Het werd oorlog


Toen kwam het Duitse leger ons land binnenvallen.
Zoals talloze andere gezinnen trokken mijn ouders op de vlucht. Met paard en kar en alles wat we maar konden laden ging het instinktmatige westwaarts, weg van het bangelijke naderende Duitse leger.
Amper vertrokken, hoorden we hoog boven onze hoofden de gierende, razende en elkaar bestokende vliegtuigen te keer gaan. In grote bogen om elkaar heen draaiend, steeds opnieuw stijgend en dalend, om mekaar te ontwijken, ratelden minutenlang de zware machinegeweren. Projectielen floten overal in het rond. Vader leidde paard en kar in allerijl onder een rij hoge dennen en struiken naast de weg. Half dood van schrik zaten mijn broer, mijn zus en ik op de kar, diep weggezakt tussen de dekens en kussens. Het angstaanjagende luchtgevecht greep eigenlijk zeer hoog boven onze hoofden plaats en hun dreiging was zeker niet voor ons bedoeld. Toch zagen we in de verte enkele dakpannen van ons nieuwe huis aan scherven uiteenspatten.
Onze vlucht bleek achteraf voorbarig geweest. Diezelfde avond zou ze een paar dorpen verder reeds eindigen. Want inmiddels was het Duitse leger toen reeds met grote haast richting Diest en Brussel voortgeijld. We hadden nergens Duitse soldaten gezien.
Gelukkig maar.
Die nacht sliepen we in de schuur van een boerderij. Als kleinsten werden we de volgende morgen verwend met boterhammen en een lekker spiegeleitje.
Nog diezelfde avond waren we weer allemaal samen thuis.

















