Naar het Kokerij
Tot zijn dood in 1954, ging ik regelmatig met mijn moeder naar het Kokerij in Meldert bij peter Alfons. Eigenlijk woonde hij in de Kerkweg maar die maakte deel uit van het gehucht Kokerij. Peter Fong was een ongelooflijk lieve, brave peter. Hij bakte zelf brood in zijn bakoven en we kregen dan altijd een paar van die grote karrenwielen mee.
In zijn erg kleine woning - hoe is het mogelijk dat daar ooit zo veel mensen hebben samen gewoond, vroeg ik mij steeds af - verbleven toen ook nog : nonkel Fil en tante Delphine (meter Mie De Craecker was gestorven in 1945).
Tegen nonkel Fil zegden we de werkman omdat hij vroeger een seizoenarbeider was die elk jaar naar Frankrijk trok voor de bietenoogst en zo’n arbeiders werden werkmannen genoemd. Hij was de ongetrouwde broer van mijn grootmoeder Mie, dus een schoonbroer van peter Fong. Hij kon ongeloflijk rauzen en kreften, had een merkwaardige vloek, potverblomme, kon zich een ferm stuk in zijn kraag drinken, maar was eigenlijk een brave man. En je kon hem geen groter plezier doen dan met een pak tabak. Ons moe deed hem dan ook altijd één van ’t Haantje cadeau. Net zoals ze dan een pakje koeken meedeed voor haar zus, tante Delphine.
Tante Delphine was de jongste zuster van ons moe. Zij was, toen ze drie jaar was, na een ziekte, doofstom geworden. Maar ze was absoluut niet dom. Bijlange niet. Ze had trouwens op een speciaal pensionaat voor doofstommen in Brussel gezeten. Ze las alle boekjes over de koninklijke familie, kon ongelooflijk goed naaien en deed daarom soms verstellingen voor ons moe.
Ze probeerde een ‘normaal’ leven te leiden : ze was zeer sociaal, ze ging bijvoorbeeld bij alle buren op bezoek, en ik ben veel later met haar zelfs eens naar een toneelopvoering geweest van een stuk van onze Marc.
Ze probeerde ook elk gesprek met haar ogen te volgen en als het te vlug ging of ze had niet kunnen kijken, vroeg ze steeds, vrij goed verstaanbaar : ‘Wat zeg ?’ of : ‘Waarom lach’, want ze dacht vaak dat er met haar gelachen werd. En als je haar naar haar goesting niet snel genoeg verstond, schreef ze het gauw op een papiertje.
Na de dood van peter bleef nonkel Fil alleen over met haar. En hoewel ze elkaar steeds beschuldigden van te hard te zagen (tante Delphine maakte dat duidelijk door een zaagbeweging over haar onderarm te doen), konden ze elkaar niet missen.
Tante Alice, een andere zus van ons moe, woonde twee huizen verder. Ze was getrouwd met nonkel Petrus (die overleed in 1952 – nog geen veertig jaar oud – aan de gevolgen van keelkanker) en moeder van Suzanne die getrouwd was met Frans Sneppe, Godelieve en Alfons (. Fong was als een broer voor mij en onze Marc en kwam veel bij ons thuis. Tante Alice was altijd optimist, zelfs in de trieste periode van de ziekte van haar man, goedlachs en gigantisch vrijgevig. Zij was de doopmeter van onze Marc en als hij met nieuwjaar zijn nieuwjaarsbrief ging aflezen kreeg hij altijd nen dikke ceng. Meestal zat nonkel Fil dan ook bij haar, al goed vantissen, met zijn hoofd op de kant van de stoof. Dan kreeg hij ervan van tante Alice : ‘Lester naa toch ne kieë as dauë joeng zènnen brief afleest’.
Tussen het huis van peter en dat van tante Alice was er nog een gebouw met stallen en een ast waar de hop werd gedroogd. Ik ben met ons moe en onze Marc nog hop gaan plukken. Dat was echt een plezante bedoening, alle buren en familieleden verzameld op het hopveld en dan maar proberen zo veel mogelijk hop te plukken, want de vergoeding gebeurde volgens een heel eenvoudige recht evenredige verdeling : hoe meer kilo hoe meer pree. Hoe groot die vergoeding was weet ik niet meer, wel dat ik van dat plukken altijd ongelooflijke honger kreeg. Maar dat was bij mij eigenlijk niet zo’n uitzonderlijke gewaarwording.
Soms gingen we nadien nog eens bij nonkel Pit die café hield op Kokerij. Nonkel Pit was ook een De Craecker, dus een broer van mijn grootmoeder. Hij had een zoon Omer, die naar Brussel verhuisde en nadien nog vrij regelmatig ons moe een bezoek bracht.
Nonkel Pit werkte vroeger aan de Spoorwegen in het station van Moorsel. Hij was getrouwd met tante Madeleine (Vertongen), die door haar schoonbroer nonkel Fil de ekster werd genoemd. Nonkel Pit woonde in bij zijn schoonouders. Zijn schoonvader was de legendarische cafébaas Schorre, bij wie heel wat scha volk over de vloer kwam, en waar nogal gul met bijnamen werd omgesprongen. Zo was bijvoorbeeld Peter Fong’s bijnaam Mèts, een verbastering van Meyst. Waarom? Peter kwam op Kokerij te vrijen en omdat hij van Moorsel kwam dacht Schorre dat hij De Meyst heette - wat eigenlijk opgaat voor ongeveer de helft van de Moorselse bevolking.













































