gedicht
Als ik een engel was, met vleugeltjes zo mooi,
als ik kon vliegen tussen jou en tussen god,
dan zou ik je bevrijden uit je kooi
voorgoed bevrijden van je lot
Dan zou ik zeggen lieve schat
niet langer nog getreurd.
Geen zorgen meer omdat
iets goeds nu is gebeurd.
Dan kon je weer lopen,
net als iedereen.
Dan kon je weer hopen,
gedaan met het geween.
Dan gingen we dansen,
ja jij en ik.
Dan had je weer kansen,
dan had je weer schik.
Maar vliegen kan ik niet,
ik ben geen engeltje van god.
Wat blijft dat is verdriet,
en dat, dat is mijn lot.
Pas acht jaar oud, met zoveel pijn,
aan een stoel voorgoed gekluisterd.
Waarom moest dit voor jou zo zijn,
waarom heb je niet geluisterd.
Toen mamma zei, schat kijk uit,
er komt een auto aan gereden.
Ik schrok enorm, jij gilde luid,
toen jij werd overreden.
Nu zit je daar, zo jong en teer,
nooit zul jij meer lopen.
Maar je leeft en ik bid tot de heer,
en blijf voor altijd hopen,
dat op een dag ik vleugels krijg,
en jou weer kan bevrijden.
Als ik ooit naar de hemel stijg,
verlos ik je uit je lijden.
Dan laat ik je dansen,
echt keer op keer!
Dan pas beginnen jouw kansen,
want dan, dan loop je weer!
jepico






