
Voor regen of wind waren we nooit vervaard.
Bij dreigend onweer, donder en bliksem, liepen we om ter snelst weer naar huis. We vestopten ons dan onder een deken om de bliksem niet te zien. Maar als vader dan thuis was, waren we gerust in de afloop van de zaak.
Bij mooi weer zwierven dikwijls barrevoets langs wegen en velden, sloten en grachten op zoek naar vogelnesten of allerlei bloemen of vlinders. Of we vingen salamanders, kikkers of stekelbaarsjes in de sloten. Daarin was het water toen nog glashelder.
Door de zompige beemden ploeterden we tot bij de mooie knalgele dotterbloemen of de ranke stengels van de gele lissen, of het uitgestrekte tapijt van het helderwitte veenpluis (wollegras).
Bij het plukken van rietstengels, met hun langwerpige smalle vlijmscherpe bladeren, kon je vervaarlijke snijwonden oplopen. Dikwijls verzamelden we bundeltjes rietpluimen en de sierlijke lisdodde tot een mooi boeket.
Van de waterbiezen vlochten we slierten om ter langst, om er daarna kleine matjes of vederlichte sandaaltjes mee te maken.
Het water in de smalle slootjes was meestal glashelder. Je kon er gewoon van drinken, maar de bodem was er bedekt met een dunne roestbruine laag, voortkomend van een ijzerhoudende onderlaag in de bodem. Van moeder leerden we dat dit glashelder water geneeskrachtig werkte bij licht ontstoken oogleden van kleine kinderen!
Soms zag je er stekelbaarsjes pijlsnel wegflitsen naar een veiliger bergplaatsje. Zelfs jonge snoekjes ter lengte van 10 tot 15 cm 15 cm zag je er hier of daar roerloos tussen de waterplanten liggen genieten van de weldoende zonnestralen.
Duizenden snelle draaikevertjes (schrijverkes) cirkelden in allerlei bochten kris kras door elkaar, om dan plots met zijn allen weer even roerloos stil op het heldere water te blijven rusten. Geen wonder dat de dichterlijke ziel van Guido Gezelle ze zo mooi heeft beschreven in zijn prachtig gedicht “Het schrijverke"