trientje
Dan komt alweer een ander
en als Trientje weer
Ingrid Lenaerts
trientje
de weg naar huisZe vraagt me de weg naar huis
die al ang niet meer bestaat
de Stookstraat waar ik woon zegt ze
Met op de hoek Maurice de melkventer
en de slager daartegenover
endie varkentjes in de étalage dat weet je toch
twee minibiggen met roodgestreepte jas
die hun eigen hespen aanprijzen
Ze wordt boos ik moet en zal
de weg tonen ze eist gehoorzaamheid
De Stookstraat is verleden tijd
er is geen slager meer en geen Maurice.
De stookstraat werd onteigend voor een bouwproject
omvangrijk maanlaandschap
bezaaid met kubuswooonsten
Ze gelooft me niet en weent
Ze zal het aan haar dochter vragen
Mij kent ze niet meer
ik ben dat ambetant mens
Nooit ben ik haar dochter geweest
stampt ze op de vloer.
Mijn arme dementerende moeder
Ingrid Lenaerts
van vleugelsVaak ligt het raakvlak verbeelding
in een vogelvlucht hoog boven het land
het verlangen te zweven in de wind
te drijven op een wolkenstroom
naar het onbekende over zee
vleugels van kant of papier
die onze broosheid accentueren
vleugels die ons met krachtige slagen vervoeren
gewoon een engel
op het podium klapwiekend
naar de allesomvattende droom
der oneindigheid
die dag toen ik tien werd
ik mijn vleugels verloor
in een kinderlijk gestoei
in het engelenkoor
met de aartsengel Michaël
Ik wou zijn goudomrande vleugels hebben
schitterend in de zon
de mijne waren slechts van witgeverfd karton.
Zelfs gevleugelden
hebben hun mindere kanten.
Ingrid Lenaerts
op de fietsSamen met een zonnige dag stapt hij op de fiets
hij radert langs veld en bos
doordrongen van een goed humeur
in de morgenlucht speelt het licht
tussen het jonge groen der bomen
zijn schaduw vergezelt hem
zij draait mee, ze mindert vaart
om dan weer stevig door te fietsen
ze vallen nooit samen in de tijd
hoewel zij hem steeds trouw volgt
wanneer de fietser stopt doet zij dat ook
Hij fluit zijn deuntje tuurt in de verte
de fiets tegen de stam rust
of mediteert wie wat of waar hij is.
Die twee zijn best tevreden samen.
Ingrid Lenaerts
treinritDaverend rijdt de locomotief voor
in zijn nasleep de tientallen wagons
reizigers turend door het raam
zij schuiven in sneltempo voorbij
Ik ken ze totaal niet al die gezichten
die mijn album aandoen
van "illusions du déjà vu"
dan openen de deuren met veel gesis
de meute dringt en duwt de trappen op
haastig naar winkel of kantoor
de tikklok vreet de tijd aan
ze is onbarmartig in haar registatie
het instappen is een vlucht duw en trekwerk
een schim die reizigers opzadelt
om een zitplaats in een couipé te bemachtigen
de trein trekt dan maar verder
versnelt zijn vaart verdwijnt
in het onderaardse gat
de duisternis van de tunnel
Ingrid Lenaerts

zondagnamiddag.De jazzy tonen wolken in notenbalken uit
dissonanten spelen ritmisch tikkertje
de band heeft kop in eigen melodie
het volk swingt de zon uit de bocht
het gezoem en gekwebbel aan tafeltjes
fraaie jurken dragen zwierige dames
heren met verzoekersgezicht nodigen uit
de kleinsten lopen kris kras over de vloer
Er wordt gedronken en geklonken
de hete namiddag zweet uit de muren
het kan niet meer stuk met de tuinparty
op deze crazy afternoon der kunsten
Ingrid Lenaerts
verdrietVerdriet versteent
zet zich vast in enge zielkloven
een woekerplant op de wanden
die heel diep wortelschiet
ze valt zo moeilijk te wieden
tot iemand haar bereikt
met weinig woorden
zijn troost als medicijn
onder je schouder plaatst
het verdriet dan zijn groeikansen stopt
om een beetje levensvreugde
opnieuw en opnieuw toe te laten
de kans met beide handen
te grijpen.
als warmte van een jonge zon op je hoofd
en in je hart.
Ingrid Lenaerts
Wij hebben geen koningsblauwe gedachten
pluizig
speurend
InktblauwOp inktblauwe wateren ligt rust
schijnbaar vrede en stilte
de nacht ommantelt de wereld
sterren afstandelijk onbekend pinken
zoals lichten aan en uit
de ogen van de hemel bij nacht
die ons als engelen bewaken
jij en ik dromend bij maanlicht
elk zijn eigen wens veraf
wellicht dezelfde als ik raden kan
geef me dan een teken
dat ik jou blijvend vervoeg
bij de rust op inktbaluwe wateren
leen je oor aan mijn woorden
woorden in de wind
die onze harten sneller doen slaan.
Ingrid Lenaerts

Op een witte muur in de zon
heeft zij haar leven verwoord
nu hangt het te drogen in de wind
voor iedereen te kijk en te keur.
Ze heeft de tijd aan banden gelegd
haar bestaan bestendigd er te zijn
als een daad van erkenning
tegenover het gevoel er te bestaan
in de vergeethoek der dagen
Ingrid Lenaerts.
hoopJe zag de avond op zijn knieën kruipen
als een boeteling die clementie vroeg
de wind was gaan liggen
het werd vredig stil bij het deemsteren
tussen de takken fladderde af en toe een vogel
je dacht dat er iets zou gaan gebeuren
een of andere woudgeest die zou verschijnen
die het vuur zou aansteken
in de holte van de oude eik
die je zijn warmte zou toevertrouwen
die zou zeggen morgen wordt het anders
maar het bleef onbewogen bij de eik
de avond ging onder in de oceaan
van de iele nacht die naar adem snakte
morgen zou er niets gebeuren
tenzij de sleur en slenter van elke dag
die zich als een boa rond je hals zette.
Een andere keer wellicht
dan wordt het beter
Zo wordt het wellicht ook eens
Ingrid Lenaerts
een griekse temple in stukjes
de hoofdprijsWereldreiziger tot elke prijs
vertrok hij bij het krieken van de dag
van de dag de gloed in zijn gemoed
de landen te doorkruisen op de continenten
de zeeën te bevaren tot de uiterste hoeken
de polen te verkennen met kompas
dat hem noordwaarts bleef drijven
tot de ijslagen in eeuwig witte stilte
op zoek naar de hoge machten van bestaan
noch oosten noch westen maakten hem wijzer
en wat niet meet noordelijk was werd het zuiden
en ook daar bleek de zoektocht niet voltooid
weredreiziger tot ekle prijs met plunje
lange baard en knapzak vol van avontuur
nog onderweg zolang voorbij dag en nacht
waar de sterren fonkelen tot in der eeuwigheid
Ingrid Lenaerts
woestijnkloofZij gaapt over de leegte
bij morgenzon in de ravijn
Gieren vliegen bedrijvig aan en af
ze loeren uit hun kaalkoppen
alles wat beweegt ontgaat hen niet
hun argusogen snijden in haar lijf
Ze krassen als oude kwetterwijven
rilt bij de doodscirkels die ze maken
Tussen de kloven rollen stenen
verbreken in hun val stilte
schaduwdonker de engte
Zij gaapt over de leegte
sprakeloos in dit landschap
fenomenaal mooi maar o zo akelig.
Ingrid Lenaerts
om het waterOm het water was het te doen
de man vooraan met de witte veren
het beschilderde lichaam
met de kleuren tussen geboorte en dood
de grote trom roffelde de mare
de stoet verzorgde de zang
en het kabaal
onder een brandende zonde
werd geofferd voor regen
die maar niet komen wou
de kleine aardvarkens liepen mee
nietsvemoedend naar hun slachtplaats
Desondanks kwam het water niet
de regen bleef uit en ging naar andere oorden
de aarde barste verder open
mens, plant en dier
voor niemand water
Wat zijn goden vol onbegrip wreed.
Ingrid Lenaerts