Het gedeelte van de Hoogstraat van aan de Elderberg tot aan de Achtersten bos werd wel eens de Vinkstraat genoemd. Daar hadden we een aantal buren.
Eerst was er de boerderij van Polit van Dolves (Hypoliet Van Mulders) met zijn zoon Julien en diens vrouw Yvonne. De vrouw van Polit kan ik mij niet herinneren. Hij was onder andere eigenaar van de grote weide rechtover ons hofgat. Doordat we die weide vaak en ongevraagd voor onze sportactiviteiten gebruikten, gingen we soms met Polit in de clinch. Maar zo contreire was hij niet. Hij was, zelfs op latere leeftijd, vrij sportief. Zo liep hij elke morgen naar de kerk. Hij was ook, als lid van de kerkfabriek, één van de flambiedragers tijdens de processie door de kerk vóór de hoogmis van de eerste zondag van elke maand.
Rechtover Polit stond het wellicht meest recente huis van de Vinkstraat : dat van Marcel van 't hoeksken (Marcel Schoonjans), zijn vrouw Maria en hun twee dochters Denise en Christiane. Marcel verkocht allerlei gerief voor de boeren : plantsoen maar ook sproeistoffen, DDT en zo van die dingen. Bij Marcel gingen de buren ook allemaal telefoneren, simpelweg omdat hij de enige telefoonbezitter van de Vinkstraat was.
We zegden Marcel van 't hoeksken omdat hij op de hoek van de Hoogstraat en de Bevenhoutenbaan woonde. Dit was een smal straatje dat via een ommetje langs de 'Zwanennest' terug op de Hoogstraat uitkwam.
Vooraan in die baan stond het huis van de familie Biggenaat (Buggenhout) met vader Sooi, moeder Rozeken en een heleboel kinderen waarvan ik er mij maar twee echt goed herinner : Raken (Laurent) en Jef. Alle leden van deze familie hadden een wat rauwe ziel maar een gouden hart en doodbraaf. Wat het beroep van Sooi was weet ik niet, maar hij was een gepatenteerde stroper. Hij was ook de man die onze gekweekte konijnen panklaar maakte. Hij nam daartoe het diertje bij zijn nekvel uit de mand en geen tien seconden later hing het – dood - te bengelen aan een balk. Via een feilloos uitgevoerde handbeweging rok (de nek breken) hij het diertje en strieëpte (het vel afdoen) het nadien vakkundig.
Raken Biggenaat is nog bokser geweest in een club in Moorsel en heeft daar een voor eeuwig geschonden oog aan overgehouden. Van hem hebben we één bokswant gekregen, een bruine, opgevuld met zoiets als stro. Ik kreeg ooit tijdens een echte bokswedstrijd met ik weet niet meer wie een kezze op mijn neus met die want, het water stroomde zo uit mijn ogen.
Jef Biggenaat was een vriend van onze Jaak en kwam die vaak 's morgens roepen om samen naar school te gaan. Ze zongen dan eerst nog een liedje waarbij Jaak henzelf op de piano begeleidde.
Voorbij Dolves komen we bij andere boeren, bij Lowiekes. Hier woonden Edgard De Clerck en Finne samen met de moeder van Finne, Genie, en hun rondborstige, goedlachse, lieve dochter Maria. Hier kwam ik vaak achter melk. Ik ging er graag omdat het zo'n vriendelijke mensen waren. Ze deden heel graag een babbeltje, wilden alle nieuwtjes weten maar deelden ook graag in hun verworven kennis. Er was één groot probleem : Genie was bijna doof en wilde o zo graag deelnemen aan de gesprekken.
Rechtover Lowiekes woonde Peke Moens en zijn vrouw Josine Putteman, wij zegden bij Pittemans. Daar kan ik mij nog maar weinig van herinneren.
Naast Lowiekes woonde de sjampetter, Frans De Gols, zijn vrouw Tinne, zoon Oscar en dochter Alice. Hoewel de sjampetter geen vlieg kwaad zou doen, boezemde hij door zijn functie en kledij toch ontzag in. Ik heb hem ook nooit zonder pijp gezien, ook niet als hij in zijn kerselaar de beste kersen van Baardegem en omstreken aan het trekken was. Elk jaar mocht ik van ons moe, tijdens het seizoen, een paar keer een halve kilo gaan kopen. Ik meen mij te herinneren dat zij 10 frank de kilo kosten.
Naast Pittemans en schuin rechtover de sjampetter woonde in een soort vierkantshoeve Zaugers Fong (Alfons De Gols, de broer van de sjampetter), zijn vrouw Josephine, zijn moeder Thans en hun kinderen Jeanne, Jef, Maria, Yvonne, Marcel, Marie-Louise, Lucienne en Magda. Fong was ook een beetje boer maar vooral een natuurmens. Vaak was hij op wandel in de velden en den bos van de Bevenhouten met een geweer rond zijn schouder. Later bouwde Fong een nieuwe woning rechtover zijn oude woonst.
Schuin rechtover de oude woonst van Zaugers woonde Voskes Maria (Maria De Vos, weduwe van Zaugers Louis), die in 1946 haar zestienjarige zoon Frans verloor (hij verdronk in Westende), en nog vier andere kinderen had : Adeline (later getrouwd met Berken Ruyssinckx), Marcella, Hélène en Maurice, die nog bij de para’s is geweest.
Iets voorbij Zaugers woonde Jef den bakker (Jozef Vinck) met zijn vrouw Leonie, en later ook hun dochter Julienne en schoonzoon Paul (over Jef vertel ik later uitgebreid).
Voorbij Jef den bakker begon de bloemisterij van Poerens, die van nonkel Alfons en nonkel Zjeen (zie 'Meters').
Tussen Maria van Zaugers en 'den droë' (de draai, een bocht van meer dan tweehonderd zeventig graden) was er enkel een stuk land van Auëremans Leo of Leo de patattenmarsjang, het 'Langewegsken' en de hof met de betonnen platen van mieësters (meester Moortgat). De oudste meisjes van één van de dochters van de oude meester Moortgat, Minette, brachten in Baardegem hun vakantie door en waren kind aan huis bij ons. Na de hof van mieësters was er de weide van Dobbeleirs. In den droë begon de gracht weer in open bedding te lopen en was er nog een strookje vogelwei. Dan kwam de baun en ons huis. Op het einde van de doodlopende baun stonden twee huizen.
Het eerste was eigendom van Frans van de poët (Frans Cornelis) met zijn vrouw Fille en kinderen Yvonne, Louis, Maurice, Maria, Camilla en Zulma, stille, brave mensen. Eigenlijk moet je dat stille niet heel letterlijk opnemen want op geregelde tijdstippen gaf Maurice een demonstratie van zijn kunnen op een accordeon, een instrument dat hij volmaakt beheerste.
In de laatste huis woonde Frans De Bolle met zijn vrouw Yvonne Pots en hun zeven kinderen : Raymond, Gaston, Oktaaf, Pierre, Johnny, Viktor en Monique. Er waren ook drie kindjes gestorven. De doop van de vier jongste kan ik mij nog goed herinneren omdat er dan nog de gewoonte was dat de peter en de meter van het pas gedoopte kind suikerbollen uitgooiden voor de kinderen van de buren.
Frans was werkman in de Manta. Iedere dag reed hij met zijn zware baunvelo naar zijn werk in Opwijk. Ik denk niet dat hij in zijn loopbaan veel dagen afwezig is geweest, tenzij misschien de woensdag na de jaarmarkt van Faubourg kermis. Die dinsdag vertrok Frans 's morgens naar de jaarmarkt en kwam hij 's avonds goe gelauën thuis. Één maal per jaar dus gooide hij alle remmingen overboord en vergat hij zijn ouderlijke plichten. Alle andere driehonderd vierenzestig dagen was hij een plichtsbewust huisman en vader, een beetje stuurs en nors voor zijn omgeving, maar met een goed hart. Yvonne, zijn vrouw, was een heel lieve vrouw en met zekerheid een schat van een moeder.
De oudste kinderen van De Bolle waren de enige uit de Vinkstraat van mijn leeftijd (behalve Lucienne en Magda van Zaugers, maar dat waren meisjes en daar had ik op dat moment maar weinig aan).
Met hen heb ik mij ongelooflijk geamuseerd : in den bos een tent maken en oorlogje spelen, poiten (kikkers), dikkopkes, pepels (vlinders) en biekes pakken, gaan vissen in de Bevenhouten- en Molenbeek, in de riejten (rootputten) gaan plonsen. Alles hebben we gedaan, als het maar natuurgebonden was. Dus geen sport, dat was eigenlijk al een beetje te beschaafd voor hen. Ze hadden niets boosaardig in zich, maar toch hadden ze, op zijn zachtst gezegd, een andere manier van converseren en praten over bepaalde zaken. Ze durfden wel al eens ne godver aftrekken en over hun pait (vader) en mojer (moeder) praten. En voor alles wat om en nabij de erogene zones van de man ligt, hadden ze veel verschillende benamingen en uitdrukkingen die ik nooit zou gebruikt hebben. En voor iedereen, broers en vrienden, vonden ze een gepaste bijnaam. Ze gebruikten die dan vooral als ze kwaad op die persoon waren, om hem te verwijten dus. Zo zegden ze dan tegen mij protteken omdat ik een nogal zwaar achterwerk had.
Naast ons woonde de familie Gribbe : vader Beir (Albert), moeder Sylvie en kinderen Gust, Hendrik, Oscar en Madeleine. Veel kan ik er mij niet van herinneren, behalve hun verhuis, eind jaren veertig, vermoed ik. Ik weet dat ons moe héél triestig was omdat ze haar goede buurvrouw verloor. Nadien is het huis blijven leeg staan op een klein intermezzo van een paar maanden na, toen Albert Roggeman en zijn vrouw met hun zoon Eddy daar woonden in afwachting dat hun huis op het dorp af was. Dat 'leeg huis' was, zoals al geschreven, een zegen voor ons.
Dan was er nog één huis vóór den Achtersten bos en daar hebben veel verschillende mensen in gewoond : Arthur Van de Winckel, dan Isidoor Verhaegen en later Albert Heyvaert en Albertine met hun kinderen Willy, Annita en Marina. Dat zijn de bewoners die ik mij het best herinner. Albert was buschauffeur op de lijn Londerzeel-Aalst en een verwoede duivenmelker. In de jaren zestig verhuisden ze naar Malderen. In datzelfde huis woonden later nog : Nicole van Willyke Jacobs, een rijkswachter van de brigade Asse en de moeder van Albertine. In de jaren 70 keerden Albert en Albertine terug. Marina en Annita waren al getrouwd en er was een vierde kind bij, Dirk, die er nu woont.