Het kerkelijke jaar
Wij leefden in ons gezin echt op het ritme van het kerkelijke jaar : de Advent, Kerstmis, de Vasten, de Goede week, Pasen, Ons-Heer-Hemelvaart, Pinksteren, Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart, Allerheiligen, plus al de afgestelde heiligdagen. Behalve een religieus was er vaak ook een culinair aspect verbonden aan één van die feestdagen. Lichtmis en Allerheiligen bijvoorbeeld stond gelijk met wafelen bakken.
De Vasten, de veertig dagen vóór Pasen, was echt nog een periode van verstervingen doen. Persoonlijk at ik een beetje minder boterhammen en snoepte ik wat minder. Voor onze Herman bijvoorbeeld, was dat veertig dagen niet roken. Ik herinner mij dat hij op paaszaterdag om twaalf uur ’s middags (toen eindigde de Vasten) klaar zat, zijn sigaret en stekskes bij de hand, klaar om terug te roken ! Tijdens de Vasten ging ik ook elke zondag naar het lof en de lange Vespers. Ik denk dat die beide zaken samen ongeveer twee uur in beslag namen.
Tijdens de Goede Week vertoefde ik een respectabel aantal uren in de kerk, maar dat stak mij niet tegen. Ik probeerde mij zo goed mogelijk die laatste uren van Jezus in te beelden en hoe kon ik dat beter doen dan door de kerkdiensten van die week allemaal te volgen. Vooral het lang evangelie met het lijdensverhaal dat op Palmzondag en op Goede vrijdag werd gelezen, sprak mij zeer aan, en volgde ik aandachtig in mijn missaal.
In mijn vroege kinderjaren was het vertrek van de klokken naar Rome een hoogtepunt. Dat gebeurde op Witte donderdag in de mis tijdens de Gloria : het orgel speelde op volle kracht, de misdienaars rinkelden met alle mogelijke bellen, de klokken (in zoverre er bij ons sprake was van klokken) begonnen te luiden en dan viel alles ineens stil en weg waren ze, de klokken, naar Rome de eieren gaan halen. Die dropten ze de morgen van paaszaterdag vakkundig in één of andere palmij-struik of in een hilleken op onze boomgaard, één keer zelfs op ons keukentafel (maar toen was het zéér slecht weer). Elke paaszaterdagmorgen riep onze Miel of Herman van beneden : ‘De klokken zijn hier’ en ik zag vanuit mijn bed door het dakraam die klokken werkelijk voorbijvliegen.
Op Goede vrijdag om 3 uur in de namiddag loeide er een sirene en stopte men een paar minuten met werken. Ons moe en ik gingen dan in de kamer een paar weesgegegroeten lezen voor het grote schilderij met Jezus aan het kruis dat papa geschilderd had.
Van Allerheiligen herinner ik mij dat wij na het lof naar het kerkhof gingen en dat, tegen dat we thuis kwamen, ons moe wafelen had gebakken. Ik weet niet meer waarom, maar met Allerheiligen bracht telkens Jan van Mauzel (Jan Michiels), een oude schoolmakker van onze Miel en Herman, ons een bezoek en at hij wafelen mee.
Met Kerstmis gingen mijn broers en zus te voet naar de nachtmis in het klooster Affligem. Ze deden dat in gezelschap van een grote groep van leeftijdsgenoten. Ik was nog te klein om mee te gaan en benijdde ze enorm. Toen ik wat groter was, was deze mooie traditie in onbruik geraakt.
De zaterdag vóór elke eerste zondag van de maand gingen we te biechten. Dit vond ik niet de meest plezante opdracht die onze moeder de Heilige Kerk had bedacht. Ik heb wel eens gelogen en zonden uitgevonden (bijvoorbeeld aan de pillen – suiker wel te verstaan - gezeten) om toch iets te kunnen zeggen. Op het moment dat hij het vensterluikje van de biechtstoel opende, kuchte mijnheer Pastoor eens, ten teken dat ik mijn zonden mocht beginnen te belijden. Dan moest ik mijn spijt betuigen want anders was er geen vergeving mogelijk. Dat deed ik met de woorden : ‘Het spijt me o mijn Heer dat ik u heb vergramd, maar ik maak het vaste voornemen nooit meer te zondigen’ of met het volledige akte van berouw. Dan viel het verdikt van de pastoor : ‘Voor uw penitentie twee onzevaders en twee weesgegroeten’. Vaak vroeg ik dan aan diegene die vóór mij was gaan biechten : ‘Wa edde gauë gat ? ‘, waardoor ik door vergelijking kon inschatten hoeveel pillen die had gepikt.
’s Anderdaags kon ik dan in volle staat van genade te communie gaan. Dat diende, toen ik nog klein was, in de eerste mis te gebeuren, want we moesten echt nuchter zijn. Wat dus betekende dat er vanaf middernacht vóór die mis niet meer mocht gegeten of gedronken worden.













































