uvi


en telkens weer
schaatsen we
andere woorden
sporen naar jou
krassen liefde
op je zere ziel
van weemoed
klunen we naar elkaar
uvi

en telkens weer
schaatsen we
andere woorden
sporen naar jou
krassen liefde
op je zere ziel
van weemoed
klunen we naar elkaar



zoenen is onverbiddelijk
er is weinig dat zo nauw luistert
lippen zijn de gevoeligste oren die we hebben
en een tong kan eindeloos liegen,
maar niet tijdens de zoen...
uvi

zoals zij poëzie schrijft
met het wiegen
van haar heupen
vlinders verleidt
met het knipperen
van haar wimpers
en woorden welkom heet
met het klakken
van haar tong
o, zo
en zo alleen
zou ik haar
willen dichten
nobelprijs - uvi

als een boek op de index
lig jij opengeslagen
op onbeslapen pagina's
wakker worden
met woorden
in je handen
en voelen
met vingers verlangen
om jou te lezen
twee blanke boeken
om te strelen
die zachte nobelprijzen
van jou



ik hoorde de lakens
vlekkeloos praten.
misschien was het wel klagen.
hoe hun nachten
er kreukeloos
bij lagen.
en ook hun donkere dagen.
zonder het gewoel
van heftig gevoel.
ooit waren kreukels
hun tedere maatjes.


de wind was traag. pas vandaag dwarrelde jouw brief binnen tussen de takken van m'n zolderkamer.
annie reniers

op weg naar zegbaarheid
maar net ontheven
en zo nauwelijks rakend
begeeft het teken zich naar de verte
waar het van overvaart tot overoever
stilhoudt
het zicht op rivieren is hier
eindstation van een droom
het schamele het luttele het gemalen zand
spreekt zijn korrels gedrenkt in inkt
voor nieuw vertrek
naar de verlaten wenkende overkant
terug
je legt je pen op leegte en wacht
liefde
vipassana
en toen werd het 12 dagen heel erg stil
slauerhoff’t begon op een zomernacht, bijna toevallig:
terwijl zij zich aan het venster koelde,
droomde haar lieveling bang en woelde
zich bloot. zij vond haar, omziend, bevallig:
de handen naast ’t hoofd geperst in ’t kussen,
’t dek afgegleden, de knieën hoog
en zelve in zachte boog. zij wilde kussen,
zacht, dat ze niet ontwaakte, maar ze bewoog
toch, en kreunde als in een droom gevallen,
ontstellender nog; zij heeft haar toen gewekt,
en de leden die zij lijden zag in felle
angst met haar groter lichaam toegedekt.
’t was niet haar schuld, zij had het niet bedoeld.
wanhopige verrukkingen ontstonden.
zij wist niet meer hoe ze vroeger bestonden,
zo dicht bijeen. had geen dit ooit gevoeld ?
nu werden ze anderen in één hevige stonde.
zij voelden zich ineengevlijd, een kus, en
tegelijk geschokt in bevredigd snikken.
vergeefs hielden zij een sluier tussen
beiden, in te overstelpende ogenblikken.
in ’t licht, vervreemd, zag zij haar lievling weer:
zij lag achterover en sloeg haar gade,
die overeind stond, mijmerend na de
eerste nacht, de armen hoog, ’t hoofdje beschouwend neer.

het leven mag zijn eigen natuurlijke loop nemen
dan wordt het levendiger, opener, beweeglijker...
misschien geen rozentuin, maar wel waarachtig
szymborskadoodgaan - dat doe je een kat niet aan.
want wat moet een kat
in een lege woning beginnen.
tegen de muren op lopen.
langs de meubels wrijven.
zogenaamd niets veranderd,
maar alles toch anders.
zogenaamd niets verplaatst,
maar toch alles opzij geschoven.
en 's avonds schijnt de lamp niet meer.
stappen op de trap, maar niet die stappen.
de hand die de vis op het bordje legt
is ook niet de hand die dat deed.
iets begint hier niet om zijn gewone tijd.
iets gaat hier niet zo als het moet.
iemand was hier steeds, verdween toen plotseling
en blijft koppig weg.
in alle kasten gekeken. alle planken afgerend.
onder het kleed gekropen en gecontroleerd.
zelfs het verbod getrotseerd
en de papieren rondgestrooid.
wat is er meer te doen.
slapen en wachten.
als zij nou toch terugkomt,
zich nou vertoont, dan zal zij het weten:
zo ga je niet met een kat om.
naar haar toe lopen als met de grootste tegenzin,
op het dooie gemak, op diep beledigde poten.
en om te beginnen niks geen gespring en gepiep.
gabriela mistraland we go on and on,
neither sleeping nor awake,
towards the meeting, unaware
that we are already there.
that the silence is perfect,
and that the flesh is gone.
the call still is not heard
nor does the caller reveal his face.
…..
but perhaps this might be
oh, my love, the gift
of the eternal face without gestures
and of the kingdom without form!
gabriela mistral – The Poet and Her Work P.83
by Margot Arce de Vazquez
translated by Helene Masslo Anderson
New York University Press 1964
een opstootje van heimwee.....

"si tu chantes la beauté,
même dans la solitude du désert,
tu trouveras une oreille attentive",
lisait khalil gibran dans le sable
du désert et des secrets de sa faune,
tandis que le jour se lève à l’odeur
du thé à la menthe, réveillant les
touareg et les vies se tapissant
sous l’or du sable et du soleil
sachant que dieu a créé des
contrées pour vivre et a établi le désert
pour méditer et écouter son silence....


stijn vranken

ik kan je nu al zeggen
nog voor eender wat,
dat je mijn hart allang
niet meer verlaten kan.
tenzij heel even - zoals nu,
om wadend door m’n bloed
naar m’n hoofd te stijgen.
dan denk ik aan je.
zoals nu.
vanmorgen 6:30

prachtig priemende ochtendzonnestralen
door het gebladerte in het bos
daarin
ik
en het hertje
nog zo jong om alleen te zijn
annick de souzenelle

le corps
est à la fois notre outil
et notre système de références
pour atteindre à notre vraie stature
qui est divine
arianna huffingtonfearlessness
is like a muscle
I know from my own life
that the more I exercise it
the more natural it becomes
to not let my fears run me.
gabriela mistralthe night, it is deserted
from the mountains to the sea.
but I, the one who rocks you,
I am not alone!
the sky, it is deserted
for the moon falls to the sea.
but I, the one who holds you,
I am not alone !
the world, it is deserted.
all flesh is sad you see.
but I, the one who hugs you,
I am not alone!