Naar de inhoud

Herinneringen aan mijn jeugd

akke.beakke.be

Archief

Onze Marc als reporter

In de week gingen wij, onze Marc en ik (de anderen waren al veel ouder), zeer vroeg slapen. Eigenlijk : zeer vroeg naar ons bed want slapen deden we niet altijd direct. Neen, dan was er het gloriemoment van onze Marc en het genietmoment voor mij.

Onze Marc had, hij heeft dat later overvloedig bewezen, een ongelooflijke verbeelding. Hij kon bovendien ook boeiend, verrassend, spannend en vlot vertellen.

 

Ik vond hem op zijn best als radioreporter. Hij ontwierp dan zelf een Ronde van Oost-Vlaanderen en elke dag beschreef hij een rit, Lede - Wetteren bijvoorbeeld. Hij schiep ook zelf ploegen en renners. Één van zijn toprenners was Arthur De Cabouter. Waar hij al die namen bleef vandaan halen is mij altijd een wonder gebleven, tot hij later onthulde dat hij ze voor een groot deel uit de krant en de deelnemerslijst van de beginnelingen haalde. Het toeval wil dat jaren later een zekere Arthur De Cabouter een toprenner werd.

Hij had mij met die reportages volledig in zijn macht. Als ik overdag eens dweis was tegen hem of niet wou toegeven over iets, zei hij snel : ' Ah, vanauvet gieën reportaasj'. En dat wou ik absoluut vermijden. Dus ...

Hij tastte ook mijn gevoeligheden af en op het moment dat één van zijn renners mijn favoriet was geworden, liet hij hem een paar dagen later gegarandeerd een paar minuten verliezen door een valpartij. Bovendien wist hij die avond nog niet wat de gevolgen van die kwalijke tuimeling waren en moest ik tot de volgende dag wachten om te weten wat er met mijn idool gebeurd was.

Het was allemaal zo levensecht verteld (precies gelijk als Maurice Dieudonné) dat ik op de rand af geloofde dat die ritten echt verreden werden en dat ik die koers op een dag eens in Baardegem zou zien passeren.

Wipschieten

Door de verhuis van peter Leon en tante Malvine naar zaal 'Ons Huis' nam mijn sociaal leven al snel een aanvang én een hoge vlucht.

Daar waren om te beginnen de maandelijkse (elke derde zondag van de maand om 3 uur) wipschietingen, georganiseerd door de vereniging 'De Jefkes'. In mijn grote vaderlijke bewondering heb ik lang gedacht dat die maatschappij naar papa werd genoemd. Groot was mijn ontgoocheling toen ik later vernam dat het gewoon maatschappij 'Sint-Jozef' betrof.

De schutters werden per post uitgenodigd via een kaart waarop de inleg en de prijsverdeling al stond (hoge = 100 frank, zijde = 50 frank, hoek = ...). Soms vermeldde die kaart dat er bij een groot aantal schutters, een tweede wip zou ingericht worden. 

pa%20koning.jpg
Papa was een uitstekend schutter. Hier heeft hij zichzelf tot koning geschoten (1933).

schutters.jpg
Maurice De Ridder, Jef De Clerck, papa, nonkel Zjeen, Louis Crabbe

wipschutters.jpg
'De Zjefkes'. Op de 2e rij : Miel, Herman en papa naast mekaar



Die bewuste derde zondag trok papa al heel vlug naar de zaal want hij had een grote verantwoordelijkheid : hij moest de schutters die hun inleg betaalden, inschrijven. De meeste deelnemers bekenden zich tot een ploeg ('Klei herleeft', 'Olympia', ...), waarbij ze dan overeenkwamen om het gewonnen geld te verdelen. Die ploegen werden, als het hun beurt was om te schieten, door de roeper (Pieje Baukes Pol) uit de staminee geroepen, waar ze zaten te kaarten of gewoon pinten te drinken. Mijn belangrijke taak bestond er in om op geregelde tijdstippen (Pol riep dan : 'Achter deze man pauëlen!') de afgeschoten pijlen vanonder de wip te halen en in een bak achteraan de zaal te deponeren. Ook als den hoeëgen (de hoogvogel) werd geschoten moest ik die trofee aan de prijsschutter bezorgen, waarbij ik soms een beloning kreeg. De eigenlijke vergoeding volgde op het einde van de schieting. Ik ging dan als een bedelaar, met mijn hand open, bij elke schutter die dan op vrijwillige basis iets gaf. Als de wip om 7 uur nog niet leeggeschoten was, werd een paar minuten vooraf door de roeper de voorlaatste en nadien de laatste ronde aangekondigd en werden de overblijvende vogels verloot.

 

Tijdens de schieting was er dikwijls gelegenheid om het - verboden - kansspel 'Anker en zon' te spelen. De enige attributen voor dit spel waren : een oprolbaar matje verdeeld in vierkanten met verschillende figuren op (onder andere ankers en zonnen) en dobbelstenen. Steeds stond een medewerker van de bank (de organisator van het spel) op uitkijk om op tijd te kunnen roepen dat de sjampetter of de gendarmen in aantocht waren.

 

Papa ging minstens elke week schieten want - was zijn argument -  wie komt moet ook bezocht worden. Dat was  in Mazel 'De Krabbers'  bij Van Hoeymissen of 'Dreië ve ne fran' bij den Bruinen; in Meldert 'Bock en Lambik' bij Mols of 'St-Jozef' bij Stainten Vandenbroek; in Opwijk 'd'Hulst' bij Seppen of 'Olympia' bij Nojle; in Lebbeke 'St-Joris' in zaal Flora of de 'Zomerschutters' bij Pojltes. En ik had de indruk dat er op verplaatsing steeds verlengingen aan te pas kwamen.

 

Thuis werd er duchtig geoefend. Papa had eens een oude wip meegebracht uit de zaal en die stond opgesteld tussen 't bakkot en de boomgaard. Vanaf de pomp werd er geschoten, dat was de reglementaire afstand. Tenminste voor diegenen die over een echte boog en echte pijlen beschikten. Voor de jongeren, waartoe ik voorlopig nog behoorde, was er een zelfgemaakte boog van essenhout uit - weeral - den Bos, soms eens een afgedankte echte pijl die al een paar keer en scheef gelijmd was, maar soms ook een zelfgemaakte. Zij mochten ter compensatie wel van veel dichter schieten. Ik was - in alle bescheidenheid - een crack en er werd mij dan ook een grote toekomst voorspeld, maar ook hier is het er helaas niet uitgekomen.

Wij - onze Marc, kameraden en ikzelf - hebben ons uren en dagen geamuseerd met dat schieten en als het te koud of te slecht was  trokken we gewoon met wip en al naar 't bakkot. 

wipschieten%201951%201.jpg   wipschieten%201951%202.jpg 
Meester Paul, Marcel Vos, ons moe, Miel, papa (1951) Meester Paul, onze Miel, papa en ik (1951)

wipschieten%201953%202.jpg    wipschieten%201953%201.jpg 
'Den doeëven' (Leopaold Cooreman) en papa (1953)

wipschieten%201953%203.jpg   wipschieten%201953%204.jpg 
Onze Herman en Jef Buggenhout           Jef Buggenhout, Jaak en Herman

wipschieten%201953%205.jpg 
Jaak en Lizette
 


Van de vele bezoekers bij ons thuis, waren er ook een heleboel die speciaal in verband met het schieten kwamen : Tuurken Pad, Molleken, Babis (Frans Verbeiren) die bij Boekes Theo in de wasserij werkte en soms gewassen en gestreken verfkleren van papa terugbracht, de vier Poeterkes (de gebroeders Verhasselt : Louis, Frans, Jean, Jef). Die vielen op een keer in een tijdspanne van drie minuten binnen, om de minuut klopte er een aan, en plezier dat ze hadden !

Van Tuurken Pad - een doodbrave, vriendelijke man, die geweldig kon tateren - herinner ik mij volgend verhaal. Onze Herman had bij zijn eerste mis van de parochianen een bandopnemer met micro gekregen. Dat was een echt wonderbaarlijk toestel. Herman was er in het begin als de kippen bij om stiekem één of ander gesprek op te nemen. Zo ook toen Tuurken bezig was aan 't rauzen. Toen Herman zo'n kwartiertje had opgenomen, spoelde hij terug en draaide de parlee van Tuurken af. Ge moest die zijn gezicht zien, zijn ogen bolden van stomme verbazing bijna uit zijn kop. En hij die anders nooit naar zijn woorden moest zoeken, kon enkel nog stamelen : 'Potvernong, en das naa ne kieje grat 't zelfde va watakik dauzjust gezeid èm'

Toneel

Ook de repetities en uitvoeringen van de conceirs (toneel) van de maatschappij 'Hoop in de toekomst', waarvan papa voorzitter was, gingen in de zaal door.

Het liefst had ik dat ze een passieverhaal brachten, genre 'Christus verworpen' of 'De moordenaar Gods'. Hoe bewonderde ik toen al die acteurs en actrices, die zich zo perfect in de rol van Maria Magdalena, of Pilatus, of Herodes, of Barabas, of Jezus konden inleven. Niet dat alles altijd rimpelloos verliep. Zeker niet. Zo moest mijn nonkel Jef van op het kruis, goede moordenaar zijnde, eens een onwillige medeacteur, die niet meer werd verondersteld onder dat kruis te staan, wegsissen met de woorden : 'Gojt weg of ik zjeik in a bakkes !'. 


moordenaar%201.jpg
Nonkel Jef en Frans Heyvaert als Barabas

moordenaar%202.jpg
Nonkel Jef aan het kruis in 'De moordenaar Gods' (1956)

moordenaar%203.jpg
Barabas in zijn cel

moordenaar%204.jpg
De ganse groep

'De klokkengieter' vond ik echt een stuk om bij te wenen, zeker naar het einde toe, toen de eigenlijke klokkengieter zijn handen verbrandde aan de klok die hij zopas gegoten had en zijn ijselijke gil door de zaal galmde.

Ook komedies als 'Antje' en 'Boefje', hoewel dat dit stuk niet altijd om te lachen was, zag ik heel graag, zeker als één van mijn broers meespeelde. Zo was onze Miel de voetbalkoning in 'De voetbalkoning' en ik bad : laat mij later ook zo beroemd worden. In 1965 geschiedde voorwaar het wonder want toen werd ík de nieuwe voetbalkoning.

Het kerstfeest

Elk jaar ging in zaal 'Ons Huis' op kerstdag om 4 uur in de namiddag 'Het kerstfeest' door. Een totaalspektakel waarvan de opbrengst volledig ten goede kwam aan de paters en zusters van Baardegem in Kongo of andere missiegebieden. Dat geld kwam van giften, een tombola en, vooral, van het inkomgeld van de talrijke aanwezigen (ooit meer dan 400 !). Papa was voorzitter van het Kerstcomité en daags na het feest, werd contentieus het geld geteld en gedeeld door het aantal Baardegemse helden. En dan ging papa ieders deel aan de rechtstreekse familie afgeven : bij de families De Clerck, Moortgat, De Gols ...

  

Het namiddagvullende programma bevatte steevast dezelfde onderdelen : toneel, zang, orkest, sketches, tombola.

Wat de tombola betreft : de meeste prijzen waren giften van verschillende neringdoenden van het dorp, maar ook een honderdtal door ons – onze Marc, Herwig Blindeman en ikzelf - uitgezaagde en door papa geschilderde figuurtjes.

De kleine toneelstukjes waren eind jaren 50 reeds vaak van de hand van onze Marc (onder andere met de figuren Pierepeet en Jannejaak).

Een vast onderdeel was ook het optreden van het Oempa-orkest met vedetten als Berken Ruyssinckx (accordeon), Petrus Van Damme (trommel), Jozef Buggenhout (zang) en René Van Lembergen (dirigent en presentator).


foto39.jpg
Repetitie voor het Kerstfeest van 1955. Voorzegger Pieje Rat (Petrus Van Damme) en Miel.

kerstfeest%201.jpg
Het gerenommerd 'Oempa-orkest' met charme-zanger Jef Buggenhout

kerstfeest%202.jpg
De voorzitter verwelkomt de talrijke aanwezigen

Het%20Oempa-orkest2.jpg

Het Oempa-orkest met links Jefke keis (Jozef De Ridder)

In%20de%20klas%20schoolmeester%20Pieters.jpg

In de klas van schoolmeester Pieters (4e van links onderaan Miel De Bie)

Naar%20de%20Congo.jpg

Naar de Congo

Repetitie%20Oempa-orkest.jpg

Repetitie Oempa-orkest (Remy Van Lembergen, Paul Hofman, Pieje Rat, Jef Keis, Berke Ruyssinckx en Jef Buggenhout)

Repetitie%20potpourri.jpg

Repetitie potpourri. Op het podium : Meester Paul D'Hauwer, Jef Buggenhout en Jaak De Bie. Beneden Wilfried Blindeman en Désiré D'Hauwere.

Mijn eerste publiek optreden heb ik ook op een kerstfeest (1953) gedaan : met meester Paul heb ik toen het mooie liedje van 'Robert en Bertrand' gebracht : 'Want wij zijn Ro, Robert en Bertand, de flinkste en knapste jongens van 't land; als soms de ho, ho, honger ons kwelt dan gaan wij op zoek naar mensen met geld'. Dat was een liedje van het Vredacabaret van de gebroeders Redant uit Haaltert. Die traden elk jaar met nieuwjaar op, ook in de zaal, en telkens voor een vol huis.

De vreugde om mijn eerste openbare muzikale glansprestatie werd verstoord door volgende gebeurtenis. Vlak voor we vertrokken naar de zaal zei ons moe tegen papa : 'Onze Marc ziet er weeral nie goed oït. Das toch iet met zijne groei. En ei eit van noen verom nie geten !' Toen wist ik het : onze Marc is ongeneeslijk ziek, 'de groei' gaat hem het leven ontnemen. Daarom piepte ik tijdens het kerstfeest voortdurend tussen de gordijnen de zaal in om te zien of hij nog niet van zijn stoel gevallen was. Hij heeft het die dag uitgehouden en gelukkig heeft hij de ziekte later, dank zij de culinaire bijstand van ons moe, definitief overwonnen.

Eerste televisie

De eerste keer dat ik eigenlijk de noodzaak voelde om een uitzending op de televisie te zien was het wereldkampioenschap op de weg bij de beroepsrenners in Frascati in 1955.

Ik had in de krant gelezen dat er regelmatig rechtstreekse beelden van de wedstrijd gingen gegeven worden. Maar bij wie ? Ik zag geen oplossing tot ik erover sprak met mijn vriend Urbain. 'Ik weet dat ze bij Treezes nen televisie hebben en dat we zeker mogen komen kijken als we dat aan Irène vragen '. Irène was de echtgenote van Germain D'Hauwer, elektricien, en moeder van Désiré en Gust. Zij hadden een winkel van elektrische producten in de Molenstraat. Wij vroegen het en het mocht ! Blijkbaar waren nog wat geïnteresseerden diezelfde vraag gaan stellen want wij zaten opeen gepakt in de keuken van de zaak, Irène rustig vooraan rechts in haar zetel naast de stoof.

Dit was de eerste keer dat ik niet mijn eigen verbeelding moest laten werken zoals bij het beluisteren van de radio. Nee, ik zág het zelf gebeuren ! Ik zág hoe een groep (waaronder de Belgen Germain Derijck en Marcel Janssens) zich afscheidde en minuten voorsprong nam. Ik zág in een volgende tussenkomst dat Stanneken Ockers aan een schitterende remonte was begonnen. Ik zág hoe hij die kopgroep inhaalde en op zijn elan doorging. Ik zág hoe hij afgescheiden triomfeerde ! Was dat beter dan het in mijn verbeelding te zien ? Ik wist het op dat moment niet zo. Maar die vraag moest ik mij nadien minder en minder gaan stellen en ik was alleszins zeer tevreden dat de televisie op de wereldkampioenschappen voetbal in Zweden (1958) aanwezig was en veel matchen uitzond. Ik denk dat mijn verbeelding zou te kort geschoten hebben om de kunsten van Pele en Garrincha op te roepen. Dit was in het echt beter !

Later gingen Urbain en ik af en toe nog eens bij Irène kijken naar 'Schipper naast Mathilde' of een één of andere sportuitzending, zó lang tot ze bij meters ook een televisietoestel kochten.

 

Cinema Cinato

Met de wereld van de film heb ik kennis gemaakt via artikelen in de weekbladen : de Post, Zondagsvriend en andere. Dat was een wereld die mij onmiddellijk heeft geboeid en is blijven boeien tot op heden. Tot midden van de jaren 50 was ik nog maar één keer in echte zaal naar een echte film gaan kijken : 'De tien geboden' in zaal 'Flora' in Opwijk. Ik zal waarschijnlijk thuis, samen met ons Lizette, te laat vertrokken zijn want de zaal zat al stampvol toen we er arriveerden. Alleen boven, achter zware pilaren dan nog, vond ik een vrije stoel. Veel heb ik van Mozes daden niet gezien, maar toch is Charlton Heston lang één van mijn lievelingsacteurs gebleven.

Bij Maxens heb ik wel nog eens een film over Belgisch Kongo gezien naar aanleiding van één of andere missietentoonstelling én één van de Sissi-films. Wat heeft die Romy Schneider toentertijd een indruk op mij gemaakt.

 

De grote doorbraak in de mogelijkheid tot film kijken kwam er in 1957 toen een groep vermetele Baardegemse mannen - Jef De Ridder, Désiré D'Hauwer, Petrus Timmerman en Wilfried Blindeman - het in hun kop haalden om in zaal 'Ons Huis' te starten met een heuse bioscoop : 'Cinema Cinato'. Een aantal jaren heeft dit project geduurd : net zo lang tot de TV het pleit in zijn voordeel had beslecht. Wat heb ik daar mooie, ontroerende, spannende, komische en wat nog meer films gezien ! Hoeveel nieuwe acteurs en actrices leerde ik kennen ? Dat was toch nog wat anders dan er over lezen en over dromen !

Kermissen

Rond het naamfeest van de Heilige Margareta (20 juli), de patroonheilige van onze parochie die werd aanroepen tegen de kinkhoest, was het kermis in Baardegem. De kleine kermis.

Veel geld had ik niet om op zo 'n kermis te spenderen. Dus was het steeds wikken en wegen geblazen en afwegen aan wat ik die weinige middelen ging besteden. Eén attractie werd door mijn vaak te volle maag al verstoten : de zwierekesmelen die altijd achter de kerk stond. Ook de grote bauës (schommel) die aan Roggemans stond, was niet aan mij besteed vanwege protesterende organen. Ik had wel de grootste bewondering, maar ook een beetje angst, voor die waaghalzen die het aandurfden tot helemaal boven te schommelen en daar zelfs enkele momenten met het hoofd naar beneden gericht, vertoefden. Mijn actieve inbreng bleef dan ook meestal beperkt tot het op de drauëmelen van Fré te gaan zitten, een molentje dat zelfs nog met pure mankracht aan het draaien moest gebracht worden. Als er dan nog wat overschoot dan besteedde ik dat aan een pakje frieten met pikkels of een pak smoutbollen. Als ik 's middags voldoende had kunnen eten, wat niet altijd evident was als kleinste tussen al die beren, dan liet ik frieten en smoutbollen zelfs vallen om mijn geluk te wagen bij het rad van fortuin, waarbij die fortuinen toch meestal weer iets te maken hadden met eten en snoepen.

 

Een paar jaar later kwamen er de boitsotokes bij. De eerste jaren stond die op de weide rechtover Carlééjes, waar later Dokter Van Oudenhove gebouwd heeft. Daar deed ik dan mijn volledige aan de index aangepaste kermispree aan op, soms al eens een ingelse sjik (kauwgom) of een sigaret in de mond, om stoer te doen.

 

De grote kermis begon de laatste zondag van augustus en duurde tot donderdags. Dan was het de grote dag voor ons, de bewoners van de Hoogstraat.

Eerst was er een wielerwedstrijd voor liefhebbers met start en aankomst aan de Zaal. De renners passeerden een aantal keren aan ons huis, reden dan naar Meldert, kwamen terug en keerden via de Molenstraat aan Maxens en de Jan-Frans Vonckstraat terug naar de Hoogstaat en de Zaal. Soms reden ze ook in omgekeerde richting, maar hoe dan ook, de laatste kilometer was sowieso lastig : ofwel de helling vanaf den Bos ofwel de berg vanaf Koker. Daar kwam altijd een massa volk op af en ik ging altijd tegen de laatste ronde naar den arrivé om te kunnen kijken naar het zegegebaar van de overwinnaar : dat pakte mij steeds.

 

's Avonds was het dan groot bal in de Zaal en het merkwaardige aan deze danspartij was dat de muziek kwam uit een kermisorgel. Die orgels werkten met zogezegde 'boeken'. Elk boek zat vol gaatjes die pasten in een soort tandwiel van het orgel en bevatte een drietal liedjes. Het was 'Mongske Koet' die die boeken stak.

Onze radio

Boven de canapé in de keuken bevond zich een HDS-radio, hét belangrijkste voorwerp - vond ik - in gans ons huis.

Veel posten konden we op die radio niet pakken. Die waren allemaal vermeld op een soort schermpje in de vorm van een halve cirkel. De juiste post pakken deed je door aan een knop te draaien, die een naald over die halve cirkel deed bewegen. Het merkwaardige aan onze radio was dat je om ‘Brussel’ te pakken, de naald op ‘Toulouse’ moest zetten.

 

Onze radio, dit schitterend toestel, was een bron van vermaak, ontspanning, wetenschap en kennis tegelijk. 

Elke werkdag was er om halfzeven ‘Het soldatenhalfuurtje’, waarbij ik kennis kon maken met de ‘moderne muziek’. Met Jan Verbraeken en Bobbejaan Schouppen, met La Esterella en Ray Franky, met Rudy Schuricke en Bob Scholten, met de orkesten van Helmut Zacharias en Kurt Edelhagen, met nog vele anderen.

 

Het muzikale hoogtepunt situeerde zich evenwel zondagnamiddag om twee uur met het ‘Opera- en belcantoconcert onder leiding van Etienne Vanneste’. Lang vooraf zaten we, ouders en kinderen, in spanning te wachten op wat komen zou. Zou ik vandaag nog eens ‘La donna e mobile’ horen, liefst gezongen door Benjamino Gigli ? Zou Jozef Schmidt nog eens ‘Ik hou van Holland’ zingen ? Zou het duet uit ‘de Parelvissers’ nog eens gedraaid worden, of het sextet uit ‘Lucia di Lammermoor’. Welke zanger(-es) zou vandaag in de kijker staan : Jussi Björling of Maria Mennegini Callas ? Vaak werd er na een  nummer gediscussieerd van : ik hoor dat liever gezongen door Mario Lanza of Nessum Dorma is schoner dan E lucevan le stelle. Soms stelden we een opera-toptien op en stuurden we die naar Etienne Vanneste op het NIR.

De liefde voor dat soort muziek zat er uiteraard niet vanaf mijn geboorte in – ik herinner mij nog dat ik het huis uitging als de uitzending begon -, maar beetje bij beetje ‘was er beterschap’; alleen Wagner, de lievelingscomponist van papa, moest ik niet. Nadien ging ik stiekem ‘Una fortima’ en ‘Questa quella’ en vele andere aria’s nazingen, waarbij het een groot geluk was dat er op dat moment nog niet echt veel Italianen in Baardegem verbleven die mij zo bezig konden horen.

 

Maar de radio diende ook nog voor wat anders dan muziek : van dinsdag tot vrijdag was er een ‘bonte avond’ op één van de regionale zenders, Radio Gent, Kortrijk, Antwerpen of Hasselt met Pol Cabus. Die voerde altijd een heel dorp op via dorpsfiguren die geïnterviewd werden. Na het gesprek riep Pol Cabus altijd met veel enthousiasme : 'Geef 'm de pint'.

Die bonte avonden waren een mengeling van zang, sketches, quiz en crochetwedstrijden (de eerste winnaar van de crochetwedstrijd van 'Licht en liefde' ten voordele van de blinden was een zekere Arthur Blanckaert).

Hierin vond ikzelf inspiratie om eens deel te nemen aan dergelijke wedstrijd. Dat was in Moorsel op het voetbalplein van de Schroevers. Ik haalde er een hoopgevende derde prijs met ‘Zo gaat het in Spanjos meestalos’ van Tony Geys. Toen ik trots met mijn prijs – een beker – thuiskwam, zwaaide er wat. ‘En ik wist van niks’, zei ons moe. En meteen kreeg ik zo veel berouw voor zo veel ongehoorzaamheid dat ik stante pede en vrijwillig afzag van een muzikale carrière – toch op dat niveau.

 

Ook informatief speelde onze radio een belangrijke rol. Zelfs de nieuwsuitzendingen (waarvan ik het toenmalig kenwijsje nog altijd ken) trokken mijn aandacht, ook al begreep ik alle nuances nog niet.

Zo volgde ik de perikelen rond de koningskwestie en hoopte ik vurig dat de koning zou mogen terugkomen. Die – toenmalige – aanhankelijkheid voor de koning was voor een groot deel te danken aan zuster Alberta. Die had ons allen opgedragen om thuis te zeggen dat onze ouders moesten ‘Ja’ stemmen – ‘Ja, de koning komt terug‘ -. Op de koer zei mijn latere goede en veel te vroeg gestorven vriend Benoit Saerens : ’Ik zeg da niet’. Van zoveel republikeinse heiligschennis was ik helemaal van streek. Toch verbaasde mij dat niet helemaal, want het was toch ook Benoit die zuster Magriet-Marie van antwoord diende ? Toen die ons het tweede gebod van de Heilige Kerk wilde duidelijk maken door te stellen dat we op boet- en vrijdag geen pensen mochten eten, zei hij verontwaardigd : ‘Daar zit toch brood in’.

 

Ook de schoolstrijd en de schoolmarsen kregen mijn aandacht. Weken heb ik in onze hof minister Collard weggewenst met de gekende slogan ‘Weg met Collard’ !

 

Wat ik mij ook nog goed herinner is de waterramp in 1953. Toen we op 1 februari thuiskwamen van de vroegmis – het waaide en regende hevig – meldde de radio dat de Zeeuwse eilanden bijna volledig overstroomd waren en er verschillende honderden slachtoffers waren. Aldus leerde ik Schouwen-Duiveland, Goeree, Overflakkee, Noord- en Zuid-Beveland en Walcheren kennen. De Nederlandse reporter probeerde boven de stormwind uit te komen om te melden hoe erg de toestand wel was, hoe het water bleef wassen, hoeveel slachtoffers er al waren. Dat was echt dramatisch.

 

De belangrijkste rol van de radio, wat mij betrof, was de sportieve. Hoeveel uren heb met mijn oor tegen de zender gelegen om een verslag van Maurice Dieudonné of Hubert Van De Vijver te volgen ? Veel, zeer veel !

Ik heb in 1948 gehoord – en gejuicht - hoe Briek Schotte wereldkampioen werd in Valkenburg. Ik was toen vijf jaar en ik weet nog wie toen bij ons aan tafel zat, waarmee ik niet wil bewijzen dat ik mij nog alles uit mijn kleutertijd herinner of dat ik ongelooflijk slim ben, alleen dat ik voor sport altijd een aparte interesse had.

Ik heb Fred Debruyne, Martin Van Geneugden en Jean Branckaert een tourrit horen winnen en ik heb Armand Baeyens horen vloeken. Ik heb ook gehoord hoe mijn later idool Rik Van Looy moest opgeven in de Olympische wegrit in Helsinki 1952, de koers die André Noyelle voor eeuwig beroemdheid zou geven.

Ik heb gehoord hoe Jef Mermans in de laatste minuut van een Holland – België via een penalty Piet Kraak versloeg en de 3 – 3 scoorde. Ik heb gehoord hoe Rieke Meert een reuzenwedstrijd tegen Italië speelde waardoor de onzen verrassend met 2 – 0 konden winnen. Maar ik heb ook gebaald toen wij met 7 – 2 verloren van die kaaskoppen.

Wat een sportvreugde en –verdriet heeft onze radio mij ooit verschaft !

Vaak speelde ik zelf voor Hubert Van De Vijver. Ik had daartoe in een blikje een gaatje gedaan om een draad door te halen, kwestie van een micro te hebben. Ik verzon dan een rit in de Tour waarbij een bergrit als Pau – Luchon vaak door Richard Van Genechten werd gewonnen en een vlakke rit met aankomst in Bordeaux in de spurt door André Rosseel met een banddikte vóór de Fransman Adolphe Deledda.

Huisdieren

Wij hebben altijd huisdieren gehad en, behalve onzen tei (hond) en ons katten, niet van de gewoonste : een papegaai en verschillende eksters.

 

Onze hond Mitty hebben we eigenlijk gekregen van tante Malvine en peter Leon toen ze van Mere naar de zaal 'Ons huis' verhuisden. Het was een scheper, een Mechelse, maar eigenlijk veel te braaf. Blaffen deed hij héél zelden, bijten nooit. Behalve één keer. Om een nog altijd niet opgeloste reden heeft hij eens in de broek en een beetje in de bil van Kamilleken den boy (de facteur) gebeten. Onverklaarbaar, want Kamilleken kwam bij ons dagelijks over de vloer om de krant en de post te brengen en dronk dan altijd een druppelke jenever Hertekamp.

Voor de rest heeft onze Mitty nooit iemand of iets misdaan : onze papegaai en ons ekster mochten zelfs op zijn rug gaan zitten en ons kat Minou mocht hem eindeloos jennen. Toen hij oud en versleten was en begon af te zien, heeft papa de honden- en kattenopruimer van ons dorp, Zaugers Fong, gevraagd om hem te komen doodschieten met zijn geweer. Dat hij officieel aangesteld was voor die functie denk ik niet, toch had hij zo iets als een vergunning want hij was boswachter. Hij moest dat, bij gebrek aan belangstelling van onzentwege voor dat gebeuren, komen doen wijl we allemaal naar de vroegmis waren. Toen we thuiskwamen zat Fong in de keuken op zijn gemak te wachten : 'Hij leit er al onder', hij was al begraven en al.

 

Onze katten waren van de gewone soort. Eén ervan is zeer oud geworden, 23 jaar geloof ik.

 

Onze papegaai Koko hadden we via een Pater in de Kongo verworven. Het was een schitterende aanwinst in ons gezin. Je kon hem zo uit zijn kooi nemen en op je schoot of schouder zetten. Je kon hem ook alles leren. Hij nam zijn nootjes aan met de klauwtjes van zijn poot, verbrak dan direct het omhulsel, zodat alleen de eigenlijke nootjes overbleven, die hij dan met zijn onderste bekdeel van het pelletje dat er nog rond was ontdeed. Bijna elk woord zei hij vrij verstaanbaar na, ook de vloeken die alle jongens van De Bolle hem stiekem van op onze hof waren komen leren. Ons moe was dan een beetje kwaad toen hij begon van nondedjieë en zo, maar ze deed toch maar een beetje alsof denk ik. Op een zondagmorgen stelden we vast dat hij aan het snotteren was en toen we terugkwamen van de mis lag hij met zijn poten omhoog. Omdat dit voor een vogel, ook niet voor een papegaai, zo'n gebruikelijke houding was wisten we onmiddellijk hoe laat het was. Het leven van de enige Koko die we ooit gehad hebben was voorbij.

 

De leverancier van onze verschillende eksters die we gehad en min of meer getemd hebben waren de grote canada's die in twee rijen voorbij het huis van De Bolle op de wei van Carleejes stonden.

Daar, zeer hoog, nestelden ze in een grote doornige nest. Op het moment dat we wisten dat er jonge eksters in het nest lagen, kwamen de schutterskwaliteiten van papa goed van pas. Er werd gepoogd een jonge vogel uit het nest te schieten en als dat gelukt was werden de veren geknipt (links korter dan rechts of omgekeerd) waardoor de ekster niet zo veel bewegingsvrijheid meer had. Dan werd met een engelengeduld geprobeerd om ze te voeden met broodkruimeltjes die in de melk gedopt werden. Als dat allemaal lukte kon je soms een paar jaar 'wel' zijn met zo'n ekster.

Een ekster is van nature een rover en al wat blinkt pakken en begraven ze. Zo heeft papa bij het omsteken eens de sleutel van de schuur, die we al jaren kwijt waren, gevonden. Behalve de sleutel zaten in die maternest ook : een tubeke Aspirientjes, nog een andere sleutel, allerlei muntstukjes, sieraden en een ring.

Eén van onze eksters hadden we ook geleerd de banden van fietsen plat te zetten : ze draaide met haar bek de suppaap (ventiel) los en duwde er dan op tot ze alle lucht had verwijderd.

Eksters konden lief maar ook gemeen zijn : eerst wat komen flemen en dan ineens toeslaan door in je vinger of wang of zo te pikken. Bij vreemden gingen ze zelfs in de achillespezen bijten of bleven ze er zelfs een tijdje aanhangen.

Eksters kunnen praten, zegt men. Eigenlijk kennen ze maar één woord : 'Anna'. En dat gaf soms hilarische taferelen. Aan de statie woonde een vrouw die Anna heette en vaak voorbij ons huis wandelde. Wij hadden onze eksters zo getemd en strategisch op het dak van 'leeg huis' gezet dat ze dan plots 'Anna, Anna' begon te roepen. Die madam is nooit te weten gekomen wie er altijd zo lief haar naam riep.

De eksters die we hadden zijn niet allemaal een stille vredige dood gestorven. Eén is gewoon voorover gekwikt in de kom waarin ons moe hete pap aan 't maken was en waarop ze nieuwsgierig op de rand ervan alle handelingen van moeder volgde. Een andere zat gewoon op de bezem van ons moe terwijl ze aan het vegen was : ze stuikte voorover en kwam onder de borstel terecht waardoor ze dodelijk verongelukte.

jaak%20marc%20ma%20papeaai.jpg
Jaak, Marc en moe met kat en koko. Merk ook onze radio.

pa%20en%20papegaai.jpg
Papa met kat en Koko

papa%20mitty.jpg
Papa met onze brave Mitty (rond 1955)

foto%202.jpg

Herman met onze koko

zjeen%20en%20hond.jpg        foto24.jpg
Nonkel Zjeen en Mitty (rond 1955)           Jaak met één van onze eksters op onze hof

ekster.jpg
Eén van onze getemde eksters

Wafelen bakken

Heel uitzonderlijk was het koeken bakken bij ons niet. Integendeel, het was zeer gewoon. Ik moet waarschijnlijk in een bepaalde bui eens tegen ons moe gezegd hebben dat ik 's morgens geen boterhammen binnenkreeg. Bang als ze was dat ik daardoor zou flauwvallen van de honger, ondanks drie tassen melk, maakte ze er een gewoonte van om elke morgen steivenekken te bakken, een delicatesse die ik 's morgens wél lustte. Stijvenekken waren een soort pannenkoek, gemaakt van bloem (geen zelfrijzende), melk, twee eieren, een beetje suiker en zout. Het resultaat was een inderdaad wat stijve, stevige, kloeke koek, waar je minstens een voormiddag mee voort kon, zelfs iemand met een hongerige maag als ik, zeker als je daar nog royaal boter en bruine suiker kon op doen.

Als ons moe in de namiddag koeken bakte bij één of andere gelegenheid, dan waren dat gewone koeken, met gist, of grien koeken (koeken waar groene zurkel in gesneden werd) of appelkoeken (koeken waar sneetjes appelen in gesneden werden).

Eigenlijk was ons moe op haar best als ze waufelen bakte. Dat deed ze bij speciale gelegenheden als Dendermonde jaarmarkt (eerste maandag na de 18e oktober), Allerheiligen of Sint-Maarten, maar ook, op eenvoudige vraag van mij of één van mijn broers, op gelijk welke willekeurige dag in het jaar.

De bloem en de gist moest ik bij Zjef den bakker (Jozef Vinck) gaan kopen. Het gebruikelijke mengsel van bloem, gist, eieren, boter, suiker, zout, melk werd in een emmer fijn geklopt tot deeg. Deze deeg moest dan om te rijzen, overdekt door een handdoek, een tijd stilstaan op een stoel tegen de kachel. Het bakken zelf gebeurde, zoals alles, op de Leuvense stoof. Het wafelijzer werd ingewreven, ingesmeerd, met een vork waarop een gebakken stukje spek stak. En dan kon het eigenlijke bakken, dat soms wel een paar uur in beslag nam, beginnen. De eerste wafel diende om het ijzer wat te reinigen en werd altijd aan onze Mitty gegeven. Die had daar nooit lang werk mee, er moest zelfs niets op zijn. De volgende wafels werden op een, ik denk speciaal daarvoor bestemd, rieten scheel gelegd. Het eten, smullen, brassen kon beginnen. Ik heb het niet meegemaakt maar in familiekring wordt nog altijd beweerd dat onze Herman recordhouder is door er eens 32 (tweeëndertig) op te fretten.

Meer van Herinneringen aan mijn jeugd

↑ Terug naar de berichten