Onze nieuwe woonst.
Kort voor het uitbreken van de oorlog waren mijn ouders, met het ganse gezin en al hun hebben en houden, verhuisd naar de inmiddels nieuwgeboude boerderij (zie foto van circa 1985), nog een eind verder verwijderd van kerk en school.
Bij de verhuis moest iedereen natuurlijk zijn steentje bijdragen. Vader verhuisde met paard en kar. Van de kinderen nam de één de kruiwagen, een ander zeulde met een mand of een stoel langs de zandweg, 400 meter verderop naar de nieuwe woonst.
De binnenmuren waren er nog krijtwit. Ze roken sterk naar vers pleisterwerk. Maar de vloer was geplaveid met prachtige gele, groene en bruine dooraderde Luikse tegels. In het huis bevond zich een Leuvense stoof. In de kamerplaats ernaast stond er zowaar nog een veel mooiere. Als deze laatste in hartje winter werd aangemaakt, was het daar heerlijk warm en gezellig.
Er waren apparte stallingen, voor het paard, voor de koeien, voor de kalveren, voor de varkens. Ja zelfs de kippen hadden een ruim hok en een heel grote ren. Als er sneeuw lag kwamen de patrijzen, en fazanten er een graantje meepikken.
Een uitzonderlijke keer kwamen zelfs de everzwijnen 's winters meegenieten van de opgestapelde aardappels en voederbieten. Ook de bunzing en de wezeltjes wisten de kippeneieren te vinden.
In de ruime natuur rondom de boerderij waren hazen, wilde konijnen, een zeldzame vos en talrijke bosduiven helemaal niet ongewoon.
Af en toe belandde er zo wel één of ander van dat lekker wild op ons bord. Hmmm... lekker! Dat was natuurlijk wat anders dan de alledaagse aardappelen met salade en ajuinsaus.
Door de nog langere afstand naar kerk en school was er nu alle dagen nog meer plaats tijd voor het uithalen van allerlei fratsen en kattekwaad. Er was natuurlijk ook de tijd en de gelegenheid voor het opdoen van talrijke nieuwe ervaringen in de vrije natuur, in beemden, velden, bossen en heide.
Dat alles vormde het paradijs van onze kindertijd.


















1 reactie op dit bericht
een bronsgroen eikenblog