berkenstam
Ingrid Lenaerts
berkenstam
in bloeiGraslanden in bloei
bosjeswuivend in de wind
ademen in groen.
Ingrid Lenaerts
wolkenGrillig wolkenspel
een valse zon klatert licht
clair-obscur op doek
Ingrid Lenaerts

zondagsdichter
langs de wegWe staan langs de weg te pronken
met ons mooiste gezicht te lonken
we hebben een paneel vol beloften
die wij vervullen we zijn geen schoften
Wij komen weer eens vragen om uw stem
Geef ze aan haar maar niet aan hem
geef ze zeker niet aan die man daar
bij hem wordt het een centenjaar
Wij hebben boodschappen om ter meest
wij dragen de democratie in onze brede geest
We willen alleen het beste voor het vaderland
al het andere gooien we in de prullenmand
Ingrid Lenaerts
strijdkreet
hoogmoedig volkZij die denken dat ze beter denken
beter dan hun buur van één beneden
Zij die door een grotere bril ogen
die menen dat er alleen maar mieren lopen
terwijl ze even het kraantje open zetten
en de beesten laten verzuipen
vol jolijt toekijken op hun verdrinkingsdood.
die het geld laten rollen
als de marathon der munten
Jan met de met de pet bekijken
alsof ze slechts kabouters zien
zij de reuzen die met een trap vernielen
wat hen voor de voeten ligt
tot ze vergaan in eigen waan
de dag dat de nood hen hoog wordt
tot het tij keert en de wind blaast
in hun holle kop als bezeten
zij een SOS lanceren
help me uit deze drek ik verzuip.
Ingrid Lenaerts
zittend op het bedZittend op het bed van de tijd
stapt de kalender over haar heen
als een alarmerende kemphaan
zoveel jaren al heengevlogen
ze is nog altijd niet begonnen
de goede voornemens
de tijd aan banden te leggen
Hij schudt haar dooreen
wanneer zij merkt dat morgen
de beslissing moet vallen
Zal zij liefdeskleur bekennen
of de twijfels hart en ziel
laten overwoekeren
Ingrid Lenaerts
trientje
de weg naar huisZe vraagt me de weg naar huis
die al ang niet meer bestaat
de Stookstraat waar ik woon zegt ze
Met op de hoek Maurice de melkventer
en de slager daartegenover
endie varkentjes in de étalage dat weet je toch
twee minibiggen met roodgestreepte jas
die hun eigen hespen aanprijzen
Ze wordt boos ik moet en zal
de weg tonen ze eist gehoorzaamheid
De Stookstraat is verleden tijd
er is geen slager meer en geen Maurice.
De stookstraat werd onteigend voor een bouwproject
omvangrijk maanlaandschap
bezaaid met kubuswooonsten
Ze gelooft me niet en weent
Ze zal het aan haar dochter vragen
Mij kent ze niet meer
ik ben dat ambetant mens
Nooit ben ik haar dochter geweest
stampt ze op de vloer.
Mijn arme dementerende moeder
Ingrid Lenaerts
van vleugelsVaak ligt het raakvlak verbeelding
in een vogelvlucht hoog boven het land
het verlangen te zweven in de wind
te drijven op een wolkenstroom
naar het onbekende over zee
vleugels van kant of papier
die onze broosheid accentueren
vleugels die ons met krachtige slagen vervoeren
gewoon een engel
op het podium klapwiekend
naar de allesomvattende droom
der oneindigheid
die dag toen ik tien werd
ik mijn vleugels verloor
in een kinderlijk gestoei
in het engelenkoor
met de aartsengel Michaël
Ik wou zijn goudomrande vleugels hebben
schitterend in de zon
de mijne waren slechts van witgeverfd karton.
Zelfs gevleugelden
hebben hun mindere kanten.
Ingrid Lenaerts
op de fietsSamen met een zonnige dag stapt hij op de fiets
hij radert langs veld en bos
doordrongen van een goed humeur
in de morgenlucht speelt het licht
tussen het jonge groen der bomen
zijn schaduw vergezelt hem
zij draait mee, ze mindert vaart
om dan weer stevig door te fietsen
ze vallen nooit samen in de tijd
hoewel zij hem steeds trouw volgt
wanneer de fietser stopt doet zij dat ook
Hij fluit zijn deuntje tuurt in de verte
de fiets tegen de stam rust
of mediteert wie wat of waar hij is.
Die twee zijn best tevreden samen.
Ingrid Lenaerts
treinritDaverend rijdt de locomotief voor
in zijn nasleep de tientallen wagons
reizigers turend door het raam
zij schuiven in sneltempo voorbij
Ik ken ze totaal niet al die gezichten
die mijn album aandoen
van "illusions du déjà vu"
dan openen de deuren met veel gesis
de meute dringt en duwt de trappen op
haastig naar winkel of kantoor
de tikklok vreet de tijd aan
ze is onbarmartig in haar registatie
het instappen is een vlucht duw en trekwerk
een schim die reizigers opzadelt
om een zitplaats in een couipé te bemachtigen
de trein trekt dan maar verder
versnelt zijn vaart verdwijnt
in het onderaardse gat
de duisternis van de tunnel
Ingrid Lenaerts

zondagnamiddag.De jazzy tonen wolken in notenbalken uit
dissonanten spelen ritmisch tikkertje
de band heeft kop in eigen melodie
het volk swingt de zon uit de bocht
het gezoem en gekwebbel aan tafeltjes
fraaie jurken dragen zwierige dames
heren met verzoekersgezicht nodigen uit
de kleinsten lopen kris kras over de vloer
Er wordt gedronken en geklonken
de hete namiddag zweet uit de muren
het kan niet meer stuk met de tuinparty
op deze crazy afternoon der kunsten
Ingrid Lenaerts
verdrietVerdriet versteent
zet zich vast in enge zielkloven
een woekerplant op de wanden
die heel diep wortelschiet
ze valt zo moeilijk te wieden
tot iemand haar bereikt
met weinig woorden
zijn troost als medicijn
onder je schouder plaatst
het verdriet dan zijn groeikansen stopt
om een beetje levensvreugde
opnieuw en opnieuw toe te laten
de kans met beide handen
te grijpen.
als warmte van een jonge zon op je hoofd
en in je hart.
Ingrid Lenaerts
Wij hebben geen koningsblauwe gedachten
pluizig