roofbouw
de randen van het nachtelijk huis
zelfs goten lijken dwarsliggers
kleuren planten een visioen neer
Ingrid Lenaerts
roofbouw
annabel tekende
het huis der schimmenHet huis van zijn schimmen
draagt zijn naam voor altijd
het is veranderd van dak en ramen
rilt van ijle woorden onherkenbaar
de angst om de dood die er loert
als zwarte ratten bodes van de pest
Hij zweet zijn slechte dagen uit
en vraagt genade aan de nachtzuster
haar zegen die zij hem vredig schenkt
wanneer ze hem toedekt
Het mag niet baten de grijze hond
naast zijn bed laat zijn tanden zien
Het huis van zijn schimmen waakt
wijkt niet van zijn veranderde ego
Ingrid Lenaerts
waar is Milo?Milo laat op zich wachten
Hij moet toch weldra gaan komen
hij moet geen tram of trein
daar kan hij alvast geen vertraging
moet niet lopen, niet fietsen
alles is klaar voor zijn welkom
af en toe klopt hij op de deur
vanuit zijn donkere kamer
waar hij hoppelt en huppelt
Milo moet de grote wereld veroveren
maar hij heeft zich nog niet gemeld
Ingrid Lenaerts
vrijdagse marktDe kramen op het plein prijzen zichzelf
ze hebben goede waar niet te ontkennen
roepen de marktkramers door elkaar
Onder de linde staat het "fritkot" te dampen
om bij te watertanden naar hun product
de hongerige magen grollen nu al op afstand
De kaasboer biedt zijn nieuwste kazen aan
proeven mag je, smelt je niet weg van het aroma
dan heeft hij nog zoveel voor iedereen wat
De groentenman heeft zijn moestuin bij
als het ware rechtstreeks geoogst je vindt het
verse tomaten,komkommer,kool,prei
De fruitvrouw verbergt zich achter bakjes aardbeien
levend vers gisteren geplukt vandaag verkocht
bergen sinaasappelen, pompelmoes en nectarines
De textielbaron roept de kopers op
zij moeten zijn kraam bezoeken
lingerie,badjassen,jurken aan de beste voorwaarden
Je wordt uitgenodigd voor overal het beste
blind vertrouwen moet je hebben het te geloven
tot grotere leegstand van je portemonnee
Ingrid Lenaerts
verlatenHuis ontmanteld
de wind blaast door je gebinte
Je ramen zijn op stap
verpatst aan een scharrelaar
tot brandhout gekapt
Huis kaler dan kaal
in je hemd gezet
pannen vervreemd
deuren gelicht
behang gescheurd
bengelend in de wind
Wie heeft jouw ziel verkocht?
Ingrid Lenaerts
schimmen
wijnrode ziel
verwonderingBij ondergaande zon gevallen blaren op een helling
een schaduw op een stam naar mensenmaat
de man ziet zijn contouren
tussen de vele andere stammen
langgerekte verwondering
bijzondere ontroering
in een notendop.
Ingrid Lenaerts
bij een gevangenismuur
Met de muur kon hij geen akkoord verkrijgen
Steen voor steen gaf geen krimp om zijn bede
ook maar één gat te vinden dat oogde
een voet te plaatsen een haak te slaan
een touw te binden of een hand te grijpen
de vrijheid was een stuk gedroomd land
dat zich niet zomaar heroveren liet
als een lammetje op een slachtblok
De muur bevestigde zijn vrijheidsberoving
slag om stoot en onvoorwaardelijk
Ingrid Lenaerts
in de b uik van
keuze
rijke oogstBreugeliaans en terug in de tijd
temidden het korenveld
ligt de lome landman te slapen
tussen de talrijke schoven
de grote zon hoog aan de hemel
de schaduw van het bos
als een aardsparadijs
heuvellandschap van een milde aarde
waar de zorgen voor morgen zijn
alleen hier en nu telt.
Ingrid Lenaerts
tanendVerassend onwennig het weerzien nabij het venster
opent de dag de deur op ware realiteit
Waar moeten we heen nu de koers verloren
een nieuwe richting is alleen jong van hart
Op groene pleinen bij de eerste voorjaarszon
we rillen echter na de hoogzomer
Die nooit van harte uitgesproken werd
maar op de zijwegen verdween
Achter de takkenbossen van de valse schaamte
we hebben al wijnrode herfstgedachten
In onze tanende gemeenschap die wegdrijft
Laat de winterput daar nog even uitblijven
Ingrid Lenaerts
aan tafelHij zit er aan de tafel op de Mechelse stoel
het hoofd gedraaid bril laag op de neus
bekijkt indringend de vlegeltje
dat hem probeert te verschalken
oren aan te naaien
per definitie een niet zo fraaie bijnaam
op de jas te kleven.
Hij wijst vermanend "naar buiten met jou"
Het was alleen maar een grap opa
jammert de kleinzoon
Opa kan echter niet lachen.
Ingrid Lenaerts
je draagt...
alleen
verbreek de stilteZelfs stilte in de kamer vraagt antwoord
de wacht één voor één bij moeder
al maanden in bed tussen de sponden
alsof ze de gevangene is van zichzelf
Comateus en starend naar het plafond
waar de vliegen gonzen bij deze hitte
Ze geeft nauwelijks nog een krimp
een grijns op het gezicht onverklaarbaar
wij houden haar hand die uit onze hand valt
als een weerlloos vogeltje bij de eerste vlucht
wij fluisteren haar zachte woorden toe
die in het dagelijks fluidum vervagen
Wij neuriën de liedjes van toen
maken misbaar als joelende circusclowns
ze heeft er geen oor naar tenzij afwezig
een zucht die de kamer alleen registreert
Moeder zoals je éénmaal was
grappig en guitig onze levensboom
geef ons je kinderen één teken van leven
Verbreek die verschrikkelijke stilte.
Ingrid Lenaerts
woeste zeeNauwelijks nog te herkennen
alsof ze kookt met haar gifgroene dampen
en koppen op de golven
zoals de grijnslach van rijen saters
die dood en vernieling dansen
onder een grijs laag wolkendek
dat gedreven wordt door een zotte wind
een bende imaginaire paarden
die op hol slaan naar nergens.
De dijken zijn leeg geveegd
baden in plassen glimmende stenen
Het strand draagt een tonnenlast
nat zand dat verzopen berust
Een occasionele wandelaar is eenzaat
diep in de jekker gedoken
op zoek naar droogte
en wat warmte bij het vuur
binnenskamers
Ingrid Lenaerts
dennenbos