Zonder enige twijfel was het zo’n V1 die mijn vader, in april 1944 rond 7 uur in de morgen, hoorde naderen. Op dat moment viel het pruttelend geluid in de verte plots stil. Vader snelde van op de akker vliegensvlug naar huis, in paniek schreeuwend: ”Iedereen naar buiten! Er gaat een vliegende bom op het huis vallen!”
Al wie kon vluchtte het huis uit. In zeven haasten trok moeder de dekens helemaal over het slapende jongste kind. Zij en mijn oudste zus grepen in allerijl elk één van de jongere kinderen onder de arm en vluchtten naar buiten. Op dat ogenblik ontplofte de bom, waardoor beiden tegen de grond werden geslingerd.
Op de slapende kleinste en mijn jongere zus na was iedereen tijdig buiten geraakt. Mijn broer Frans en ik vluchtten achter onze vertrouwde hooimijt, vanwaar wij angstvallig het akelige geruisloos naderende vreemde tuig, in glijvlucht zagen dalen in de richting van onze hoeve.
Mijn broer en ik draaiden behoedzaam mee rond de hooimijt. Pal boven het huis gekomen, op een hoogte van ongeveer vijftig meter, brak toen plots, met een lichte knal, de linker vleugelstomp van de logge romp af. Het stuk vleugel stortte neer en boorde zich een paar meter achter het huis met een tip in de grond.
Toen kantelde de bom naar links, en gleed langzaam van het huis weg. We zagen ze achter de nok van het dak verdwijnen.
Een paar seconden later klonk een doffe knal. Een ogenblik later zagen wij voor onze ogen duizenden grote en kleine projectielen, als een wervelwind, het weidegras aan flarden rukkend, voorbijvliegen.
Wij twee waren dubbel beschermd, door het huis en door de hooimijt. Geen vijf seconden later was alles rondom ons gehuld in dichte zwartgrijze rook. Daarop volgde een ijzige stilte.
Van de hand Gods geslagen kwamen wij na enkele ogenblikken uit onze schuilplaats te voorschijn. Wat we zagen was een apocalyptisch beeld.
Een haast niet te beschrijven ravage was aangericht. De boerderij stond nog rechtop. Geen enkele pan lag nog op het dak. Het ganse neerhof was bezaaid met brokstukken, scherven van dakpannen, stuk geslagen vensters en spaanders hout van deuren, ramen en daktimmerwerk.
De grote schuurpoort lag wel twintig meter verder, in de weide van een buurman geslingerd. Bijna alle buitendeuren waren uit hun hengsels gerukt.
Toen zagen we vader en mijn oudste broer komen toelopen vanuit de richting waar de bom was ontploft. Tegelijkertijd zagen we moeder nabij de drinkwaterput recht krabbelen met een van de kinderen op de arm. Ook mijn twee jaar oudere broer en mijn oudste zus kwamen erbij staan. We stonden allen aan de grond genageld.
Het leek wel een mirakel. Niemand bleek gewond, of toch wel. Na enkele ogenblikken kwam mijn jongere zus het huis uit, ze weende. Een paar straaltjes bloed, liepen langzaam langs haar elleboog en haar dijbeen naar beneden. Na verzorging bleken ze veroorzaakt door rondvliegende glasscherven.
En de jongste broer? Die lag nog rustig voort te slapen in zijn bedje, onder de dekens die moeder helemaal over hem heen had getrokken. Over de hoge bedrand heen lag het uitgerukte vensterraam. De talloze glasscherven hadden hem niet gedeerd.
In de woonkamer was alles stuk geslagen. Potten en pannen, borden en tassen lagen verspreid op de grond. Zelfs het behang hing met grote lappen aan flarden van de muren naar beneden. Overal verspreid lag kalk van losgerukt bezetsel en scherven van stukgeslagen ruiten.
Van beneden op de vloer kon je op talrijke plaatsen gewoon, langs de muur naar boven kijkend, de lucht waarnemen.
Grote verslagenheid alom.
Er was in gans het huis geen enkel venster meer heel. Van alle binnendeuren hing er nog slechts één vast met één enkel scharnier.
Buiten lagen tot ver in de omtrek overal verwrongen en doorboorde stukken grijsgroen gekleurd verwrongen en doorboord plaatwerk, onderdelen van de bom.
Het duurde lang eer iedereen een beetje bekomen was van deze enorme verschrikking.
Al gauw kwamen de eerste ramptoeristen toestromen.
Wat mij toen het diepste heeft getroffen was de ongelooflijke nieuwsgierigheid en het franke optreden van een aantal toegestroomde dorpsgenoten. Er liepen zeker meer dan honderd nieuwsgierigen rond. Sommigen overdreven nieuwsgierigen gingen ongegeneerd zelfs tot in het woonhuis rondneuzen.
Er was er slechts één, een schooljuffrouw, die hulp kwam bieden bij de verzorging van de enige lichtgewonde.
We hadden plots geen privé meer. We stonden als het ware ineens hulpeloos op straat.
Ik vraag me zelfs vandaag nog af, waar mijn ouders de moed vandaan hebben gehaald om deze onbeschrijflijke ramp te boven te komen.
Met alle mogelijke middelen werden de allernoodzakelijkste deuren en ramen voor de eerstkomende nacht dicht getimmerd. De rest zou later wel volgen.
Ik herinner me vandaag nog zeer goed hoe we die nacht, allen bevreesd voor de dieven, zijn gaan slapen.
Precies veertien dagen later, op een donderdag rond 13.00 uur, kwam er weer zo’n sputterend tuig zeer laag overvliegen. Het hele huis daverde. We stormden naar buiten. Daar zagen en hoorden we de bom verder pruttelen. Op dat ogenblik viel de motor uit. Het akelige tuig daalde in zweefvlucht, langzaam glijdend voorbij ons huis, tot het 400 meter verder in de toppen van een dennenbosje ontplofte.
Vandaag kunnen we ter plaatse nog vaststellen, hoe er in diezelfde rij dennen een flink aantal ontbreken.
Twee vliegende bommen (V1) en één tweetrapsraket (V2), in de Goorstraat, hebben zo’n 64 jaar geleden ons klein dorpje weten te treffen. Er was telkens grote stoffelijke schade, doch er vielen hierbij gelukkig geen doden.
Moest ik vandaag die Duitse rakettenpionier Von Braun nog kunnen ontmoeten, ik zou het hem eens flink onder zijn neus wrijven. De man is echter reeds 31 jaar geleden overleden.