doolhof
Daar kom ik je redden
Ingrid Lenaerts
doolhof
lavaredodrie stenen wachters
in het rosse avondlicht
staan er sinds eeuwen
onbeweeglijk stil
dan vordert het bleke uur
over de wanden
tot de zon verdwaalt
achter haar nachtschaduwen
dolomietenpracht
Ingrid Lenaerts
een deel van de dierentuinNiets is zoveel zeggend zoals een dierentuin
Onder de platanen begint de tijd van toen
De zon is van partij groot en klein op de been
kinderen kopen noten om apen te zien gekscheren
anderen wachten lange rijen af voor een olifantenrit
volwassenen brandmerken de apenmanieren
terwijl ze schuddebuiken van het lachen
viezeriken zijn het die beesten roepen ze
een oerang-oetan beukt op het venster
iedereen voor het raam springt verschrikt acheruit
het grote dier is boos om zijn gevangensschap
hij heeft vuile manieren hoor ik mijn tante zeggen
de arenden zitten boven in de nok
tussen de tralies onder een staalblauwe lucht
ze loeren naar ons ze willen ons wellicht ontvoeren
de papegaaien schitteren doort hun bonte kleuren
zij krijsen een onverstaanbare taal onder elkaar
hun bekken lijken net vlijmscherpe mesjes
de leeuwen liggen in hun bruine slaap te dommelen
de kuil ruikt naar afvalwater en kadavers
plots recht de koningsleeuw zijn rug en brult
de tijgers ijsberen door hun gevangenis
ook zij zitten zieltogend achter de tralies
ze ijsberen de dag uit pure verveling.
De ijsberen puffen in de zon
naast smeltende ijsblokken
terwijl ze dromen van de Zuidpool.
slangen in bakken achter glas
voeren sissend hun eigen revue op
ze draaien kronkels rond kale takken
Wij zijn moe en hebben dorst
of een ijsje in de schaduw kan ook wel
het wordt echte Cola uit een glazen flesje
We sluiten de dierentuin in onze herinneringen
alle dieren zinken in de nacht naar het onderbewuste
om de levensfilm verder te produceren.
Ingrid Lenaerts
straattheater in de stad.Wij laten onze ogen rollen om te imponeren
Wij kijken in het diepst van uw gedachten
spiegelen de grote emoties uit al uw zielen
een lach tot achter de oren voor uw toeschouwen
gegrien om het verdriet van de wereld
de hongersnood de rampen de brutaliteit
wij schreeuwen protest uit onze longen
voor alle slechteriken onder de zon en de maan
de beulen de verwaanden de viezeriken
Wij spuwen vuur uit onze brede mond
de vlam in de bek als ons kracht
We dansen in brede zwaai van het vreemde
we lopen op stelten tezien als vergroting
we vragen uw aandacht en uw inzet
voor onze werveling en woorden
ons theater op de straatstenen
in uw stad.
Ingrid Lenaerts
post scriptum
torenhoog
stuivenberg
Avondzon in zicht
verblindt ons met haar vuurbol
de eerste ster pinkt
Ingrid Lenaerts
slaapHet uur geeuwt verveeld
mijn ogen worden loodzwaar
de muggen dansen
Ingrid Lenaerts
koorddanser (bij een standbeeld)Dat op de rand van het zeewater
de vloedlijn hier onderdak biedt
tussen twee palen lijkt een droom
waar de koorddanser zijn tocht begint.
Hoog boven het vertrekpunt hangt schaduw
die met het uur meedraait als volgt ze hem
de zon neemt hen beet want hij is verblind
daar ergens zwaaiend tussen hemel en aarde
Ingrid Lenaerts
huis en herinneringHet huis aan de bosweg stond voor herinnering
een gedroomde landelijke inval uit onze jeugd
de tuin was verwilderd hoogst uitnodigend
een soort rimboe om steevast in te verdwalen
Wie de bewoners waren wisten we niet.
Voor ons was het een huis zonder bewoners
een huis voor de geesten die altijd sliepen
tot we elkaar collectief bang maakten
dat er spoken konden huizen en kabouters
toen we het hoorden ritselen in het gras
en een wild angstig konijn voorbijstoof
als was het rennen op leven en dood
Wanneer de oude deuren in de wind knarsten
bibberden wij van schrik want wie zou het zijn
die onze wereld zou kunnen binnendringen
die van indianenkampen of spinnenjachten
in het bastion van onze jonge vrijheid.
Ingrid Lenaerts
een oostenwind
Achter de volle maanAchter de volle maan ligt de nacht
te spannen met zijn weidse hemel
Onze hond huilt zichting zijn liefste
in-treist. Zij is echt niet te bereiken
Daar schuift een schim langs het water
vertrerkt zijn schaduw de blauwe wasem
bovende horizon,zien zijn ogen
de staart van een pauwenpracht
De wacht is een schichtige haas
Stilte demt taal en tijd lucht
zoekt uitwegen na de duisternis
in het natte gras.De nacht is bek-af
Ingrid Lenaerts
vrijbuiter
een oranje maanWat jij laat spoken in je hoofd
Wat je hoort, ziet smaakt of ruikt
Wat je vertelt over een zotte morgen
Waar je buitelt van plezier de helling af
Je maakt me deelachtig aan de horizon
Van je zonsopgang boven zee
De dans der nachtvlinders
Onder fonkelende sterren
Een oranje maan bewaakt ons kampvuur
En ik ben je mare en je bode
In goede en kwade dagen
Dat ik het spook uit mijn hoofd verkoop
Dat ik mijn waarheid vertel
Al wie het horen wil
Ingrid Lenaerts
Ik zit naast mijn fiets
Dagen van VenusVenus duikt als een dolfijn uit wilde golven
waterspel tussen rotsen en brekend blauw
in het uiteenspatten van kanten druppels
blauw als een staartkomeet vol geheimen
Haar lange haren wapperen in de wind
Gouddraad voor het weefgetouw van de dag
Op brekende hoogten laat ze zich vervoeren
woorden spiegelend op de oevers dageraad
Ze werpt zich op het slapende strand
als het mysterie uit een geopende schelp
Ze vervloeit in het licht van een ademzee
Elke morgen ruist haar schaduw voorbij
Ingrid Lenaerts
allisiaAllisia
Deze nacht , Allisia zag ik alle planeten
In mijn hoofd, ze waren je mond, je lippen
Haren,handen voeten en nog veel meer
Ik kroop als een bezetene onder je huid
Ik spoorde door je aders tot de kamers
Van je hart die bonkten als een machine
Je was mijn God en mijn gouden kalf
Mijn boomgaard in bloei in de wind
Mijn onthoofde kip mijn mesthoop
Mijn dorst mijn beven mijn slapeloosheid
De wellust slingerde zich onder de lakens
De katapult splinterde mijn verlangens
In mijn taal werd ik dwerg aan je voeten
Koning over de berg van het zwetende dier
Mijn lief,mijn anemoon zelfs mijn wijf
Ik ben bereid mijn geest zit in je vlees
Zonder jou loopt deze kwelgeest verloren
Noch engel noch duivel ik wil jou alleen.
Ingrid Lenaerts
Emiel-JustinDaar is Emiel, mijn jongen die daar van lang geleden
zegt ze me.Zij droeg hem toen naar bed dat kind.
Hij was zo lief en vertelde de hele wereld
dat hij soldaat zou worden van de grote oorlog
Dat Emiel nu Justin is verandert niets
Ze is tevreden dat hij gekomen is,h ij is flink
Haar zoon is flink en heet nu ook Emiel
Maar ze was nooit zwanger toch was daar de zoon.
Ze vraagt Emiel om nooit meer weg te gaan
Waarom is hij altijd onderweg naar hier ?
Moet hij nu alweer vertrekken ? Ze kijkt uit
ze tuurt door het raam naar de mistige morgen
Ingrid Lenaerts
EigerSchaduwbrede wegen voor ons
boven ons de loodrechte Eigerwand
massief graniet gaapt ons aan
enkele alpinisten hangen langs de noordwand
ze bengelen er als verre marionetten
die vermoeid zijn van het stijgen
Hoewel de lucht staalblauw is
hier in dit smalle dal huiveren wij
kippenvel in onze gedachten
bij deze klimaprtij als echte waaghalzen
Ingrid Lenaerts
aucubavreemde aucuba
glanst met een gelig groen blad
in de tuinschaduw
Ingrid Lenaerts
Vlierstruik
nacht
wieWie kan mij zeggen wat niet te zeggen valt
dat ik bij jou wil zijn altijd hier en nu
ook als het niet kan of wellcht niet mag
dan nog zijn het koude harde noten
te kraken tussen de tanden van de tijd
de brieven te willen schrijven zonder woorden
alleen op de wolken als zij de zon dulden
en hun schadunwen laten weerkaatsen
Als deze waarheid altijd verwrongen
of ontkend en dan geen waarheid meer is
hoe dan de herfst in mij groeit zonder ooit
de zomer te zijn van een blinkende hoogvlieger
of hoe de leifde zich verkleedt voor vele goden
die dan hun epos bevestigen zonder schaamte
hou mij dan toch vast laat me niet ontglippen
op de adem van hoop die ik nooit wil verliezen.
Ingrid Lenaerts
Verschil Hij heeft zich een stadsgezicht aangenaaid
Kalend in zijn emoties en egowijsheid
zegt hij me wie hij is en wie hij zou willen zijn
Ik kan niet zo best volgen in deze geheime diepten
Ik zink weg in het moeras van zijn woorden
schreeuw om hulp dat ik hier aan het zinken ben
Blijf maar zakken tot ik me een dwaallicht voel
in deze donkere poel waar ik niet thuishoor
Het raadsel des levens omsluit me steevast
Ingrid Lenaerts
zonnegloed
zoals de zomerZoals de zomer voorbijtrekt
ontglip je mijn gave en goed.
Je stoomt voorbij zoals de middaghitte
verdampt me zienderogen
blijft alleen maar een glimp van wie je was
Ik zoek in de dauw van de dageraad
je hernieuwing of bevestiging
van een jaar dat moet stilstaan
in de tijd die me rest
Beloof me geen lege vaten
want ik zink mee met deze tonnen
wanneer ze in zee zinken
Ik luid de scheepsklok
voor de ondergang.
Ingrid Lenaerts
bij een vijverde eenden rusten
wakend onder de treurwilg
Stil droomt de vijver
de plompen slapen
slechts een kikker op hun blad
kwaakt de avond los
Ingrid Lenaerts
VlaanderenDat de koeien hier nog echt staan te gapen
Het mag nu Blaar of Belle zijn die de zotte kuren kent
Ze worden gesmaakt in dit dorp, biefstuk friet
Van de meest malse soort bij deze kermis
Dat de varkens hier nog knorren van plezier
In de boomgaard van boer Bauwten op zijn klompen
Het zwijn onder de modder luiert in de zon
Met een margriet in zijn bek als simpele groet
Dat de kerk in het centrum staat, de klok de uren slaat
De wind de haan laat draaien en dat de kerk nu te koop staat
Voor de meestbiedende, als restaurant, of feesttent
Café de Valkenier verkoopt toch altijd het beste bier
Hier rijdt men nog zijn koers zoals echte Flandriëns
Ze zoeken hier het idool op twee wielen hoewel
De voetbal vast en zeker het hart sneller laat slaan.
Ze scoren hier hoog en vurig met hun ploeg.
Hier in dat stukje Vlaanderen zijn ze blij en hups
Tot spijt van wie het benijdt, rood groen
Geel of paars.ze vinden politiek gedoe maar niets
Met of zonder vele wetten wat maakt het uit
Op een dag dat de kermis brandt van gezonde verlangens
Dat de paardenmolen zijn rondjes blijft draaien
De eendjes zich laten vissen voor een zacht prijsje
Dat de oliebollen kissen, dat de vlaaien zich verkopen
Als zoete broodjes Daar waar de vrijers joelen achter hoek
En kant dat ze stoeien met appelwangen rood als vuur
Dat het feest kan beginnen in de tent en dat de dans uitnodigt
Jong en oud. Vlaanderen schuddebuikt van lach en plezier
Ingrid Lenaerts
In de kelderGriezelige spinnen mediteren er over het bestaan
zij zijn sedentair tot hun rust grondig verstoord wordt
een ragebol is hun vijand die niets ontziet van het verblijf
ze gaan op de loop als ontsnapte gevangenen
Kruipen ze achter de houten rekken tot gevaar weg is
Hiet staan nog enkele overjaarse inmaakpotten
met krieken ,peren wortelen en appelspijs
Ze zitten onder een dikke laag stof te verkommeren
ze dienen afgevoerd consumptie blijft uitgesloten
Lege wijnflessen toen mijn grootvader nog cider brouwde
wachtend op een nieuwe vulling die er helaas niet komt
daar nog een verzameling stenen potten van Keuls aardewerk
die gaan hun bestaan op de antiekmarkt bevestigen
maar allerlaatst zit me daar een dikke bruine pad
in de holte van het keldervenster slijmerig glibberig
zoals ze me aankijkt met grote uitpuilende ogen
Oeps.. springt door het klamme gat naar de buitenwereld
Ik hou het kelderbezoek voor bekeken
de houtent rap kraakt onder mijn voeten
een geheimzinnige boodschap blijft hangen
er is nog werk aan de winkel voor de ontruiming
Ingrid Lenaerts.
zomerstilteRustig kabbelt de beek langs de knotwilgen
ze voelen wat wind in hun lange takken
wuiven zichzelf wat verkoeling toe in dit uur
de middag blijft al dagen onveranderd heet
een zon die velden en weiden schroeit
de koeien zitten filosofisch traag te herkauwen
in de lage schaduw van de haagdoorn
ze slaan met hun staart het lastig vliegenvolk weg
dat de algemene rust komt verstoren
wij zitten onder de kruin van een grote hazelaarstruik
die zijn vruchten verliest door droogte
wij doen zalig niets tenzij dagdromen
met een koel glas vruchtensap binnen handbereik.
Ingrid Lenaerts
zonder MariaZij heeft Maria echt de laan uitgestuurd
zomaar zonder meer.Zij is zichzelf niet meer
Ze is bang van die geprojecteerde in de spiegel
Zie ze daar lopen die heks zegt ze en ze beeft
Zij daagt haar uit tot dezelfde boodschap
ze krijgt ze niet kwijt,ze meesmuilt krijst
lacht vloekt op diezelfde afstand ver of kortbij
als de kwelgeest van een ongekende tweelingzus
Ze draagt dezefde kleren die heks en huilt
uit alle weemoed dezelfde ogen rood
Ze blaast haar warme adem in het gezicht
reikt haar de hand.De andere blijft koud
zo eenzaam dichtbij.
Ingrid Lenaerts

De zon weerkaatst fel
het licht straalt echt verblindend
over de gladde zee
Ingrid Lenaerts
Jouw stemJouw stem wandtapijt
behangt zacht alle kamers
warmte in mijn hart
taal als instrument
deel van een groot orkest vraagt
zijn wij thuis geland
Ingrid Lenaerts
In het parkBomen in het park
ze groenen in mijn ogen
herboren krachten
Bomen over de beek
ze fluisteren nu woorden
zonnedauw zo vroeg
Ingrid Lenaerts
spiegelSpiegel en bruid zijn nog niet tevreden
de jurk leeft een zelfstandig bestaan
wordt niet geduld dient zich aan te passen
het bolwerk van de bruid wordt gecorrigeerd
tot zij er glanzend en stralend uitziet
een paar weerbarstige lokken zoeken nog vrijheid
en nu maar aftellen tot de bruidegom verschijnt
alleen het trouwboeket laat nog op zich wachten
en natuurlijk de bruidegom die ongeduld trappelt
al sinds een slaaploze nacht vol verwachting
of twijfel
Ingrid Lenaerts