Parochiekerk circa 1930

Hier werd toen nog ieder jong mensenleven ten doop gehouden, ook dat van mij.
Te voet, een half uur gaans, van uit het bronsgroen eikenhout, naar de kerk gedragen door peter en meter vergezeld van de wroetvrouw. Geloof het of niet, ik was er zelf bij. Mijn peter heb ik sindsdien nooit meer gezien. Hij overleefde de oorlog niet.
Mijn doopmeter was een steeds opgewekte druk pratende, zorgzame, lieve tante. Zij werd in 1970, op dezelfde dag als haar echtgenoot, mijn oom Frans, begraven.
Mijn verste herinneringen reiken tot mijn drie tot vierjarige leeftijd. In mijn geheugen zie ik nog steeds, mezelf optrekkend aan de tafelrand, hoe moeder en vader aan de tafel staande, boter en eieren schikten in een grote wissen mand met groot handvat.
Een andere keer lieten mijn jongere zus en ik ons, om beurten hangend aan de staart van onze grote rosse Mechelse scheper, door de huiskamer voortslepen.
Of nog hoe de Belgische soldaten in 1939 thuis in de schuur sliepen en hoe ze de ganse opkelder hadden volgestouwd met langwerpige witte broden. Daar mochten we zeker niet in de buurt komen.
Of hoe één van die soldaten, op een oude krakkemikkige fiets zonder banden, door de sloot koerste.
Wij speelden en ravotten met hen, maar tot in de stal tussen de koeien dierven ze ons niet achtervolgen.
Acht! Wat is die tijd reeds lang geleden en wat is alles zo onvoorstelbaar snel veranderd, vooral in gunstige zin.
















