Naar de inhoud

Herinneringen aan mijn jeugd

akke.beakke.be

Archief

Zaalzangers

Ik had wat solfège gehad van meester Paul. Ik herinner mij nog een lesje : do-sol, do-re-sol-re-mi, 4-sol,… (die 4 zei ik er bij omdat daar een rust stond). Ik bulkte, in tegenstelling tot onze Jaak, absoluut niet van het muzikale talent en slechts met veel zweten en zwoegen kreeg ik zo’n lesje geleerd. Nadien heb ik bij meester Mon op de piston van nonkel Alfons leren spelen. Ook hier kwam tot uiting dat mijn verdere studies zeker niet in één of ander conservatorium zouden plaatsvinden. Toch slaagde ik er op een dag in feilloos ‘Il silenzio’ te spelen. Ik was zo fier op deze prestatie dat ik ze in een dagboekje (wat ik nog altijd bezit) noteerde. Maar ze had ook zo aan mij gevreten dat ik mijn instrumentale carrière hiermee voor bekeken hield.

En dus concentreerde ik mij wat meer op een mogelijke vocale loopbaan.

Hoe kon ik daar beter aan beginnen dan als zaalzanger ? En dus werd ik al zeer snel officieel zaalzanger. Om tot die zeer gewaardeerde gilde toe te mogen treden had ik het ook niet zo moeilijk. Ik genoot de voorspraak van papa en nonkel Alfons, gewaardeerde bassen en van Jaak, organist vanaf zijn zesde.

 

Eén van de belangrijkste opdrachten van de zaalzangers was het wekelijks plechtig opluisteren van de hoogmis.

Dat begon al met het 'Asperges me'. Ondertussen trok mijnheer pastoor voorafgegaan door de zwis (suisse) door de kerk en zegende de aanwezige gelovigen bij wijze van verwelkoming met de kwispel. De eerste zondag van elke maand was dat een nog plechtiger gebeuren : toen ging er echt een processie door de kerk, de pastoor onder de baldakijn, daarrond de confrérie met hun flambeeuwen.

Ook Kyrie, Gloria, Credo (I, II en III), Sanctus en Agnus Dei voor alle periodes van het kerkelijk jaar, kon ik snel meezingen. Of mijn Latijnse uitspraak perfect was weet ik niet, dat belette mij evenwel niet om altijd uit volle borst mee te zingen, ter ere van de Heer. De gezangen eigen aan die zondag van het jaar, Introitus, Offertorum, Communion, waren weggelegd voor de meer ervaren en muzikaal beslagen talenten als Prauëmes Paul (Paul De Smedt), Frans van Carleejes (Frans De Block) en mieëster Mon (meester Edmond Moortgat).

Ondertussen keek ik van over de balustrade naar beneden en zocht ik met mijn ogen mijn vrienden op. Zouden ze niet jaloers zijn op mij, de zaalzanger ?

Die kameraden zaten rechts in de mannenkant. De meisjes en de vrouwen zaten links in de vrouwenkant.

Ook de nonnekens zaten links, ze bekenden zich hiermee - voor wie er nog macht aan twijfelen - tot het vrouwelijk geslacht.

De nonnekes zaten vooraan en behoorden tot de geprivilegieerden die hun stoel mochten draaien als mijnheer pastoor naar de preekstoel trok. Zo'n kwart van de aanwezigen kwam aldus met hun aangezicht naar achter en naar het hoogzaal gekeerd.

Toen was het nog een speciaal gedoe dat stoelendraaien, op de knieën zitten, gewoon gaan zitten, rechtstaan.

Van het begin van de Mis tot aan de Gloria moesten we knielend zitten; bij het begin van de Gloria moesten de stoelen gedraaid worden en mochten we gaan zitten. Bij het Evangelie stonden we recht. Tijdens de preek mochten we terug gaan zitten (met dien verstande dat de voorste rijen dus hun stoel richting pastoor en preekstoel moesten keren en na de preek terug richting altaar) en dat bleef duren tot aan het dankgebed; dan was het weer knielen geblazen tot het einde (het laatste evangelie).

Tijdens de lange preek van de pastoor, waarvan ik dan nog geen sjik verstond, had ik de tijd om in de vele muziekboeken die op het hoogzaal lagen te bladeren en weg te dromen : ik zag perfect mezelf al als voorzanger van Suzanina, op het orgel natuurlijk begeleid door onze Jaak.

 

Tijdens de Hoogmis werd er niet ter Communie gegaan : niemand kon zo lang (vanaf middernacht) zonder eten of drinken blijven. Later werden de reglementen te dien aanzien wat soepeler en moesten we maar drie uur nuchter zijn. En nog veel later was er helemaal geen beperking meer, maar ja, dan spreken over een ander tijdperk.

 

Soms liet de moderne techniek de goede werking van het orgel wat in de steek en dan moesten mensenhanden bijspringen of beter moesten mensenvoeten bijtrappen. Dat ging zo: in een klein hokje moest je op twee trappers gaan staan en dan maar tèrren zo veel als je kon geven, om de blaasbalg te vullen. Ik voelde mij ook eens geroepen om voor trapper te spelen, helaas had ik mijn fysieke mogelijkheden wat slecht ingeschat en zo viel ik midden de Gloria zelf zonder asem. Het orgel begon rare geluiden te maken en onze Jaak - of was het de reserve-organist Marcel De Vos ? - nog veel meer.

 

Marcel De Vos had bijlange niet het muzikaal talent van onze Jaak, maar hij had andere gaven : hij was charmant en goedlachs, hij hield van risico's (met zijn motor durfde hij bijvoorbeeld tegen vrij hoge snelheid een staminee binnenrijden) én hij werkte graag met jonge mensen. Zo heeft hij een jeugdkerkkoor opgericht dat repeteerde 's zondags na het lof en met de bedoeling om dat lof op te luisteren met liederen als 'Tantum ergo' en 'Regina Caeli'. Hij wist dat hij daardoor voor ons, jonge gasten, tevens een ideaal alibi creëerde om 's zondags 's namiddags thuis weg te geraken. Dat koor, waar behalve ik ook onder andere Raymond De Block en Maurice Van Den Bossche (die het later in de muziekwereld zou maken) toe behoorden, bleef geen lang leven beschoren : net zo lang namelijk tot onze stem bij het keren op spectaculaire manier werd omgetoverd van een lichte tenor in een zware bas.

trouw%20vic.jpg 
Bij de trouw van Vic Costers met Marie-Jeanne Roggeman van Maxens (1959).
Frans Van Langenhove, Robert Verstraeten, Jaak De Bie, Armand Raes, Marc De Bie, Vic , Marie-Jeanne, Achiel Roggeman, Benoit Van Langenhove, Paul De Smedt, Marcel De Vos, Frans De Block, Frans Heyvaert.

koor.jpg 
Het koor samen met sympathisanten in Heikruis (1949).
Onderaan 2e is Jaak, ik ben de 3e en Lizette uiterst rechts

heikruis%201.jpg 
Nog in Heikruis

foto%207.jpg 

Nonkel Eugeen, Frans De Block, nonkel Alfons, meester Moortgat, pater ???, Octaaf Vermeir, Paul van Pruimes en meester Mon

pastoor.jpg 
Mijnheer pastoor Pieters. In de achtergrond de kerk

kerkzicht.jpg 
Zo'n zicht had ik van op het hoogzaal

Eremis Pater Moortgat

Een eremis is een mis die een pas gewijde priester opdraagt in zijn parochiekerk. Ik heb er in mijn jeugd in Baardegem twee weten opdragen : die van Pater Emiel Moortgat in 1953 en die van onze Herman op zondag 25 augustus 1957. 

pater%20moortgat%202.jpg
Pater Moortgat en onze pastoor

pater%20moortgat%203.jpg
De stoet komt bijna in de kerk

pater%20moortgat%204.jpg
Pater Moortgat en genodigden vóór zijn huis

pater%20moortgat%201.jpg
Ik overhandig aan de pater het geschenk van de parochie

Baardegem

Bij meester Mon leerden we over onze gemeente onder andere :

‘Baardegem is een dorp van 608 hectare en telt ongeveer 1800 inwoners. Het ligt in de provincie Oost-Vlaanderen en het grenst aan Meldert, Moorsel, Wieze, Lebbeke en de Brabantse gemeenten Opwijk en Mazenzele.

De naam Baardegem komt van het Germaanse Bardoheim, wat staat voor de woonplaats van de lieden van Bardo.

Onze gemeente behoorde tot het Denderbekken, behalve de zuidwestelijke hoek die tot de Rupelkom behoorde.

Wat de landbouwstreken betreft, ligt het in de zand-lemige streek.

Het laagste punt ligt op 12 meter boven de zeespiegel en bevindt zich op het Schuurken. Het hoogste punt ligt op 57 meter boven de zeespiegel en dat bevindt zich op de Elderberg waar de vliegtoren staat’.


kaart2.JPG
 

Op het rode punt woonden wij.

dorp4.jpg

Het Dorp, foto genomen van aan Fies.

polijn.jpg

Café Sint-Margriet en Pollyn.

dorp3.jpg

Het Dorp, met links het huis van den Boorder en dat van Verieëkes Rozine.

dorp5.jpg

Het Dorp, foto genomen van aan de school.

Kerk Baardegem

Onze kerk is toegewijd aan de heilige Margareta. De heilige Margareta van Antiochië in Klein-Azië werd na de eerste kruistocht een bijzonder geliefde volksheilige. Ze werd aanroepen voor kinkhoest. Haar naamdag valt op 20 juli en op die dag was er altijd een processie en ommegang in en rond de kerk. Op die dag kwamen veel ouders met hun kleine kinderen beewegen en bidden opdat hun spruit nooit die vreselijke ziekte zou krijgen.

 

Onze Sint-Margaretakerk is een laat-romaanse driebeukige kerk die dateert uit het midden van de 13e eeuw. Aan deze constructie werden vroeg-gotische en barokke elementen toegevoegd.

Zij bevat enkele schitterende glasramen. Als ik naar het mesken – een niet-gezongen, dus gelezen mis – ging, dan zat ik altijd vooraan in de zijbeuk, waar nonkel Zjeen ook altijd zat. -Daar kon ik op mijn gemak de twee grote glasramen in de zijbeuken bewonderen en in stilte de milde schenkers die er onder vermeld stonden, danken.

 

Een merkwaardigheid aan onze kerk was dat er in mijn jeugd geen functionerende klokken hingen. In de kleine was er door een bombardement in de eerste wereldoorlog een gat geslagen en de grote was in 1943, kort na mijn geboorte zei papa altijd, door de Duitsers gepikt en gesmolten.

Voortaan werd er ‘geluid’ met een koperen ketel waarop een hamer sloeg. Die Hitlerklok was geschonken door maalderij Fies. Op het einde van de jaren vijftig heeft een klokkengieter uit Doornik de twee klokken hergoten en sindsdien worden de parochianen weer op een normale manier naar de kerk geroepen.

 

Boven het hoofdaltaar hing een schilderij – de Kruisdraging - van Casper De Crayer. Het werk is gemaakt rond 1650. Van diezelfde schilder hingen ook werken in veel kerken van de omgeving : in Meldert, Wieze, Opwijk en Merchtem.

 

Ik herinner me ook dat we bij meester Mon eens de andere kunstschatten hebben mogen bekijken, die zich in de sacristij bevonden. Dat was een prachtige zilveren kelk uit de 16e eeuw en een schitterende stralenmonstrans uit de 17e eeuw. Ik denk dat dit de oudste bekende van ons bisdom was.

kerk3.jpg

pastorij.jpg
De Pastorij

kerk4.jpg
Schilderij van De Craeyer

kerk5.jpg
De kerkschatten

Jan Frans Vonck

Eén van de belangrijkste inwoners van Baardegem was Jan Frans Vonck (geboren in 1743), de leider van de Vonckisten tijdens de Brabantse Omwenteling in 1789. Deze opstand zorgde er voor dat de Oostenrijkers hier werden verjaagd. De kortstondige onafhankelijkheid van ‘België’ bracht wel onenigheid tussen de democraten van Vonck en de behoudsgezinden van Van der Noot. Deze laatste maneuvreerde Vonck weg. Hij vluchtte naar Rijsel waar hij stierf in 1792.

 

Ik heb het geboortehuis van Vonck beneden aan de Hoogstraat nog weten staan.

Over de ‘ontdekking’ van zijn graf heb ik papa altijd het volgende horen vertellen.

‘In de zomer van 1923 was ik de kapel van de Heilige Barbara aan het herschilderen. Frans den boorder (Frans De Wolf) was een put aan het delven om pastoor Cornelis, die die dag aan tyfus was gestorven, te begraven. Ineens kwam Frans ontdaan aangelopen en riep hij : Jef, ik em de kist van Vonck gevonnen en dau komt bloed oit. Het wás inderdaad de loden kist van Vonck waar Frans op gestoten was en daaruit sijpelde wat roestkleurig water.

Met de toestemming van de procureur des konings hakte den boorder de kist verder open. Toen zocht Meester Moortgat een vrijwilliger om in de kuil en de kist een kijkje te nemen. De witten van de Zaaten (Leon De Nil) van den Berg was onmiddellijk bereid om op de vraag in te gaan en haalde snel de muts van Vonck te voorschijn waaraan nog een heleboel pruikhaar vast hing. De muts werd proper gemaakt, in een doos gelegd en naar de school gebracht ‘.

De muts werd op regelmatige tijdstippen uit zijn doos gehaald om als didactisch materiaal aan de leerlingen van de volgende generaties te worden getoond. Jozef II, Vonck, Van der Noot, de Brabantse Omwenteling, voor ons had dat allemaal geen geheimen.

Vliegtoren

Op het hoogste punt van Baardegem (op 57 meter boven de zeespiegel) op Den Berg, stond er sedert 1932 een vliegtoren. Die was zelf zo’n 20 meter hoog en was eigenlijk een lichtbaken. Zo konden de vliegtuigen ook ’s nachts tussen Brussel en Londen vliegen.

Tijdens de oorlog werd hij niet gebruikt en nadien heb ik nog gezien dat hij als een soort oefentoren werd gebruikt door het leger. Dat duurde maar een tijdje en kort nadien had hij geen enkele functie meer. In 1969 werd hij afgebroken en in Gooik als een klokketoren heropgebouwd.

vliegtoren.jpg
Uiterst rechts de vliegtoren.

Station en Leireken

In tegenstelling tot bijvoorbeeld Wieze, Meldert en Mazenzele beschikte Bardegem wel over een statie. Dat was wel omdat we toevallig op de lijn 61 Aalst – Londerzeel lagen. Deze enkelsporige lijn verbond de reeds bestaande spoorlijnen Mechelen – Dendermonde en Brussel – Gent. De eerst trein reed door Baardegem in 1878.

Het stoomtreintje dat voor de verbinding zorgde noemden we ‘Leireken’, aldus genoemd – naar het schijnt – omdat ooit één van zijn machinisten Valère heette.


Ik ben nog een paar keer in de winter met Leireken naar het college in Aalst gereden. Kort nadien werd hij vervangen door een buslijn.

Met Leireken sporen was een heel evenement.

Eerst was er de tocht in den donkeren naar de statie. Ik probeerde altijd aan te sluiten bij een groepje dat ook richting station trok, kwestie van niet alleen te zijn. Bij sommigen was er de ultieme kick om net op tijd te zijn, niet te vroeg en uiteraard niet te laat. Dat hoogste genot bereikte je als jij aan Boet was op het moment dat de Leiren het station binnenliep. Ik was altijd goed op tijd vooral om de Leiren van ver, vanin Nijverseel bijna, te zien aankomen.

Dan was er het openen van de deuren en plaats zoeken – als er die nog was, want er zaten al veel studenten uit Londerzeel, Steenhuffel en Opwijk in de verschillende wagons. Die van het Atheneum hokten samen, die van ’t Klein College eveneens. Zo zat ik vaak bij mannen van Steenhuffel en Peisegem, onder andere bij Alois Van der Stappen, een vriend van onze Marc.

Dan was er de tocht naar Aalst, ongeveer 8 km. Die rit duurde een half uur. Dat kwam onder andere door het zware, bergachtige traject : Moorselberg was een knap lastige hindernis. Er wordt gezegd, ik denk nu zelfs dat ik het zelf meemaakte, dat er aan de reizigers soms gevraagd werd om de trein te verlaten, kwestie van de last te verlichten.

In het station van Aalst was het de bedoeling om zo snel mogelijk van de nog rijdende trein te springen. Dan kregen we meestal onder ons voeten van de garde.

De sporen tussen Opwijk en Londerzeel werden in 1956 uitgebroken. En de laatste reizigerstrein tussen Aalst en Opwijk (en dus ook in Baardegem, ik ben er naar gaan kijken) reed op 2 juni 1957. Tot 1961 reed er af en toe nog een goederentrein tussen Aalst en Baardegem, maar van dan af was het ook amen en uit met deze spoorlijn.

station.jpg

De statie

Dorsmolen

Elk jaar kwam na de oogst een dorsmolen naar ons dorp. Dat was een gigantische machine die alle graan van alle Baardegemse boeren op een welbepaalde dag en vaste plaats kwam dorsen. Die plaats was de wei recht over Mandine van Piëters, achter de Margareta-kapel.

Achteraan ‘voedden’ de boeren de reuze-machine met hun graan. Bovenop de molen stond iemand die het graan de goede richting uitduwde. Een trommel in de machine sloeg vervolgens de korrels uit de stengels, waarna het zaad naar de zakken en het stro naar de persmachine ging.

Zo’n machine bezig zien en horen was een echte belevenis. Schuddend maar onverstoorbaar vervulde hij zijn taak. Ook de sfeer die er heerste dwong mij telkenjare om op die dag er bij te zijn.

dorsmolen.jpg
De dorsmolen

Bij Cornels

Met ons moe ging ik af en toe eens bij Cornels vanachter in de Molenstraat. Daar woonden de ongetrouwde Louise en haar eveneens ongetrouwde broers Remy, Octaaf, August en Maurice Vermeir. Tegen Louise zei ik altijd noenkel Louise. Dat kwam, denk ik nu, omdat ze nog met nonkel Alfons 'gevrijd' heeft. Om die vrijage kracht bij te zetten gingen ze elke zondag bij Maxens iets drinken. Aan die relatie kwam een einde toen nonkel Alfons een galcrisis kreeg en in de kliniek moest opgenomen worden.

Octaaf was een goede vriend van papa en nonkel Alfons met wie hij samen zong in het kerkkoor.

Foto%20(9).jpg
Nonkel Hildebrand, Louise Vermeir, nonkel Alfons, tant en Octaaf Vermeir (augustus 1941)

Toen we langs het Dorp en nadien de smalle baantjes naast de school, voorbij Lowieken de smid en de maalderij van 'Kaultoenens' naar Cornels gingen zei ons moe altijd : mènneken, ziet dat ge nooit vergeet wat ze voor ons in de oorlog gedaan hebben. Dank zij Cornels hebben we meestal patatten, brood en af en toe wat vlees kunnen eten.

Ook ná de oorlog was hun gulheid haast grenzeloos. Bij Cornels gaan betekende altijd met een zwaar maag naar huis gaan omdat de ballekes en de kriekjes, de pensen en de appelmoes, de oren en de poten, de boerenhesp op het zelfgebakken brood er tóch zó lekker waren.

Noenkel Louise had een zalig karakter : een aanstekelijke lach, altijd goedgezind, behulpzaam, vrijgevig... Op cruciale momenten kwam ze ons moe helpen. Ik herinner mij vooral haar uitgebreide culinaire vondsten die ze demonstreerde bij mijn plechtige communie en het feest van onze Herman.

Foto%20(18).jpg

 Op 18 februari 1949 bleef broer Octaaf in de maalderij van Kaultoenens aan den elektrik hangen en stierf. Enkele dagen voordien, de zondag van Hoogstraat-Kermis, was hij bij ons nog komen eten, als ik mij niet vergis “oeëren en poeëten’. Maar ’t kan ook gewoon stoverij geweest zijn, dé specialiteit van ons moe. Ik herinner mij dat iemand het verschrikkelijk bericht van Octaaf's dood bracht en dat zelfs papa erg aangeslagen was. Onze Herman, die naar 'De Bonte dinsdagavondtrein' of 'Negen heit de klok' aan het luisteren was, moest onmiddellijk de radio uitzetten.

Eremis onze Herman

De dag - 25 augustus 1957 - dat onze Herman zijn eremis deed was voor het dorp een hele belevenis. Maanden vooraf kwamen de buren bijeen om te kunnen paleren (versieren). Op de dag zelf was de weg van bij ons tot aan de kerk afgezoomd met kerstbomen die met elkaar verbonden waren door papieren guirlanden. Op de cruciale punten stonden enorme sierbogen over de straat gespannen. En aan praktisch elk huis hing een jaarspreuk, een religieus geïnspireerde tekst of wens, waarbij de som van de letters die een Romeins cijfer zijn, 1957 moest zijn.

 

We gingen, samen met alle familieleden en vrienden-genodigden, te voet naar de kerk. Onderweg moest Herman al een paar keer zijn priesterlijke zegen geven (hij was inderdaad de week voordien door de bisschop van Gent, Mgr. Calewaert, in de Sint-Baafskathedraal tot priester gewijd).

 

De mis zelf was één grote plechtige bedoening : vier assistenten - Kanunnik Coppens, de pastoor en twee collega's - , mooie kazuifels, veel wierook, prachtige muziek van de zaalzangers die speciaal hadden gerepeteerd, ...

Wij - ouders, broers en zus - waren allemaal fier. Ons moe pinkte af en toe een traantje weg.

 

Na de mis droeg mijn leeftijdsgenootje Rose-Marie De Block een gelegenheidsgedicht voor, waarna de teruggang naar huis, voorafgegaan door het muziek van Lebbeke en Baardegem, begon. Het was een echte triomftocht.

 

's Namiddags, tussen het feest door, kwam de harmonie nog een serenade brengen, sprak Oscar De Gols een feestrede in naam van de buren en parochianen en Rita De Clerck in naam van de Boerinnengilde, en kreeg onze Herman verschillende geschenken : een bandopnemer van de dorpsgenoten, een deken van de Bollekes, een typemachine van 't Atoompeleton, een radio van de schutters van St Jozef, ...

 

Het feest zelf werd verzorgd door nonkel Louise van Cornel en een paar helpsters en ging door in onze grote kaumer, een uitzonderlijke gebeurtenis, en in ons keuken !

01.jpg 
Wijding in Gent. Herman 2e van links

02.jpg 
Wijding in Gent. Herman 3e van links. Achteraan : Lizette, papa en ons moe

herman01.jpg
Herman wordt priester gewijd door Mgr Callewaert in Gent (1957)

foto01.jpg
De pas gewijde priesters feliciteren mekaar (1957)

herman02.jpg
Deze foto deelde Herman uit bij zijn eremis in Baardegem (1957)

Foto%20(4).jpg

Louis Baert, pastoor Pieters, onze Herman, André De Paepe, Pol Gorrez

Foto%20(5).jpg

herman%2003.jpg 
Eremis in Baardegem : ik, Marc, Miel, papa

Foto%20(9).jpg 

Eerste rij : Marc, Miel, papa, ons moe, Lizette, Ludwine,tant

herman%2004.jpg 
Op 't hoogzaal : Jaak aan orgel

herman%2005.jpg 
Na de mis onder ereboog

herman%2006.jpg 
Op weg naar huis : papa, Herman, moe, Lizette, Miel

herman%2007.jpg 
Herman zegent Lowiekes Genie, Finne, Edgard, Emma

herman%2008.jpg 
Alle genodigden op onze hof

Foto%20(14).jpg 

De bloemisten met hun geschenk : Marcel Van Den Broeck, Arthur Van Lembergen, Oscar Van Langenhove, Frans Van Langenhove (van Verissens), Alfons Van Den Broeck (de melkman), Herman, nonkel Alfons,Odilon Blindeman, Albéric Blindeman, nonkel Eugeen

herman%2009.jpg 
De pastoor aan het woord. Herman, ons moe, Cesar Blindeman. Op de rug : burgemeester Albert Raemdonck in de kaumer met de schilderijen

feestherman.jpg 

Tante Delphine, Louis Baert, nonkel Eugeen, tante Alice en Lucieken

Foto%20(17).jpg

Tant, nonkel Jef, Ludwine en Miel

Foto%20(18).jpg

Nonkel Alfons, tante Delphine, tant en nonkel Jef

herman%2010.jpg 
De jeugd zit in de keuken : Jaak, Raymonda Blindeman, E.H. Gorez, E.H. De Schepper, E.H. De Paepe, Lizette, E.H. Bosteels, Mia, ik, Fong, Marc

herman%2011.jpg 
Mia, meester Paul, Marc en Jaak aan de piano

herman%2012.jpg 
Lizette, papa, Herman, moe, Jaak, Miel, Marc en ik

Foto%20(23).jpg 

Oscar De Gols leest een brief voor namens de bevolking.

Foto%20(24).jpg 

Miel, Marc, Ludwine, Louise Vermeir, tant, Frans Van Langenhove, Oscar Van Langenhove en Oscar De Gols.

Foto%20(25).jpg 

Onze buur Raymond De bolle leest een gedichtje. Achter hem zijn broer Gaston.

Foto%20(26).jpg 

Gaston De Bolle geeft het geschenk af.

Meer van Herinneringen aan mijn jeugd

↑ Terug naar de berichten