerk te Pepingen;

-1510: grafmonument van Arnold Hornes, baron van Gaasbeek, die in 1505 stierf, in de Sint-Guidokerk te Anderlecht. Zijn zoon Maximiliaan die stierf in 1530, heeft de opdracht gegeven;

-1516: graftombe van Hendrik van Wittem in de parochiekerk te Beersel, die in 1516 stierf. Zijn zoon Hendrik die stierf in 1523, heeft de opdracht gegeven;

-1521: grafmonument van Willem van Croy, aartsbisschop van Toledo in Spanje en abt van Affligem, die in 1521 stierf, in de Capucijnenkerk te Enghien, maar vroeger te Heverlee;

-1526: het reeds vermelde “Karel V en Isabella van Portugal”;

-1533: het reeds vermelde “Mone-retabel”;

-1538: “Passieretabel” of “keizer Karel-retabel” in de as- of Maeskapel van de kooromgang van de Sint-Michiel en Sint-Goedelekathedraal te Brussel;

-1542: graftombe van Maximilaan van Hornes, gestorven in 1542, te Braine-le-Château;

-midden van de zestiende eeuw: “De Heilige Maagd met Christus en twee schenkers” in de Blauwe Kamer van het kasteel van Gaasbeek.

 

Uitgangspunt van dit artikel was het “Mone-retabel”, zoals het in Halle genoemd wordt, ‘mijn’ “Zeven Sacramenten-retabel” of zelfs gewoon maar “Sacramenten-retabel” en Caudron’s Sint-Maartensretabel [5] in de Trasegnieskapel van de Sint-Martinuskerk te Halle. Eigenlijk zou ik moeten schrijven: … dat sinds minder dan een eeuw in de Trasegnieskapel van de Sint-Martinuskerk te Halle staat.

Stond het retabel dan ooit anders? Inderdaad, het was bestemd voor het hoogkoor van de kerk. Daar heeft het overigens het grootste deel van zijn bestaan al dan niet verminkt gestaan. Sinds 1910 is het overgebracht naar de Trasegnieskapel aan de noordkant van de kerk.

Hoewel de tijdelijke en kunstmatige verminking en de definitieve verminking een verhaal op zich zijn en dus een ander artikel zouden kunnen zijn, wil ik er kort op ingaan. Andreas Michiels die van 1906 tot zijn dood in 1931 priester van de Sint-Martinusparochie en deken van Halle was, was één van de leidende krachten achter de herdenking van de 700-jarige wijding van de kerk in 1910. Hij wilde voor die gelegenheid een nieuw altaar in het hoogkoor.  Het zou een neogotisch altaar worden. Het “Mone-retabel” is ervoor moeten wijken. Desmet schrijft dat Nogal gemakkelijk wordt (…) aanzien dat Michiels de drastische vernieuwer was die zonder schroom het kunstige Mone-retabel (…) zou opzij geschoven hebben om het te vervangen door een moderne neogotische creatie. Desmet heeft Door het schetsen van de historische situatie (…) dit vermoeden willen relativeren. [15].

Wie meer wil weten, moet Desmets publicatie, een brochure die opvalt door degelijkheid en aandacht voor onmisbare details, maar lezen. Ik heb moeite met de woorden moderne neogotische creatie [15]. Er gaat een tegenstelling in schuil: modern wijst op nieuw en creatief terwijl neogotiek en andere samenstellingen met neo in verband met kunst wijzen op een teruggrijpen naar vroeger en een opnieuw maken van de oude kunstvorm, weliswaar met aandacht voor kunstzin.

Volgens Desmet heeft Als monument (…) het Mone-retabel er, bij de verhuis dus, ongetwijfeld bij gewonnen. Het wordt met de grootste zorg naar de Trasegnieskapel overgebracht -ik heb het over verbannen-, gerestaureerd en vervolledigd met de delen die in de afgelopen halve eeuw op de zolder en gedeeltelijk in de doopkapel waren opgeborgen. [15]. Feit is dat het retabel vroeger niet in zijn geheel kon bewonderd worden omdat delen weggehaald waren om het zicht op het Mariabeeld niet te belemmeren.

Feit is echter ook dat het Mariabeeld thuishoort in haar eigen kapel aan de noordkant van de kerk, die er nu naakt uitziet, en pas sinds de twintigste eeuw constant boven het hoogkoor prijkt.

Zou het niet goed en historisch correct zijn om het verleden te herstellen: “Mone-retabel” in het hoogkoor en Mariabeeld in de Mariakapel? Men zou dan ook kunnen overwegen om het originele Mariabeeld dat sinds de negentiger jaren van vorige eeuw, door een kopie vervangen is, terug te plaatsen. Voordelen zouden zijn dat het monumentale retabel volledig tot haar recht zou komen en het Mariabeeld in detail zou kunnen bewonderd worden.

Voordeel zou zeker zijn dat het monumentale retabel volledig tot haar recht zou komen. Ik ga immers niet akkoord met Desmet die beweert dat het Mone-retabel bij de verhuis ongetwijfeld [15] gewonnen heeft.

Albast of gipsalbast is immers een zachte en doorzichtige steensoort met een zeer fijne structuur die zich gemakkelijk laat bewerken en perfect op lichtinval reageert. Die lichtinval is in de Trasegnieskapel echter niet goed. Hij is wel optimaal in het hoogkoor waar het licht door de grote glaspartijen optimaal binnen valt, zodat het de helderste plaats in de kerk is. Het is dan ook geen toeval dat Mones retabel voor die plaats gemaakt is.

 

Halle bezit met het “Mone-retabel” het enige werk van de kunstenaar, waarop zijn naam op het moment van het maken vermeld is en één van dé renaissancewerken uit de vroegere ‘Nederlanden’. Halle mag er fier op zijn.

Wat blijkt echter? Het is zoeken naar diepgaande Halse publicaties over Mone en zijn Halse retabel. Enkele jaren geleden liet Vanvolsem zijn “Lexicon bekende Hallenaren” verschijnen. Mone is er niet in opgenomen. Logisch, hoor ik zeggen. Ik weet het niet. Eén van Vanvolsems uitgangspunten is immers: hij dient geboren of gestorven te zijn in (Groot) Halle, of er werkzaam geweest zijn, of aan de basis liggen van een belangrijk feit in de geschiedenis of de uitbouw van Halle. [16]. Uiteraard loopt dat uitgangspunt mank: het komt er immers op neer dat zelfs niet-Hallenaars [17] bekende Hallenaars kunnen zijn. Er zijn inderdaad tal van niet-Hallenaars in het lexicon opgenomen. Ik vermeld zo algemeen mogelijk: koningen en andere ‘gewone’ mensen van adel, geestelijken, kunstenaars, … Maar kom, ik leg me voor even maar neer bij Vanvolsems arbitraire en subjectieve werkwijze. Dan moet ik onvermijdelijk dé vraag stellen: waar is Jehan Mone gebleven?!

Ik zal niet proberen om de vraag te beantwoorden. Slechts dit: vaak, te vaak, veel te vaak is me opgevallen dat Halle en Hallenaars weinig, veel te weinig of zelfs geen belangstelling en respect hebben voor hun kunstenaars.

 

*Vaak heb ik me zonder vermelding van een voetnoot gebaseerd op: SAINTENOY, Paul. Jehan Money. Le statuaire Jan Mone, Maitre artiste de Charles-Quint en Sa vie, ses oeuvres. Académie Royale de Belgique, Bruxelles. 1931 [uitgegeven als nummer 1424 van de “Académie Royale de Belgique”, “Classe des Beaux-Arts”]. Slechts wanneer ik citeer, vermeld ik een voetnoot.

[1] Het Concilie van Trente, het negentiende algemene of oecumenische kerkconcilie, vond van 1545 tot 1563 plaats in Trento in het noorden van het Italiaanse schiereiland. Gedurende 3 periodes en onder 3 pausen werd er door de ‘adel’ van de kerk vergaderd:  1545-1547 onder Paulus III die regeerde van 1534 tot 1549, 1551-1552 onder Julius III die regeerde van 1550 tot 1555 en 1562-1563 onder Pius IV die regeerde van 1559 tot 1565.

[2] Ik gebruik de naam zoals die in Spanje en Portugal gebruikt wordt.

[3] WOUTERS, Rik. Keizer Karel V en het kasteel van Gaasbeek of keizer Karels stamboom aan de hand van kunstwerken. Verschenen in: Ars Toeristica, jg. 23, nr. 2, april-juni 2008, p. 6-10.

[4] AD [= DELVA, An] en HVD [= VAN DORMAEL, Herman]. Karel V en Isabella van Portugal [over het zo genoemde beeldhouwwerk uit het kasteel van Gaasbeek]. In: SOLY, Hugo en VAN DE WIELE, Johan [coördinatoren]. Carolus. Keizer Karel V 1500-1558. Snoeck-Ducaju & Zoon. 2000.

[5] CAUDRON, Jan. Beeldhouwkunst. In: BRAL, Guido Jan [concept]. De kathedraal van Sint-Michiel & Sint-Goedele. Lannoo, Tielt. 2000, p. 216-240.

[6] Het zou verkeerd om bij retabel te denken aan gotiek en in hout gesneden scènes en figuren op een centraal paneel, voorzien van beschilderde zijluiken. Ook de renaissance en de neo-gotiek heeft retabels voortgebracht. Zijluiken waren geen ‘noodzaak’. Niet alleen hout, maar ook albast, marmer, terracotta, … werd als grondstof gebruikt.

[7] Sacramenten gaan voort op leven en woord van Christus en kunnen als door hem ingesteld beschouwd worden. Sacramentalia daarentegen zijn door de kerk ingesteld: wijwater, zegenen van personen of voorwerpen, wijden van voorwerpen en exorcisme. 

[8] VANDORMAEL, Herman. Kasteel van Gaasbeek. Ludion en Cultura Nostra, Brussel. 1988.

[9] Ik zal het bij Mone houden omdat die naam in de Nederlandstalige vakliteratuur gebruikt wordt en een Nederlandse ‘vertaling’ van het Franse Mône, zoals vermeld op het Halse retabel, is.

[10 SAINTENOY, Paul. Jehan Money. Le statuaire Jan Mone, Maitre artiste de Charles-Quint en Sa vie, ses oeuvres. Académie Royale de Belgique, Bruxelles. 1931 [uitgegeven als nummer 1424 van de “Académie Royale de Belgique”, “Classe des Beaux-Arts”].

Geschreven door Rik Wouters om 00:00

INSPIREERDE SERVAIS' KLEINDOCHTER MISIA GODEBSKA MAURICE RAVEL TOT HET COMPONEREN VAN DE BOLERO?

Sophie Servais, dochter van cellist Adrien François Servaisc, trouwde in 1865 in Halle met Cyprien Godebski. In 1972 werd hun dochter Marie (Sint-Petersbrug, Rusland, 30 maart 1872 - Paris, Frankrijk, 15 oktober 1950), Misia en naar de vader Godebska genoemd, geboren.
Ze had een bewogen leven. Ze huwde 3 keer, met Thadée Natanson, stichter en uitgever van het post-impressionistische “Revue Blanche”, Alfred Edwards, Brits krantenmagnaat en oprichter van “Le Matin”, José Maria Sert i Badia, Catalaans schilder en vriend van Salvador Dalí i Doménech.
Door haar huwelijken en bijna levenslang verblijf in Paris hield ze zich in de hoogste Parijse kunstkringen op.
Tot haar kennissen- en vriendenkring behoorden onder meer de letterkundigen Claude Anet, Guillaume Apollinaire, Jean Cocteau, Henrik Ibsen, Max Jacob, Alfred Jarry, Maurice Maeterlinck, Stéphane Mallarmé, Marcel Proust,  Pierre Reverdy, Paul Valéry, Paul Verlaine en Emile Zola, de musici Enrico Caruso, Claude Debussy, Sergei Diaghilev, Edvard Grieg, Sacha Guitry, Maurice Ravel en Igor Stravinsky, de schilders Pierre Bonnard, Henri de Toulouse-Lautrec, Auguste Renoir, Theodore Roussel, en Edouard Vuillard, Pablo Picasso en Ambroise Vollard en Coco Chanel.
Ze werkte inspirerend. Proust gebruikte haar als model voor 2 personages uit “La recherche du temps perdu”. Verlaine heeft gedichten voor haar geschreven. Bonnard, Toulouse-Lautrec, Renoir, Roussel, en Vuillard hebben haar meer dan eens geportretteerd. 
Ravel (1875-1937) heeft net als Misia die een begaafde pianiste was, les gevolgd bij Gabriël Fauré. Hij heeft "Le Cygne" uit "Histoires Naturelles" (1906) en "La Valse" (1919-1920) aan haar opgedragen.
Fransman en Ravel-kenner David Lamaze heeft opgemerkt dat in stukken van Ravel opvallende opeenvolgingen van de noten mi, si en la, in vermelde volgorde,  die in "La Valse" meer dan overvloedig te horen zijn, voorkomen. De noten si, la en mi moeten volgens hem 'gelezen' worden als Mi-si-(l)a. Uit dit muzikale curiosum leidt Lamaze af dat Ravel een verborgen boodschap en een vorm van eerbetoon aan Misia in zijn muziek heeft binnengesmokkeld. 
Was er tussen Misia en Ravel meer aan de hand dan een vrijblijvende, maar diepe vriendschap? Was er sprake van een platonische liefde? Was er meer? Feiit is dat Misia onder meer bekend was voor haar verhoudingen met kunstenaars. Ravel heeft zich over zijn privé-leven steeds op de vlakte gehouden.
Kan het zijn dat de kleindochter van cellist Adrien François Servais Ravel geïnspireerd heeft tot het componeren van de "Boléro"?

Meer informatie over Misia Godebska die meestal Misia Sert genoemd wordt, is te vinden in: SERT, Misia. Misia. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam en Antwerpen. 1994. 

Geschreven door Rik Wouters om 00:00

STRAATNAMEN (4): KARDINAAL MERCIERPLEIN


Eind januari 2009 brak heisa uit rond het initiatief van kardinaal Danneels om het 450-jarig bestaan van het aartsbisdom Mechelen onder meer te vieren met tweetalige spandoeken in de kerken. 

 

Was/is de heisa terecht? Ik denk het wel. Hoewel er in wat België genoemd wordt, scheiding van kerk en staat is, worden geestelijken met belastinggeld betaald. Ze zijn dus te vergelijken met federale ambtenaren. Ze moeten zich dan ook aan de wetten houden. Danneels echter heeft overduidelijk lak aan wetten, onder meer  taalwetten die bepalen dat de enige toegelaten administratieve taal in Vlaams-Brabant het Nederlands is. Onder administratieve taal wordt de taal die mag gebruikt worden door de administratie -wat is de kerk die door de overheid betaald wordt, anders?!- in contact met de burger en omgekeerd, verstaan.   

Ik was niet verwonderd over Danneels’ anti-Vlaamse houding. Frans is immers steeds de taal van de kerk in het algemeen en de hogere geestelijkheid in het bijzonder geweest. Uitgaande van Danneels ondemocratische houding moet ik in vorige zin “geweest” laten vallen en “steeds” veranderen zodat de zin luidt: Frans is nog steeds de taal van de kerk in het algemeen en de hogere geestelijkheid in het bijzonder.

 

Met Danneels lijkt één van zijn voorgangers, Vlamingenhater kardinaal Mercier die van 1906 tot zijn dood in 1926 aartsbisschop van Mechelen was, terug. Ik citeer Vanvolsem die het ‘voor één keer’ bij het juiste eind heeft. Voor de Eerste Wereldoorlog liet hij zich actief in met het politieke leven; hij identificeerde de belangen van de katholieken in België met de door de Franstalige bourgeoisie beheerste katholieke partij; na 1918 bestreed hij de eisen van de Vlaamse Beweging en verzette zich o.m. sterk tegen de vernederlandsing van het onderwijs in Vlaanderen, in het bijzonder het universitair onderwijs. [1].

Vreemd is dat Vlamingen- en Vlaamshater Mercier in Halle een plein naar zich genoemd kreeg.

Is het wel vreemd?! Wie rondkijkt, zal merken dat Halse straten naar Franstaligen genoemd zijn en opschriften van monumenten en officiële gebouwen in het Frans gesteld zijn [2].

Ik herinner me dat ik in mijn gedicht “I (geboortedorp)”, verschenen in “Xarnego”, geschreven heb dat 
     Er is
     
echter maar één land op de hele wereld,
     
geloof ik, waar de numerieke meerderheid 
     in en democratisch regime
     
zo lang en zo schandalig geminoriseerd is 
     
geworden. Dit land is België. nooit zal ik
      zoals vergeten zoon van den weghe 
     ooit zeggen Lief, lief rotvolk want ik maak 
     geen deel uit van een belgenvolk. nooit nog 
     zal een schepen niet met zijn meerderheid 
     meestemmen en straatnaamborden over- 
     schilderen.
In voetnoten heb ik het citaat gesitueerd: “Het gecursiveerde prozafragment komt uit de roman Het kristallen paleis (Reinaert, Zele, 1984) van Jan van den Weghe (29 april 1920 - 26 maart 1988).” en “een schepen die in februari 1938 als schepen van onderwijs niet met zijn meerderheid meestemde in de motie om de straatnaamborden van Halle weer tweetalig te maken en ze overschilderde, was Medard-Jules Van den Weghe, vader van letterkundige Jan van den Weghe.” [3].

Ik beweer niet dat die Franstalige aanduidingen in Halle moeten verdwijnen: dat zou immers geschiedenisvervalsing zijn. Wel zouden ze door een soort verklarende nota moeten aangevuld worden: dat moet blijken dat de taaltoestand in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw in Halle anders was dan vandaag en dat de Stad zich van naar Franstaligen genoemd straten en Franse opschriften op monumenten en officiële gebouwen, distancieert, maar die aanduidingen in het Halse stadschap behoudt om de geschiedenis geen geweld aan te doen. Laat die Franse opschriften staan zodat er kracht uit kan geput worden om het Franse, a(nti)-culturele imperialisme te bestrijden.

 

Groot was mijn verwondering toen Clement zich in een artikeltje volgende vraag stelde: Was kardinaal Mercier vlaamsgezind? Clement verwijst naar een boek van een verder niets ter zake doende schrijver die zijn werk heeft opgedragen Aan Zijne Doorluchtige Hoogweerdigheid Mgr D. Mercier den Koenen Verdediger onze Taalbelangen onder wiens vroom beleid de Vervlaamsing van het Middelbaar Onderwijs als der Vlamingen Geboorterecht gehuldigd en uitgevoerd werd. De uitgever heeft eraan toegevoegd: Deze opdracht werd aan Zijne Hoogweerdigheid voorgelegd en door hem welwillend aanvaard. In zijnen brief van 24en jan. 1907, aan de schrijver zegde de Aartsbisschop : “ Ik hoop dat dit werk, door een oprecht vlaamsch-minnenden schrijver opgesteld, den lezer zal vermaken en stichten (…) “. [4].

Dit alles roept vragen op:

-Clement is voorzitter van De KGOKH: de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring Halle. Enkele jaren heb ik geschreven dat ik Vaak echter (…) de indruk heb dat de “K” voor ‘katholiek’ staat. [5]. Moet ik besluiten dat indruk werkelijkheid is geworden?;

-Clement heeft het over vlaamsgezind en Mercier over vlaamsch-minnenden [4] gehad, 2 keer zonder hoofdletter; het moet echter met hoofdletter zijn. Duidt dit erop dat Clement Mercier’s aversie voor het Nederlands deelt? Speelt Clement een spelletje? Kan men in een stad waar het Frans weer meer doordringt een spelletje spelen met het Nederlands?!;

-De uitgever citeerde uit een Nederlandse brief van de kardinaal. Schreef de kardinaal in het Nederlands? Heeft hij gewoon maar een brief in het Nederlands, taal van tweederangsburgers en -gelovigen, geschreven of getypt door een medewerker, ondertekend?


Waarom is er overigens een kardinaal Mercierplein in Halle? Is of was er een link tussen die kardinaal en Halle? Er was er helemaal geen. Of toch wel. Ik denk aan 2 zaken: Halle maakt deel uit van het aartsbisdom Mechelen waarvan Mercier aartsbisschop was en Mercier was vriend van Michiels die Vlaamsgezind zou geweest zijn en van 1906 tot 1931 deken van Halle was. Rechtvaardigt dit echter het noemen van een straat naar Vlamingenhater Mercier?

 

Ik heb in de vierde alinea Vanvolsem geciteerd. In 2006 heeft hij een “Lexicon bekende Hallenaren” waarin hij Mercier een plaats geeft, laten verschijnen. Hij beschouwt Mercier dus als Hallenaar. Vreemd. Hij is er geboren, noch gestorven. Hij heeft er niet, nooit gewoond.

Wat is volgens Vanvolsem een bekende Hallenaar? Hij heeft geschreven:

1. Het moet gaan om overleden personen (…);

2. Zij of hij dient geboren of gestorven te zijn in (Groot) Halle, of er werkzaam geweest zijn, of aan de basis liggen van een belangrijk feit in de geschiedenis of de uitbouw van Halle. [1].

Uit het feit dat er 1 en 2 staat, blijkt dat aan beide punten moet voldaan worden. Uit het feit dat in het tweede punt 3 voorwaarden met “of” verbonden worden, blijkt dat 1 van die 3 punten voldoende is om een bekende Hallenaar te zijn.

Komt Mercier in aanmerking? Ik citeer Vanvolsem nogmaals en toets zijn voorwaarden aan feiten:

-1. Het moet gaan om overleden personen (…). Mercier is dood en kan dus in aanmerking komen voorzover hij aan één van 3 punten onder 2 voldoet:

-Zij of hij dient geboren of gestorven te zijn in (Groot) Halle. Mercier voldoet niet. Het is een vreemde voorwaarde: door het feit dat Halle een regionaal centrum is en het enige ziekenhuis van het hinterland heeft, worden er tal van mensen geboren en sterven er tal van mensen zonder er gedomicilieerd te zijn geweest. Beter ware geweest dat de voorwaarde zou geweest zijn: hij moet in Halle gedomicilieerd geweest zijn. Door het feit dat “of” gebruikt wordt, is iedereen die in Halle geboren of gestorven is -is dit niet strijdig met punt 1 dat vermeldt dat men dood moet zijn?!- bekende Hallenaar. Vanvolsems “Lexicon” vermeldt slechts 378 personen. Het is duidelijk dat Vanvolsem enkele honderdduizenden Hallenaars over het hoofd gezien heeft. Hoe dan ook, zelfs in dat geval zou Mercier uit de boot gevallen zijn;

-er werkzaam geweest zijn: Mercier voldoet opnieuw niet. Werkt een priester wel? Heeft hij niet eerder een roeping?;

-aan de basis liggen van een belangrijk feit in de geschiedenis of de uitbouw van Halle. Mercier voldoet nogmaals niet.

Besluit: Mercier voldoet aan geen van de 3 voorwaarden vermeld onder 2.

Algemeen besluit -punten 1 en 2 samen-: Mercier is geen Hallenaar en kan dan ook nooit bekende Hallenaar (geweest) zijn.

Waarom heeft Vanvolsem hem dan opgenomen? Is hij bij de samenstelling van zijn “Lexicon”” onzorgvuldig te werk gegaan? Het heeft geen zin om de laatste vraag negatief te beantwoorden. Moet er in een volgende bijdrage gecontroleerd worden of en in “Lexicon bekende Hallenaren” nog niet Hallenaars en dus zeker nog niet bekende niet-Hallenaars opgenomen zijn.

 

Waarom is er in Halle een plein naar Mercier genoemd en beschouwt Vanvolsem Mercier als een bekende Hallenaar???

 

[1] VANVOLSEM, Johan. Lexicon bekende Hallenaren. Hallensia, Halle, 2007 [verschenen nummer 34 in de “Nieuwe reeks”].

[2] Het opschrift van het standbeeld van Adrien Servais op de Grote Markt uit 1871 was zelfs tot 1927 eentalig Frans.

[3] WOUTERS, Rik. Xarnego. Klaagliederen van een Catalaanse Brabander. Casita de la soledad-stichting,  Ruisbroek en Upsilon, Halle. 1999.

[4] CLEMENT, Raymond. Was kardinaal Mercier vlaamsgezind? In Hallensia, jg. 28, nr. 1, januari-maart 2006, p. 33.

[5] WOUTERS, Rik. De voorouders van de zwarte madonna. Halle en haar prenatale fase. Casita de la soledad-stichting, Halle. 2002.

 

Geschreven door Rik Wouters om 00:00

STRAATNAMEN (3): BEVRIJDINGSPLEIN. OF MOET HET '˜BEVREDIGINGSPLEIN' ZIJN?


Op de plaats waar Edingense- en Bergensesteenweg die Halle met Wallonië verbinden, beginnen, ligt bij de oudere Hallenaar onder ‘baskuul’ [1] gekend is.

De juiste naam van de plaats die een rond plein vormt, is het Bevrijdingsplein. De naam herinnert aan de bevrijding van Halle door de Britten die vanuit de richting van Enghien kwamen en optrokken naar Brussel om vandaaruit Antwerpen te bereiken en te bevrijden, tijdens de eindfase van WO II. Die bevrijding gebeurde op zondag 3 september 1944, dag die in Halle bekend is als ‘kermestale’ [2].

 

Halle wilde de Stad na de heraanleg van het plein een einde maken aan het bloot- en centraalliggende ronde stuk grond, omringd door een straat. Er werd geopteerd om er een kunstwerk te plaatsen. 

In januari 2002 schreef de Gemeenteraad een wedstrijd voor -en ik citeer uit het reglement- een verlicht en ingegroend kunstwerk dat niet meer dan 50.000 € mocht kosten, uit. Een jury waarin nauwelijks kunstenaars zetelden, koos op 7 juni 2002 een kunstwerk. Op 19 december 2003 bekrachtigde het College van Burgemeester en Schepenen de beslissing. De kostprijs was op dat moment door wijzigingen aan het weerhouden ontwerp opgelopen tot 70.906 €.

In april 2006 werd het kunstwerk onthuld. De kostprijs was ondertussen opgelopen tot 89.000 €. Op 11 augustus 2006 keurde het College naar aanleiding van de eindafrekening nog een bijkrediet goed zodat de totale kostprijs 104.206 € bedroeg of meer dan het dubbele dan oorspronkelijk begroot.

Het kunstwerk zoals het er staat, is door wijzigingen niet hetzelfde als dat wat op 7 juni 2002 door de jury weerhouden.

Het kunstwerk met de naam “Blown” is een gezamenlijk werk van kunstenares Virigini Bailly, architect Roland Biffet en ingenieur Rolf Vansteenwegen. Het bestaat uit een centrale lichtgevende paal in glasvezelpolyester en 39 gekleurde lantaarnpalen op de plein en de 5 straten die erop uitkomen.

 

Met enige zin voor overdrijving mag gesteld worden dat geen enkele Hallenaar de echte naam van het kunstwerk kent. Meestal heeft met het over ding, paal of zelfs schandpaal, en potlood wat in Halle uiteraard een ‘krèjong’ wordt.

 

Alerte Hallenaars door sommigen ‘onverlaten’ genoemd, lieten de kans niet voorbijgaan om er ter gelegenheid van carnaval 2006 iets ludieks mee aan te vangen. Leden uit het Halse carnavalsmilieu, bekend voor het maken van ‘sjaars’ [3] die spijtig genoeg geen link met de actualiteit hebben en de laatste jaren onderling verwisselbaar zijn, plaatsten op de vooravond van het carnaval 2006 een meer dan mensgrote, kunststoffen penis op het plein.

Het Bevrijdingsplein kreeg in de omgangstaal al snel een andere, voor zich sprekende naam. Het Bevredigingsplein was geboren. Het dankte zijn naam niet alleen aan de reuzenlul die er naar kort is blijven staan, maar ook aan een er gelegen cabaret waar schaarsgeklede vrouwen hun waar nog steeds aanbieden.

 

Het is niet geweten of de Stad eraan denkt om de naam van het plein te veranderen.

 

[1] ‘Baskuul’ komt van het Franse “bascule”, weegschaal, en herinnert aan de tijd dat op die plaats tol op levensmiddelen moest betaald worden vooraleer men een steenweg mocht gebruiken.

[2] ‘Kermestale’ is dialect voor “kermis te Halle” en verwijst naar de eerste zondag van september, de belangrijkste dag van één van de 3 plaatselijke kermissen.

[3] Een ‘sjaar’ is een carnavalswagen in vroeger papier-maché, later piepschuim en nu polyester.

Geschreven door Rik Wouters om 00:00

Meer van Halle zonder Zenne

↑ Terug naar de berichten