de dansvloer
ze dansten op één tegel
warmpjes bij elkaar
ieder keek en dacht:
‘was ik het maar’
de dansvloer
ze dansten op één tegel
warmpjes bij elkaar
ieder keek en dacht:
‘was ik het maar’
een ambtenaar
een ambtenaar
zijn woorden lopen in de paskeurig volgens het boekje
dat past bij z'n pak en das
maar hij draagt geen warmte
en dat voel je .
het briefje
het briefje
zij gaf mij een briefje
daar stond het allemaal op
ze wilde me als liefje
en ik, ik kreeg een rode kop
dromen|
graag wil ik ze voor de dag bewaren maar de morgen slurpt ze telkens op
|
haar zeepje
|
het vertrouwen
wil je even mijn rug krabben
ook dat hoort bij de liefde
en misschien krijg ik wat inspiratie
het paar
het paar
we zijn met twee
maar ook één,
te samen en toch,
toch elk weer alleen
het hoedje
|
Tante Roos kocht een hoedje met een schelp van voren
hoe ze het pronkstuk ook zette nonkel kon het niet echt bekoren ‘t was zonde van de biljetten en 'het ding’ leek voorgoed verloren
toch werd dit niet z’n droevig lot er kwam nog iets zinvols aan het bestaan ‘t scharminkel kleurde immers nog veel het hoofd van een kleine, speelse indiaan
|
de scheiding
nog was hij alleenook met mensen
om hem heen
geen lach die hij zag
neen, niet een
in zijn hart
was ZIJ nog steeds,
ZIJ, alleen
heerlijk
|
wat is het stil in huis
moeder, je zou best eens gaan kijken
het beestje
het beestje
~
er is daar een beestje
in het lovergroen
het rommelt en grommelt
maar wat voor de drommel
zit het daar in ‘t donker
zo raar te doen
het pluimpje
hij lag op een pluimpje
vloog met de wind
hoog langs de wolkenlandde op een duimpje
in de droom,van een kind
Alzheimer
zijn ogen leeg en donker
de ziel bijna uitgedoofd
vader nog slechts een restje mens
ook ik ben bang voor het beest , Alzheimer
ma en de muis
in paradepas
fiere poesmet natte muis
ma in witte bloes
rustig in het huis
aan de afwas
we knijpen onze ogen, oren en mond toe
ruimte
|
cijfertjes
cijfertjes,cijfertjes, …wees nu oprecht
in de fijne poëzie
passen ze niet echt
hoogstens de een,
en uiteraard het elfje
maar naast die twee,
die ik hier verkoos,
acht ik de hele rest
honderduit waardeloos
hoogachtend
een puristpoëzie voor de poëtische puzzelaar
de rustfile
onthaasten
de man met dat petje op
die mag wel even voorop
we volgen in het rijtje
en rusten maar een tijdje
maar maak dat onze ''stressers'' maar wijs
zoek
soms vond hij 't niet
hoe hij ook zocht
in de kelder, op zolder
onder in de kast
je hoorde zijn gedonder
elkeen bezorgde hij lasttoen hij het uiteindelijk vond
lag het nog wel, gewoon in zijn mond
hij toonde het ieder die hij zag
zijn brede en goedluimige lach
vergeten
hier stond hij dan
midden in de kelder
niet voor de eerste keer
pas bij de wijn
werd zijn hoofd weer helder
en toen wist ie ‘t weer
het overkomt hem meer en meer , en mij ook
paniek
een koperen kevertjegevallen op zijn rug
trappelt angstig
de pootjes in de lucht