
Terwijl elders in de grotemensenwereld de onbarmhartige oorlog voortwoedde, waren wij ons als kind maar weinig bewust van het onnoemelijke leed dat door die wrede oorlogoveral werd aangericht.
Vader en moeder hadden alle dagen de handen vol met werken en zorgen voor hun gezin, dat in 1940 reeds zes kinderen telde, de oudste elf en de jongste drie jaar oud.
De boerenstiel was een hard bestaan. De opbrengsten op de weinig vruchtbare grond van deze streek waren alles behalve rooskleurig. de oudsten van de kinderen werden de ene na de andere eveneens aan het werk gezet.
Er werd geholpen op de akker, bij het ploegen, eggen, zaaien, maaien oogsten.
's Winters werd er vooral graan gedorst en hout ingezameld voor de verwarming. Hiervoor kocht vader ieder jaar een koop hout. Dat werd dan gekapt en op maat gezaagd. Het dunne rijshout werd in mutsaards gebonden. Met paard en kar werd later alles naar huis gebracht. Daar werd alles netjes gestapeld. Ieder jaar een flinke houtmijt. Het dunne rijshout was erg belangrijk voor het stoken van de bakoven.
Moeder had intussen de handen vol met de verzorging van het gezin. Eten bereiden, koken, wassen, drogen, naaien, strijken, koeien melken, de melk afromen, boter en kaas maken, brood bakken en nog veel meer.
Voor en na schooltijd bestond de hulp van de kinderen vooral uit: 's zomers, koeien hoeden, langs de wegkanten of in de gemeentehei. Helpen bij het hooien en graan oogsten, korenaren rapen, aardappelen en voederbieten rooien en aan huis stookhout zagen of klieven, de bakoven heet stoken, de stallen uitmesten en proper houden, aardappelen schillen, maïskolven peulen, touwen vlechten van hennepvezels, enz... .
Op schooldagen trokken we dagelijks te voet op houten klompen langs smalle kronkelige, soms drassige straatjes, een half uur ver naar kerk en school.
We leerden daar in die tijd eigenlijk niet zoveel, behalve allerlei kattekwaad.
Leer- en schrijfboeken waren in die tijd erg schaars. We leerden wat rekenen en lezen.
De lei en de griffel waren toen de belangrijkste leermiddelen.
Er bestond in die tijd ook nog de 4de graad in het lager onderwijs, voor de jongeren van 13 en 14 jaar. Die hadden toen toch al een schrijfboek voor huistaken.
Met de aanwezigheid van die leerlingen was het vaak maar pover gesteld op de boerenbuiten. Zij konden al wat zwaarder werk aan en moesten dus thuis op de boerderij helpen.
Als de schoolbel voor ons jongeren het einde van de schooldag aankondigde, waren we de koning te rijk. De kousen in de broekzakken, de houten klompen in de handen, renden we barvoets huiswaarts.
Vlug wat eten, daarna één of ander karweitje en dan eropuit, langs sloten, beemden, velden en bossen tot ver in de omgeving.