anton korteweg


onder en boven, je bent om me heen, ik in je, je
weet van mij alles.
dat je me omringt, vooruit, me
doordringt, alles weet uit hoofde van jij, nou ja, maar
dat je daar ook nog op uit bent!
geen plaats van je is er die, wil hij, niet ziet mij, die
niet in zich heeft mij.
ver weg of dichtbij, in de kraag pak je me; geen kant kan ik op, in
zolder niet en nergens - licht is er niets bij.
niet raak ik me ergens in kwijt en niet
in de tijd; wat ik ook maar van plan ben, waar
en wanneer, je wist allang dat ik toen dat en dat - dat
ik knap in elkaar, heb je wel voor gezorgd.
gebonden zijn, gekend, in iemand - erg is het,
maar niet is nog erger misschien.
en hoe dan ook, altijd, ik denk aan je,
op de gekste momenten en nooit
niet eens niet.
het moet wel dat ik van je hou, de
pest heb aan wie dat aan jou. ken me dan maar, weet
wie ik ben en doe maar.
uit: met flinke pas (2003)
uitgever: meulenhoff, amsterdam



















