1926 – 6 mei : De zomervacantie voor de Leestse scholen werd bepaald :
van 15 juli tot 1 september i.p.v. 15 augustus tot 20 september.
1926 – 6 mei : De oorloggschade voor Leest werd bepaald op 28.331 fr.
Een speciaal krediet van 500 fr werd door de Gemeenteraad gestemd om advokaat
De Glas te vergoeden die in deze materie Leest vertegenwoordigde.
1926 – 6 mei : Daar veldwachter Huybrechts geen toelating kreeg van de Bestendige
Deputatie “tot het roepen in openbare verkoopingen” en daar zijn voorganger
Van Hoof dit wel deed, evenals zijn collega’s uit de omliggende gemeenten,
besloot het gemeentebestuur de wedde van de veldwachter aan te passen en van
4.500 op 4.800 fr te brengen.
1926 – 27 mei : “Gezien de borden in de gemeentescholen sedert 13 jaren niet meer
geschilderd zijn geweest, en dat de heer Jozef Mellen, specialist leischilder te
Auderghem, zich aangeboden heeft om die schildering te doen.
Overwegende dat de schildering over dertien jaren gedaan, volkomen en
langdurigen weerstand heeft en dus volkomen heeft voldaan aan de
verwachtingen besluit het Schepencollege Dhr Mellen te gelasten met
de leischildering van deze borden aan 10 fr per vierkante meter en 50 centiem
per meter loopend voor de lijntrekkingen op de borden.”
1926 – 17 juni – Gemeenteraad :
Bespreking schrijven van Eerw. Heer De Winter, Diocesane Schoolopziener :
“...deze doet aan de gemeente aanmerken, dat er in de gemeentescholen slechts
3 halve dagen ter week des namiddags gewijde geschiedenis wordt gegeven,
terwijl in andere Katholieke buitengemeenten alle dagen des namiddags gewijde
geschiedenis wordt gegeven.
Gezien de uurtabellen door de onderwijzers afgegeven die de lessen aanduiden,
overweegt de Raad dat er sedert 1884 geene verandering meer toegebracht werd
aan het leerprogramma der scholen en alvorens verandering toe te brengen aan
het programma zal het gevoelen van den heer Kantonalen Opziener gevraagd
worden.”
1926 – 17 juni : De gemeenteraad gaf een gunstig advies aan het ontwerp der
maatschappij van Buurtspoorwegen tot inrichting van een autobusdienst
Breendonk-Tisselt-Leest-Battel-Mechelen.
1926 – Op zondag 20 juni had in de gemeente de verkoop plaats van het
“Wezenbloempje”een initiatief van het “Nationaal Komiteit voor Oorlogswezen”.
Schoolhoofden De Leers en Hellemans werden belast met deze verkoop.
1926 – 22 juni : “De stroomijt van Jan Gobien, Tisseltbaan, is afgebrand.
Er moet kwaad opzet in het spel zijn.”
1926 – 22 juli : “De Soeurs rédempts ristines de Malines” verkregen een eeuwigdurende
vergunning tot begraving van “de tegenwoordig bestaande kloosterlingen, en van
de later deelmakende dier orde”.
Het gemeentekerkhof stond daarvoor 9 vierkante meter af.
Totale kostprijs : 1.426 fr.
1926 – 8 augustus – De Volksstem :
Ijselijk ongeluk- Een man verpulverd
Donderdag namiddag waren werklieden bezig met het schilderen der electrische
palen even buiten de kom der gemeente Leest.
Een werkman, zekere Vermost, ongehuwd 33 jaar oud, wonende
Leuvensesteenweg te Mechelen, die zich met zijn lederen reep en de
daaraan vastzijnde verzekeringsketting wilde vastmaken, wierp deze ketting
over den electrischen draad, met het ongelukkig gevolg dat de ketting den
draad raakte en de ongelukkige geëlectrocuteerd werd.
Vermost werd totaal verpulverd naar beneden gehaald.”
1926 – 23 augustus : Landbouwer Theophiel Van Aken uit de Kleine Heide diende klacht
in tegen de electriciteitsmaatschappij Electricité de la Belgique.
De maatschappij had een “ijzeren staak der hoogspanningslijn” geschilderd en
een melkkoe van de landbouwer had aan de verf gelikt met als gevolg dat de koe
bij hoogdringendheid moest worden afgemaakt.
Volgens een verklaring van veearts Van Passen had de koe een handelswaarde
van 4.000 fr.
1926 – 9 september : Bij Ministrieel Besluit van 9 september 1926 (nr. 17058) werd
de oorlogsschade van de gemeente Leest bepaald op 28.331 fr.
(GA-28/6/1927)
1926 – 24 september : “...door overeenkomst van 24/9 werd aan de gemeente een
noemkapitaal van fr 14.800,...obligaties der openbare schuld 5% 1925
toegekend, in regeling van oorlogsschadevergoedingen.”
(GR-15/12/1927)
1926 – 16 oktober : Veearts Van Passen stelde mond- en klauwzeer vast bij vee van
David Alfons Verbruggen uit de Tiendeschuurstraat.
David Verbruggen bezat 7 koeien, 1 stier, 8 runders en evenveel varkens.
1926 – 27 oktober : In de gemeente heerste een algemeen en groot gebrek aan
steenkolen.
De plaatselijke kolenhandelaars kloegen dat zij hunne lang gedane bestellingen
niet konden bekomen van de mijnen.
1926 – 28 oktober : De gevreesde besmettelijke ziekte mond- en klauwzeer sloeg
opnieuw toe. Vee van Petrus De Prins en Jozef De Maeyer, beiden uit de
Kleinheidestraat, werd aangetast.
De komende weken zou de ziekte zich verspreiden naar de Bist en de Kouter.
Slachtoffers werden : Jan Jozef Verlinden, Jan Baptist Verbergt, Frans
Piessens en Louis Mertens.















