Naar de inhoud

Jancha's verhaaltjes.

Kinderverhaaltjes
akke.beakke.be

Archief

Het grote verdriet.

Stil zat Tom voor zich uit te kijken. “Wat is er toch met die jongen aan de hand?” dacht zijn moeder. Maar Tom wist het wel, hij kon Mariana niet vergeten. In zijn dromen zag hij steeds haar mooie blauwe ogen en haar prachtige blonde haar. Haar lieve lach hoorde hij de hele dag. Als hij ging vissen keek hij goed rond, maar nooit zag hij haar weer. Alle mensen uit het dorp hadden hem wat geld gegeven, zo dat hij een nieuw bootje kon kopen. Daar was hij erg blij mee, maar toch kon hij niet gelukkig zijn. Altijd zagen ze hem alleen op het strand zitten, en naar de zee staren.”Wat is die Tom toch vreemd geworden” zeiden ze.”Hij kijkt nooit meer vrolijk“. “Jongen toch”, zei z’n moeder; “Je kunt toch niet blijven treuren om iets wat toch niet kan. Kijk eens in het dorp, daar zijn zo veel lieve meisjes”. Maar Tom kon Mariana niet vergeten en alleen maar aan haar denken. In het zeekasteel treurde Mariana ook om Tom. Haar vader zag hoeveel verdriet zijn kind had. De zusjes probeerden haar op te vrolijken, maar niets hielp. Ze werd mager en bleek. Zo kan dat niet langer dacht vader. Op een dag toen Mariana weer ziek en bleek in bed lag, ging hij naar haar toe.”Kind zo kan het niet langer; wil je dan zo graag naar die jongen Tom toe?” “Ja”, snikte Mariana, “ik houd van hem. Ik kan hem niet vergeten”. ”Goed ik ga naar de toverkrab, eens kijken of zij er iets op weet. Maar het kan wel wat dagen duren, want ik moet haar zoeken”. Blij riep Mariana: “Vader, misschien kan er een oplossing komen”. “Ja, ik zie wel dat het zo niet door kan gaan!” En zo ging vader op weg. Na dagenlang zoeken vond hij de toverkrab eindelijk in een kleine inham onder het zeegras. Die keek wel heel verbaasd op, de zeekoning die hem kwam zoeken. Al snel werd het hele verhaal verteld. De krab dacht eens goed na. “Ja, we zouden in dit geval kunnen proberen om Mariana benen te geven.” Het is wel zo, dat ze dan nooit meer een zeemeermin kan worden en in het zeekasteel kan wonen”. Bedroefd knikte vader “Ja dat had ik ook al bedacht!”. Afscheid nemen van zijn kind viel hem zwaar. Maar haar zo ongelukkig zien, dat kon ook niet. ”Zij zal in een klein dorp naast de jongen komen, en daar moet ze leren als een gewoon meisje te leven en te werken. Ze moet zelf kiezen. Een weg terug is er niet meer”. Na velen dagen kwam vader weer thuis in het zeekasteel. Hij ging Mariana vertellen wat de toverkrab gezegd had. Na lang denken besloot Mariana om te vertrekken. Met tranen in haar ogen nam zij afscheid van haar vader en de zusjes en bedankte zij hen voor alles wat zij voor haar gedaan hadden.”Denk aan ons, meisje, en vergeet ons niet!” En zo zwom zij een vreemde toekomst tegemoet!

Wordt vervolgd.

Geschreven door janny om 00:00 Reageer op dit bericht

Mariana ontdekt de wereld.

De zon scheen warm op Mariana’s gezicht. Even deed zij haar ogen open,maar snel weer dicht door het felle licht. Langzaam probeerde ze door haar oogharen te gluren. Waar was ze toch? Ze voelde eens voorzichtig met haar hand naast zich, en voelde zand. “Ik lig op het strand” dacht ze. “Ik heb hier geslapen!” Ze begon eens rond te kijken. Haar ogen gingen naar haar staart. Verbaasd keek ze nog eens goed: haar staart was weg! Ze had benen! Wat was ze blij! Ik ben nu een echt meisje met mooie benen! Langzaam stond zij op en probeerde te lopen. Eerst was het wat vreemd maar al gauw ging het beter. In de verte zag ze een boerderij. “Daar ga ik heen” dacht ze. Misschien wonen daar mensen die mij kunnen helpen, en die weten wat ik doen moet. Verlegen klopte zij later bij de boerderij aan. “Wie is daar?” riep een stem. En daar deed een aardige boerin de deur open. “Dag mevrouw” zei Mariana beleefd.”Ik kom eens vragen of u werk voor mij heeft. Want ziet u, ik wil graag van alles leren”! “Kind, kom toch binnen. Natuurlijk kan ik op zo’n grote boerderij wel wat hulp gebruiken. Ik vind het leuk om je van alles te leren. Ik heb zelf geen dochtertje. Wat zie je er lief uit”! “Dank u wel” zei Mariana, want ze vond het een mooi complimentje. Het deed haar aan Tom denken, want die zei dat ook altijd. “Maar als je wilt, gaan we eerst wat eten” zei de boerin. Ja dat wilde Mariana wel,want nu voelde ze toch ook honger. Zo werden twee heerlijke boterhammen klaar gemaakt met kaas en een glas melk.”Wat is dat?” vroeg Mariana. “Maar kind ;weet je dat niet? De melk komt van de koe, en van melk kunnen we ook kaas en boter maken”. Voorzichtig proefde Mariana een klein hapje. ”Ja dat vind ik erg lekker “ zei ze. Toen ze klaar waren met eten zei de boerin: “Nu gaan we de koe melken”, en samen gingen ze naar buiten. Wat schrok Mariana van dat grote zwart-witte beest. ”Je hoeft niet bang te zijn hoor” zei de boerin.”Kijk, aai haar maar eens over de neus. En kijk maar eens goed hoe ik de koe ga melken”. De boerin pakte een klein stoeltje en ging bij de koe zitten. Weldra spoot de schuimende melk in de emmer. “Kom het ook maar eens proberen”! Dapper ging Mariana ook bij de koe zitten, en ja wel hoor, zij kon het ook. “Je doet het prima” zei de boerin. Wat was Mariana trots. “En nu gaan we de kippen voeren. Die willen ook eten”. Wat vond Mariana dat leuk! Een moederkip met haar kleine kuikentjes die tokkend om haar heen liepen. “Kom kind, nu gaan we eten koken, want als de boer thuis komt wil hij ook lekker eten. En omdat jij gekomen bent is het een beetje feest en gaan we een appeltaart bakken . Jij mag de appeltjes schillen en dan maak ik het deeg. Je kan dan mooi de appeltjes in schijfjes op het deeg leggen, wat jam er over en dan gaat hij de oven in”. Vol verbazing keek Mariana hoe de boerin een lekkere maaltijd klaar maakte. Daar kwam de boer al thuis. “Vrouw wat ruikt het hier lekker, en wie hebben we daar”? “Dit is Mariana en ze komt hier wonen en helpen. En van alles leren. Zij wil later een heel goede huisvrouw worden”.”Dat is altijd goed”, zei de boer “en voor ons nog gezellig ook. Het is nu net of wij ook een dochter hebben”. Even dacht Mariana aan haar vader en de zusjes. Maar even later zaten ze alle drie heerlijk te smullen.

Wordt vervolgd…

Geschreven door janny om 00:00 Reageer op dit bericht

Eind goed, al goed.

En zo gingen de dagen voorbij. Mariana was al heel handig geworden. Ze kon al goed koken, en bij de boerderij helpen vond ze leuk. Op een dag werd er een klein veulentje geboren.”Die krijg jij van ons, omdat je altijd zo goed kan helpen en zo goed je best heb gedaan! “ Je mag hem zelf een naam geven. Wat vond ze het kleine veulentje lief. “Wat fijn” riep ze “Een dier van mij zelf om voor te zorgen!” Dank u wel! De boer en boerin lachten, ze waren heel veel van Mariana gaan houden. “Kijk, hij heeft een klein vlekje op zijn hoofd, ik noem hem Vlekje!” Iedere dag ging zij naar het kleine paardje. Gaf hem lekker eten en verzorgde hem goed. “Als hij groter is kun je op hem gaan rijden!”.”Maar dat mag pas, als ik het zeg ; hij moet jou goed kunnen dragen” zei de boer. Vol spanning wachtte zij op die dag.”Lieve kind” zei de boerin op een morgen, “wil je ons tante en oom gaan noemen? Dat willen wij graag.” Vol blijdschap vloog Mariana hen om de hals. Tante en oom, dat wilde zij ook graag. Ze voelde zich zo thuis bij hen. Groter en groter werd Vlekje tot de dag daar was, en oom zei “Vandaag gaan we proberen of je op Vlekje kan rijden!” Tante keek toe, zou het lukken? Voorzichtig ging Mariana op Vlekjes rug zitten. Het paard keek eens om, wat was dat ? Maar toen hij zag dat zijn vrouwtje daar zat, ging hij in een langzame draf lopen. Iedere dag ging het beter. Zo dat ze al snel alleen uit rijden kon gaan. Heerlijk vonden ze het alle twee, om zo langs het strand te draven. Op een dag toen ze weer op het strand waren, ze kon haar ogen niet geloven. Daar zag zij Tom op het strand zitten, droevig staarde hij naar de zee. Altijd zochten zijn ogen naar Mariana. “Tom!” riep zij en in een snelle draf reed zij op hem toe!. “Mariana, hoe kan dat? Altijd zoek ik je op zee! En daar ben je nu op een paard!” Lachend sprong Mariana in zijn armen en vertelde hem het hele verhaal. ”Nu wil ik die tante en oom leren kennen: die zo goed voor je gezorgd hebben.“ “Ik wil ook jouw moeder leren kennen” zei Mariana. En zo gebeurde dat ook. Allemaal bij elkaar gekomen, hoorde ze in volle verbazing het hele verhaal aan. Na een maand was er groot feest, want het jonge paar ging trouwen. Wat waren zij gelukkig! Mariana vergat haar vader niet. Want iedere dag ging zij met Tom naar de zee en gooide een rode roos in het water. De zusjes haalden hem dan op en brachten hem naar vader. Zo wist hij dat het goed ging met zijn lieve dochter. ‘s Avonds glinsterde het zeekasteel prachtig rood, door alle rozen die de zeekoning voor het raam had gezet. Iedereen wist dat de rozen van Mariana kwamen. En het kasteel heette voortaan Mariana’s rozenkasteel.

Geschreven door janny om 00:00 Reageer op dit bericht

De tweeling.

Ik heet Sonja en ben zes jaar oud. Mijn zusje heet Nola en zij is ook zes jaar oud. Wij zijn een tweeling. Eigenlijk heel gek, als ik in de spiegel kijk, dan zie ik Nola. Wij zien er precies het zelfde uit, alleen ik heb een klein moedervlekje op mijn voet. Toen wij klein waren vond ik het wel leuk om een tweeling te zijn. Iedereen keek naar ons en we kregen meestal wel snoepjes en ze vonden ons heel lief.

Maar nu vind ik het helemaal niet leuk meer. Mijn zusje is helemaal niet aardig tegen mij! Toen wij nog klein waren wilde zij altijd spelen met iets waar ik net mee aan het spelen was. Dat vond ik niet altijd leuk maar ik gaf het dan ook maar aan haar. Maar nu ik naar school ga is het anders. Altijd als ik weer eens een vriendinnetje heb probeert zij die af te pakken en het lukt haar meestal ook. We zitten op school naast elkaar. Als we dan een taallesje moeten maken ; dan pakt ze snel mijn lesje af waar ik zo mijn best op heb gedaan en geeft ze haar lesje wat helemaal niet goed is aan mij. Ik heb wel eens iets aan mama of papa verteld maar dan vind ik mij zelf een klikspaan dus doe ik dat maar niet meer.

Op een dag liepen wij van school naar huis en hoorde wij een zielig miauwen. Snel ging ik kijken. Een klein poesje was in het water gevallen; ik pakte haar snel want het lag mooi aan de kant te spartelen en zo kon ik haar mooi redden. Snel pakte Nola het poesje van mij af. Hard lopend liep ze er mee naar huis. Thuis gekomen riep ze: “Mama, ik heb een poesje uit het water gered. Mag ik het houden?” “Kind toch” zei mama, “wat ben je toch een flink meisje. Je mag het poesje houden en het is nu van jou”. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen maar ik wilde niet huilen. Ik wilde ook flink zijn! Op een dag toen wij naar school liepen was zij mij weer zo aan het plagen. Ik mocht niet meer met het poesje spelen. Huilend liep ik weg. Ik had zo veel tranen in mijn ogen, dat ik niet zag dat er een auto aan kwam. Ik hoorde Nola nog gillen en roepen: “Sonja kijk uit!” maar het was al te laat. Daarna voelde ik niets meer. Ik werd weer wakker in het ziekenhuis en zag mama en papa met Nola staan. Wat zagen zij wit! De dokter had op een foto gezien dat mijn been gebroken was. Daarom moest er gips om heen. Ik had ook hoofdpijn en daarom moest ik een week in het ziekenhuis blijven. Ik vond het wel niet zo leuk, maar ik dacht wel: “Hier kan Nola mij niet meer plagen”. De andere dag kwamen mama, papa en Nola mij bezoeken. En wat ik zag: Nola helemaal in tranen. Snikkend zei ze: Ïk heb alles verteld want ik heb er zo’n spijt van. Ik zal je nooit meer zo plagen”. Mama en papa waren heel verbaasd geweest. Dat Nola wel plagen kon dat wisten ze, maar dat het zo’n plaaggeest was dat wisten ze niet! De dokter die ook alles gehoord had zei: “Het is ook een beetje je eigen schuld, je moet leren om voor jezelf op te komen en niet alles goed vinden. Wil je dat onthouden Sonja?” En of ik dat wilde. Nola zei: “Nu gaat alles anders worden, dat beloof ik”. Na een weekje mocht ik naar huis en kreeg allemaal mooie cadeautjes. Het was wel een beetje moeilijk om met mijn been in gips te lopen, maar Nola was de eerste die mij hielp. Na een poos mocht het gips er af. We spelen nu samen met de vriendinnetjes en het poesje is van ons allebei. Nu vind ik het weer fijn om een tweeling te zijn. Nola is nu mijn liefste zusje, mijn grootste vriendin en we kunnen heerlijk samen spelen.

Geschreven door janny om 00:00 Reageer op dit bericht

Paniek bij de zwarte pieten.

“Het boek van Sint-Nicolaas is gestolen!” riep de regelpiet.”Ik kan het nergens meer vinden”.”Wat erg!” riep de kleinste piet. “Wat vervelend nu!” riep de regelpiet. “Ik heb het echt goed opgeborgen. Ik snap er niets van. We moeten het aan Sint-Nicolaas vertellen. Wat zal hij dat erg vinden”! En zo gingen ze allemaal naar Sint Nicolaas om de slechte boodschap te vertellen. Sint Nicolaas schrok daar ook wel even van. “Ik kan dat boek niet missen, dat weten jullie”.”Kunnen we de speurclub van vier niet om hulp vragen?” vroeg de denkpiet. “Ja dat is een goed idee. Dat gaan we doen” zei Sint Nicolaas. En zo ging bij Micha de telefoon. Snel nam hij op. Vol verbazing hoorde hij het verhaal van de regelpiet aan.”Natuurlijk wil ik mijn best doen om het boek zo snel mogelijk te vinden”. Want dit was een ramp voor Sint Nicolaas en ook voor de kinderen. “Wij gaan onmiddellijk aan de slag om het boek op te sporen”. Vlug telefoneerde hij de clubgenoten Koen, Sonja en Nina. Snel kwamen ze bij elkaar en bedachten een manier om de dief op te sporen. “We vragen eerst de kinderen uit de buurt of zij iets verdachts gezien hebben” zei Micha. “Wacht eens!” zei Nina. “Nu we het er zo over hebben: het is mij de laatste tijd opgevallen dat Kees zo vreemd doet! Er moet iemand belang bij hebben om het boek te stelen. En Kees haalt allerlei kattenkwaad uit en plaagt veel mensen en kleine kinderen. En als ik zeg dat hij zo niets van Sint Nicolaas krijgt, lacht hij mij uit en zegt dat hij het grootste cadeau krijgt“. “Dat is vreemd” zei Micha. “Ik ga eens op de computer kijken of het boek soms te koop aangeboden wordt aan kinderen die ook niet al te braaf geweest zijn. En Koen, speur jij eens wat rond het huis van Kees”. En wat zag Koen daar? In een schuurtje bij het huis zat Kees met rode oren van spanning in het boek van Sinterklaas te lezen. Snel rende Koen naar Micha. “Ik heb het gezien, Kees zit in de schuur bij hem thuis in het boek te lezen”. “Dat klopt” zei Micha. “Ik heb ook gezien dat hij het te koop aanbiedt. Sonja en Nina, schrijven jullie samen een brief en zeg daarin dat hij het boek onmiddellijk bij ons moet bezorgen, omdat wij anders naar de politie gaan. Geef die morgen aan Kees op school!” Toen het ‘s avonds donker werd sloop Kees met het boek mooi ingepakt naar het huis van Micha, belde aan en liep toen snel weg. Micha vond het direct, want hij had wel gedacht dat het zo zou gaan en zo kwam het boek tot grote blijdschap van Sinterklaas en de pieten weer netjes terug waar het hoorde. En denken jullie nu dat Kees een groot cadeau kreeg? Hij kreeg helemaal niets! “Dat is zijn verdiende loon” vond Sint Nicolaas. ”Zo is het” vonden de pieten.

Geschreven door janny om 00:00 Reageer op dit bericht

Een mooie Kerst voor iedereen.

 

 

Een mooie Kerst voor iedereen.

 

Wat is er toch jongen, waarom loop jij je toch zo te vervelen?

Boos antwoordde Jaap: "Iedereen gaat naar de wintersport. Ik hoor als zij terug komen alle leuke verhalen. En wat heb ik? Niets! Ik heb niemand om mee te spelen".
"Waarom ga je niet in je kamer spelen? Je heb zo veel mooie leuke spellen en een mooi boek gekregen op sinterklaasavond".
"Nee, daar heb ik geen zin in!" En boos liep hij de deur uit, roepend: "Ik ga wel naar buiten!"
Nijdig liep hij de straat uit de singel op. Mopperend liep hij door, denkend: "Wat moet ik nu? Bah, wat is dit een nare tijd!" Iedere keer als hij een steentje zag schopte hij het weg. Nors en boos keek hij. Daar zag hij een wat grotere steen en hopla, die ging tegen een grote doos.
"Wat is dat?" hoorde hij. Daar kroop een jongen uit de doos.
Wat was die dun gekleed en wat zag hij er koud en hongerig uit!
"Waarom zit jij in die doos"? 
"Ja, wat denk je? Niet voor mijn plezier".

"Je gaat er toch zelf in?" zei Jaap.
"Ja, jij kan makkelijk praten. Kijk maar eens, je hebt een mooie dikke jas aan en warme schoenen, en je ziet er ook niet naar uit dat je honger hebt".
"Nee", zei Jaap en keek eens naar zijn jas en schoenen. "Waar kom jij dan vandaan, en slaap je dan ook in die doos?" 
"Ja, ik ben weggegaan bij mijn ouders. Waar wij wonen is er altijd oorlog en er was ook geen eten meer. Ik ben de oudste van de kinderen. Ik heb mij steeds in auto's verstopt en zo ben ik hier terecht gekomen! Maar waar ik heen moet weet ik niet. Daarom slaap ik in die doos".
"Hoe heet je dan?" 
"Ach, noem mij maar Don. Dat vind ik wel een mooie naam."
"Weet je wat?" zei Jaap opeens, "Ga met mij mee naar huis. Mijn moeder heeft wel wat te eten, en ook wel wat warme kleding". 
"Ja, ik ben niet gek! Stel je voor dat je moeder naar de politie gaat. Dan moet ik weer terug naar mijn eigen land!" 
"Nee hoor, dat doet ze niet, dat beloof ik je." zei Jaap.
"Ja, dan ga ik maar mee, want ik kan het zo ook niet langer uithouden".
Wat keek moeder verbaasd op! Met wie kwam Jaap daar nu aan en wat ziet die jongen er zielig uit. "Mam, dit is Don. Ik heb hem gevonden in een grote doos op straat".
"Maar jongens toch, kom vlug binnen".
Verbaasd keek Don naar de grote mooie keuken. En wat rook het daar lekker!
"Kan hij wat eten krijgen en wat warme kleren van mij"? 
"Ja, kom maar mee. Ga eerst maar lekker onder een warme douche, want dat is wel nodig zie ik!" Een poosje later...kwam er een heel andere jongen binnen. Gretig hapte hij in de lekkere boterhammen die moeder klaar gemaakt had. Dankbaar keek hij rond en zei: "Wat heeft u het mooi hier! Ik voel mij nu zo heerlijk warm".
"Hij mag hier toch wel blijven mam"? 
"Ja, ik ga dat vanavond met je vader bespreken, hoe we dat kunnen gaan doen. Want zo kan het met hem niet door gaan".
"Ja" zei Jaap "dat vind ik ook en weet u het is bijna Kerstmis, dan moeten alle mensen het toch fijn hebben. Ik schaam mij wel dat ik zo ondankbaar ben geweest!" 
"Maar gelukkig heb je Don gevonden" zei moeder. "Voor hem gaan we goed zorgen en aan zijn ouders sturen we een groot kerstpakket,  zodat ze met de kerst lekker kunnen eten".
Met stralende ogen keek Don hen aan. "Kan ik er dan ook een brief bij doen voor mijn ouders?" "Natuurlijk, en wens ze fijne Kerstdagen.        

Geschreven door janny om 00:00 Reageer op dit bericht

Als ik een poesje was.

Wat zou het heerlijk zijn

als ik een poesje was.

Dan kon ik lekker luieren

op de vensterbank of kast.

 

Ik kan gaan liggen spinnen

in het gras of het balkon.

Uren turen naar de vogels

en genieten van de zon.

 

Ook de hond wat zitten pesten

wanneer ik mij eens wat verveel.

Hoef verder alleen maar lief te kijken

Voor een knuffel of een streel!

 

Ja, wat een luizeleven

wanneer je een poesje bent.

En krijg ik ook nog wat te eten

ben ik helemaal tevreden.

 

Shaduw

 

 

Geschreven door janny om 00:00 Reageer op dit bericht

Het onweermonster.

"Naar bed kind, het is tijd. Morgen moet je weer op tijd opstaan om naar school te gaan. Je weet hoe slecht je 's morgens uit je bedje kan komen."

"Nee, ik wil nog niet. Ik ben bang, het gaat vast onweren. Ik wil bij jullie slapen." zei Josje.
"Wel nee" zei vader. "Daar wordt je veel te groot voor, gewoon in je eigen bed".

"Maar ik ben bang". "Voor onweer hoef je niet bang te zijn. Kom we gaan naar boven"'.
Mokkend ging Josje mee. En weldra lagen ze alle drie in diepe rust.
Opeens werd Josje wakker. Luisterend keek ze de donkere kamer in. Hoorde ze daar in de verte een gerommel? Angstig keek ze rond. Ja daar verlichtte een bliksem haar kamer. De regen en wind begon tegen haar raam kletteren. Opeens rukte de wind haar raam open. Sidderend van angst keek ze toe: wat was dat nu? Een groot zwart ding sprong haar kamer in.
"Zo. Even uitrusten!" hoorde ze zeggen.
"Wie ben je?" fluisterde ze met grote angstogen.
Nu zag ze het goed. Een groot zwart monster keek haar met fonkelende ogen aan.
"Ga weg" huilde Josje, "ik ben bang van je!"
"Waarom ben je bang van mij? Ik doe je toch niets. Ik ben een onweermonster; van mij moet je niet bang zijn hoor! Wij maken het onweer". 
"Maar die harde klappen dan?" zei Josje.
"Ja dat doen wij onweermonsters. Dat vinden wij leuk. De wind probeert ons te vangen, wij rennen en springen langs de hemel. En als die je die lichtflitsen ziet dan botsen wij tegen elkaar op, o zo leuk! En regen, dat vinden we heerlijk. Je kunt dus altijd fijn in je bedje blijven liggen en naar ons luisteren, want je weet nu dat wij heel veel  plezier hebben. Maar ik nu ga ik weer verder. Ik ga het raam weer uit, doe jij het maar achter mij dicht.... En Josje, niet meer bang zijn. Laat ons maar lekker spelen. Daaaag! Ga jij maar weer lekker slapen Josje". 
"Dag onweermonster. Ik zal nu nooit meer bang zijn voor onweer. Ik weet nu dat jullie gewoon lekker aan het spelen zijn.....daaaaag!"

Geschreven door janny om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Jancha's verhaaltjes.

↑ Terug naar de berichten