Mijn Jeugdjaren

Ik ben een gelukkige gepensioneerde en vooral bijzonder fier op mijn kinderen en kleinkinderen.
Ook op mijn beroepsloopbaan kan ik met voldoening terugblikken. Ik heb eigenlijk altijd mogen doen wat ik graag deed. Natuurlijk ging dat soms met vallen en opstaan en bracht het ook de nodige stress met zich mee. Maar ik hield van uitdagingen en was pas echt gelukkig wanneer ik nieuwe dingen mocht ontdekken, uitproberen en realiseren.
Toch is er één ding waar ik spijt van heb. Eigenlijk heb ik dat mijn hele leven geweten, maar het is me nog duidelijker geworden tijdens ons eerste familiefeest.
Dat vond plaats in Balegem, in zaal De Kring. De verantwoordelijke voor de zaal was Mortier, een vroegere klasgenoot van mij uit de lagere school.
Tijdens een gesprek vroeg hij me welke studies mijn kinderen hadden gevolgd. Toen ik hem vertelde dat ze alle drie een universitair diploma hadden behaald, vond hij dat eigenlijk niet meer dan normaal. Ik was immers in de lagere school in Balegem altijd een van de beste leerlingen geweest.
Wat mezelf betrof, moest ik hem echter vertellen dat ik onderofficier bij het Belgische leger was geworden. Hijzelf en verschillende van mijn vroegere klasgenootjes hadden daarentegen wel de kans gekregen om met succes universitaire studies te volgen.
Waarom dat voor mij niet mogelijk was, zal in het verdere verloop van mijn verhaal duidelijk worden.
Misschien begrijpen mijn kinderen hierdoor ook beter waarom ik het altijd zo belangrijk heb gevonden dat zij een universitair diploma zouden behalen. Ik wilde hun de kansen geven die ik zelf niet had gekregen. Daarvoor was geen enkel offer, ook financieel niet, mij te veel.
Dit gedeelte van mijn autobiografie beschrijft de periode vanaf mijn eerste bewuste herinneringen en waarnemingen tot aan mijn intrede in het beroepsleven in Aken, Duitsland.
Geboren in Balegem, 1937
Balegem is een landelijk dorp aan de rand van de Vlaamse Ardennen.
Dit is een van de weinige foto's die uit mijn prille kinderjaren bewaard zijn gebleven. Ik zit op de schoot van mijn moeder, in het gezelschap van mijn peter. Zo te zien was ik een echte 'wittekop'!

Mijn eerste jeugdherinnering
Mijn allereerste herinnering aan mijn jeugd is die van een zonnige dag. Ik lig rustig te genieten voor het ouderlijk huis. Mijn moeder vertrekt naar de kerk, met een baby op de arm.
Ik moet toen twee of drie jaar oud geweest zijn. Het ging wellicht om de kerkgang na de geboorte van mijn zus Brigitte of Henriette.
Pas veel later heb ik gelezen en begrepen wat de betekenis van die kerkgang precies was.
In een katholiek gezin gold destijds de opvatting dat een vrouw die pas bevallen was, gedurende de eerste tien dagen als onrein werd beschouwd. Ze mocht in die periode niet buitenshuis komen, niet naar de winkel gaan en zeker niet in de kerk verschijnen.
Na afloop van die periode werd ze uitgenodigd om de zogenaamde 'kerkgang' te doen, een religieus ritueel waardoor ze opnieuw rein werd verklaard.
Bij dit gebruik hield de kraamvrouw in de ene hand een doopkaars en met de andere hand hield ze de punt van de stola van de pastoor vast. Samen begaven ze zich naar het altaar, waar een dankgebed werd uitgesproken. Het ritueel hield ook verband met het opdragen van de pasgeboren baby aan Maria.
Na deze plechtigheid werd de moeder opnieuw als rein beschouwd en mocht ze weer volwaardig deelnemen aan het sociale en religieuze leven.
De kerkgang raakte vanaf de jaren zestig geleidelijk in onbruik.
Ons ouderlijk huis en het gezinsleven
We waren een groot gezin, wat in die tijd helemaal niet ongewoon was. Ik had twee broers en zes zussen die ouder waren dan ik. Na mij kwamen er nog twee zusjes bij.
We woonden in een gehuurd huis, volledig gelijkvloers, met enkele stallingen aan de woning en vrij veel grond eromheen. De witgekalkte muren waren begroeid met druivelaars.
We hadden ook enkele dieren. Voor een kind was dit natuurlijk de ideale omgeving om samen met de buurjongens naar hartenlust te ravotten.
Wat de indeling van de woning betreft: in het midden bevonden zich de keuken en de eetplaats.
Links daarvan lagen de slaapkamers van mijn ouders en de jongens. Mijn oudste broer sliep alleen, terwijl ik de kamer deelde met mijn drie jaar oudere broer.
Rechts van de keuken bevonden zich de slaapkamers van mijn zussen. Alles was strikt gescheiden. Hoe zij daar precies sliepen, kan ik niet vertellen, want ik ben er als jongen nooit binnen geweest.
Hoe preuts het er in die tijd aan toeging, blijkt wel uit een anekdote die me altijd is bijgebleven.
Ik weet niet meer precies hoe oud ik was, maar op weg naar de kermis fantaseerden we met enkele kameraden over het vrouwelijk lichaam. We hadden immers nog nooit een naakte vrouw gezien en vroegen ons onder elkaar af of vrouwenborsten wel echt waren.
En ik, met mijn zes zussen, was er rotsvast van overtuigd dat dit niet het geval was. Bij ons hingen de valse borsten immers gewoon aan de wasdraad te drogen!

In de keuken stond een Leuvense stoof. Andere verwarming hadden we niet. Vooral 's avonds was het gezellig om met het hele gezin rond de warme stoof te zitten.
Ook de slaapkamers waren onverwarmd en in die tijd kenden we nog echt strenge winters.
Om de kou bij het slapengaan enigszins te verdrijven, had iedereen zijn eigen baksteen. Die werd eerst op de stoof verwarmd en vervolgens meegenomen naar bed. Zo probeerden we ons bed alvast een beetje op temperatuur te brengen voordat we onder de dekens kropen.
Radio, muziek en de eerste grammofoon
Een televisie hadden we nog niet. Na de oorlog kwam er wel een radio in huis, die al vlug een centrale plaats in het gezinsleven innam.
Wat ik me uit mijn kinderjaren nog goed herinner, is dat het liedje J'attendrai in die periode bijzonder vaak op de radio werd gespeeld. En geloof het of niet: lange tijd heb ik gedacht dat de tekst 'Zatten André' was!
Ook de luisterspelen en het populaire radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein staan me nog levendig voor de geest. Wanneer die programma's werden uitgezonden, verzamelde de hele familie zich rond de radio. Zelfs op straat viel er dan weinig beweging te bespeuren. Iedereen zat blijkbaar aan de radio gekluisterd.

Op een bepaald moment verscheen er bij ons thuis ook een ouderwetse grammofoon, of pick-up zoals we die noemden. Waar mijn vader die vandaan had gehaald, weet ik niet meer.
De eerste grammofoons werkten nog met een opwindmechanisme om de plaat te laten draaien. Ze gebruikten stalen naalden die na een aantal afgespeelde platen moesten worden vervangen. Dat laatste was meestal mijn taak.
Een voorval met die grammofoon is me bijzonder bijgebleven.
Op een zekere dag kwam mijn vader uit Gent terug met een nieuwe langspeelplaat. Iedereen was natuurlijk nieuwsgierig naar zijn aankoop. Terwijl hij de pick-up klaarmaakte om de plaat af te spelen, had hij de bakelieten plaat even op een stoel gelegd.
Een van mijn zussen, die daar nietsvermoedend plaats wilde nemen, zette zich prompt boven op de plaat!
Mijn vader kreeg bijna een hartaanval. Je kunt je zijn ontsteltenis wel voorstellen!
Met zoveel zussen in huis werd er bij ons trouwens heel wat gezongen en gedanst. Muziek en gezelligheid waren nooit ver weg.
Het kleinste kamertje

Zoals toen vrijwel overal gebruikelijk was, bevond ook ons toilet zich buiten, aangebouwd tegen de stallingen. Het interieur was bijzonder eenvoudig: een houten plank met een gat erin en een deksel.
Van wc-papier was er toen nog geen sprake. Na de oorlog hadden we een bakje in het toilet hangen waarin stukjes oude krant, tijdschriften en zelfs uitgescheurde bladzijden uit boeken lagen. Die dienden als vervanging.
Het toilet was meestal gebouwd boven op een beerput, die ongeveer één keer per jaar moest worden leeggeschept. Dat was natuurlijk geen aangenaam karwei, maar het had ook zijn voordelen: de inhoud vormde uitstekende mest voor de moestuin.
Zo werd in die tijd vrijwel alles opnieuw gebruikt en ging er weinig verloren.
Spelen, verzamelen en ravotten
Het oprapen van paardenvijgen op straat was tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog een vrij algemeen verschijnsel.
Na de oorlog waren er immers grote tekorten aan brandstof, zowel voor de verwarming van woningen als voor voertuigen. Gedroogde paardenmest kon, ondanks de weinig aangename geur, in sommige gevallen als brandstof voor kachels worden gebruikt.
Daarnaast was paardenmest bijzonder nuttig als natuurlijke bemesting. Mest was schaars en daardoor waardevol voor wie zelf groenten wilde verbouwen.
Ook mijn vader had daar iets op gevonden. Hij had een speciaal handkarretje gemaakt waarmee ik, samen met enkele speelkameraadjes uit de buurt, op pad ging om paardenvijgen te verzamelen. Die waren bestemd voor de moestuin.
Vandaag zou men wellicht zijn neus ophalen voor zo'n bezigheid, maar wij vonden het een bijzonder leuke onderneming!
Spelen deden we hoofdzakelijk op straat. Zo hadden we zelf een soort hockeyspel bedacht, waarbij we een metalen doos en enkele stokken als spelmateriaal gebruikten. Een nogal gevaarlijke bezigheid, want die ijzeren doos vloog ons soms letterlijk om de oren!
Verder werd er vooral veel gemarbeld of geknikkerd. Knikkeren was in die tijd een echte rage. Iedereen deed mee en er werd soms fanatiek gestreden om de mooiste knikkers.

Een ander populair tijdverdrijf was het hoepelrollen. Met een stokje probeerden we een metalen of houten hoepel zo lang mogelijk voort te bewegen en onder controle te houden. Vaak gebruikten we daarvoor oude fietsvelgen of metalen banden van houten vaten.
Het was een eenvoudige, maar bijzonder leuke bezigheid waarbij je heel wat behendigheid nodig had. We konden er uren mee bezig zijn en legden soms flinke afstanden af.
In een tijd waarin speelgoed nog schaars was, vonden we op die manier onze eigen vormen van amusement. We hadden niet veel nodig om ons te vermaken.
De oorlogsjaren
In ons landelijk dorp verliepen die redelijk rimpelloos, een paar incidenten niet te na gesproken.
We waren nog te jong om de ernst van de oorlog goed in te schatten.
Zo kon het dat ik met vrienden aan een overweg aan het spelen was terwijl een goederentrein voorbijvoer die aangevallen werd door een vliegtuig, zodat de kogels ons om de oren vlogen.
Een schoolkameraad werd doodgeschoten door nieuwsgierige dorpelingen, die in een neergestort vliegtuig waren gekropen en per ongeluk de trekker van een machinegeweer hadden overgehaald.
Wat ik me ook goed herinner is dat wij met kerstmis plots naar buiten moesten zonder dat wij kinderen wisten waarom. Onze ouders kenden echter het karakteristieke motorgeluid van de overvliegende V1-bommen, op weg naar de haven van Gent en Antwerpen.
Echt honger heb ik tijdens de oorlogsjaren niet gekend. We hadden immers wat groenten in de tuin en hielden ook enkele kleine dieren, zodat er meestal wel iets op tafel kwam.
Wat ik me eveneens herinner, is dat mijn moeder elke week naar het dorp ging en met etenswaren terugkwam. Bepaalde producten waren toen slechts in beperkte hoeveelheden verkrijgbaar. Daarom kregen de gezinnen rantsoenzegels, waarmee ze recht hadden op een vastgestelde hoeveelheid van een bepaald product.
Diefstallen kwamen in die tijd vaak voor. Mijn vader bezat een jachtgeweer en liep ’s nachts regelmatig gewapend rond het huis om een oogje in het zeil te houden. Soms liep ik hem ongemerkt achterna. Dat vond ik bijzonder spannend.
De oorlog liep stilaan op zijn einde, maar de dreiging nam niet meteen af. De Duitsers organiseerden razzia’s waarbij ze jonge mannen oppakten en naar Duitsland wegvoerden. Daar moesten ze gaan werken in fabrieken of op het land.

In onze voortuin stond een zogenaamd ‘ovenkot’, waar mijn ouders zelf brood bakten.
Vandaag vindt men hier en daar misschien nog een vervallen exemplaar, maar voor het overige behoort zo’n ovenkot stilaan tot het verleden en is het bijna folklore geworden.
Wat ik me vooral herinner, is dat mijn vader onder dit ovenkot een schuilkelder had gebouwd. Die moest dienen als schuilplaats voor mijn oudste broer, voor het geval de Duitsers onverwacht een inval zouden doen. Zo had mijn vader, in die onzekere oorlogstijd, toch geprobeerd zijn zoon zo goed mogelijk te beschermen.
Daarbij herinner ik me nog een grappig voorval. Op een dag reed er een Duitse soldaat op zijn fiets het dorp binnen. Meteen ontstond er paniek. Mijn peter verstopte zich in de gracht en mijn broer vluchtte naar de schuilplaats onder het ovenkot. Toen de Duitser aankwam, bleek het gelukkig maar om een eenvoudige soldaat te gaan die op zoek was naar eieren.
Een andere herinnering, uit de periode na de bevrijding, is veel minder vrolijk. Op weg naar school zag ik op een dag dat de volledige huisraad van een familie op straat werd gegooid. Ik kende die mensen persoonlijk en vond hen heel vriendelijk. Ik begreep dan ook niet wat ze misdaan konden hebben om zo behandeld te worden.
Pas later hoorde ik dat het om een vergeldingsactie van de mensen uit het verzet ging. Voor mij was het als kind een verschrikkelijk tafereel, dat ik toen helemaal niet kon begrijpen. Het beeld is me altijd bijgebleven.
Het schoolleven
Intussen liep ik ook al enkele jaren school. Dat deed ik heel graag, vooral omdat ik toen al verslaafd was aan boeken en lezen.
Dankzij mijn vele zussen lagen er thuis overal zogenaamde stationsromannetjes. Hedwig Courths-Mahler was in die tijd een begrip en haar boeken vormden dan ook mijn eerste lectuur.
Later leende ik stapels boeken uit de schoolbibliotheek en de gemeentelijke bibliotheek. Mijn zakgeld, hoe miniem ook, besteedde ik hoofdzakelijk aan boeken.
Ook Abraham Hans behoorde tot mijn lievelingsschrijvers. Zijn boeken waren in sommige scholen van het katholieke onderwijs verboden omdat hij protestant was. Dat maakte hem voor mij misschien alleen maar aantrekkelijker.

In het lager onderwijs in Balegem was ik ieder jaar primus. Ik meen me te herinneren dat ik één keer op de tweede plaats eindigde.
Straffen waren in die tijd heel gewoon. Een ervan bestond erin met een liniaal op de kneukels (de vingergewrichten) te slaan. Dat was niet alleen pijnlijk, maar ook vernederend. Vooral omdat de straf meestal moest worden toegediend door een voorbeeldige medeleerling.
Een van de gelukkigen die daarvoor geregeld werd uitgekozen, was een zekere Braeckman, de zoon van de veldwachter. Het was een braaf manneke dat altijd vooraan in de klas zat. Hij was bovendien een verwoed verzamelaar van ‘buvards’, of vloeipapiertjes, die als beloning aan de braafste leerlingen werden uitgedeeld.
Het vervelende voor Braeckman was dat hij na zo’n straf van de gestrafte leerling achteraf soms nog een flinke rammeling kreeg. Zo werd hij dus af en toe zelf het slachtoffer van zijn voorbeeldige gedrag!
Vandaag zouden zulke straffen ondenkbaar zijn. In die tijd vonden wij ze echter ergens normaal en, voor zover ik me herinner, hebben we er geen blijvende emotionele schade aan overgehouden. Lijfstraffen waren toen nog wijdverbreid, hoewel ze in principe bij wet verboden waren. Voor onze ouders waren leerkrachten doorgaans onaantastbare gezagsfiguren. Een klacht over hun optreden kwam dan ook niet snel ter sprake.
Wie te veel babbelde, kon eveneens worden gestraft. Die moest dan vooraan in de klas gaan staan met een grote, rode tong van karton. Ook dat was een vernederende ervaring.
Na de oorlog raakte het dragen van klompen stilaan uit de mode, omdat ze steeds meer met armoede werden geassocieerd. Op het platteland werden ze bij ons toch nog gedragen. Een van de straffen bestond erin dat je met je blote knieën op een paar klompen moest gaan zitten. Vooral pijnlijk!
In het vijfde leerjaar kregen we een leraar die er niet voor terugschrok hardhandig op te treden. Hij had dan ook de bijnaam ‘meester Klop’. Bij een gelegenheid had hij zelfs een leerling zo hard geslagen dat die tot bloedens toe verwond raakte. Uiteindelijk moest de rijkswacht tussenbeide komen.
Medische problemen
Toen ik negen jaar was, kreeg ik voor het eerst te maken met een verschijnsel dat in de volksmond ‘seskes’ werd genoemd. Het ging om onwillekeurige samentrekkingen en verkrampingen van de spieren, die men niet mocht verwarren met epileptische aanvallen. Dit verschijnsel kwam in die tijd blijkbaar geregeld voor bij kinderen, maar de oorzaak ervan was bij de dokters nog niet bekend.
Tijdens zo’n aanval lag ik verkrampt op de grond. Ik kon niet spreken, maar nam alles rondom mij wel bewust waar. Wat me vooral is bijgebleven, is de paniek van mijn moeder. Ze besprenkelde me dan met wijwater, in de hoop dat dit zou helpen. De aanval duurde enkele minuten. Daarna stond ik gewoon weer recht, alsof er niets gebeurd was.
Dit overkwam me meerdere keren per jaar, vooral wanneer ik vermoeid was of stress had.
In Knutsegem-Velzeke staat een kapel ter ere van de Heilige Antonius. Mijn moeder besloot met mij gedurende negen opeenvolgende dinsdagen te voet naar die kapel te gaan om er een noveen te bidden ter ere van de heilige.
Op school wist men niets over mijn aandoening. Om die dinsdagen vrij te krijgen, moest ik mijn probleem dus wel aan de school vertellen.
Mijn zus werkte bij een dokter in Brussel. Toen ze hem over mijn aanvallen vertelde, stelde hij voor dat ik eens bij hem langskwam voor een grondig onderzoek. Na dat onderzoek schreef hij me medicatie voor. En wonder boven wonder: vanaf dat ogenblik heb ik nooit meer een aanval gehad.
Voor mijn moeder was de verklaring echter een andere. Volgens haar was het niet de dokter of de medicatie die mij genezen had, maar de Heilige Antonius, tot wie ze zo vurig had gebeden. Daar is ze haar hele leven van overtuigd gebleven.
Het beeldje van de Heilige Antonius dat ik nog altijd bezit, heeft voor mij dan ook een bijzondere emotionele waarde. Het herinnert me niet alleen aan mijn kinderjaren, maar vooral aan het geloof, de bezorgdheid en de liefde van mijn moeder.
Door mijn gezondheidsproblemen was ik thuis eigenlijk een echt moederskindje geworden. Mijn moeder was bijzonder bezorgd om mij en ook mijn zussen verwenden hun jongste broer maar al te graag. Ik werd dus behoorlijk in de watten gelegd.
Van lager naar middelbaar onderwijs
Zo werd ik twaalf jaar en kwam er stilaan een einde aan mijn onbezorgde kinderjaren. Er moest nu ook een belangrijke keuze worden gemaakt over mijn verdere schoolloopbaan.
Alle scholen uit het toenmalige kanton Zottegem moesten daarvoor naar Oudenaarde, waar een examen werd afgenomen voor de zesde klas van de lagere studie. Ik legde dat examen met succes af, zodat in principe niets mijn verdere studies nog in de weg stond.
Aan het einde van het schooljaar nodigde meester Raymond Haems me uit om samen met hem de klas op te ruimen. Tijdens dat karweitje liet hij zich ontvallen dat mijn thuissituatie niet ideaal was voor mijn verdere studiekeuze.
Op dat ogenblik begreep ik absoluut niet wat hij daarmee bedoelde. Ik schonk er dan ook verder geen aandacht aan. Pas later zou ik misschien beter begrijpen wat hij met die opmerking had willen zeggen.
Zoals ieder jaar kwam er een missionaris in onze kerk preken. Wij, kinderen, hingen aan zijn lippen wanneer hij vertelde over zijn belevenissen en over hoe edel en bewonderenswaardig het missiewerk wel was. Nadien bracht hij ook een bezoek aan de ouders om hen warm te maken voor de priesteropleiding en de priesterroeping van hun zonen. Ik vermoed dat mijn ouders dat idee niet ongenegen waren. In grote gezinnen was het immers een hele eer wanneer er een priester of een kloosterzuster in de familie was.
Gelukkig kwam er ook een leraar van het Atheneum in Zottegem leerlingen ronselen. Uiteindelijk werd het dus die school die mijn verdere studieloopbaan zou bepalen.
Zottegem was in feite maar een provinciestadje, al heerste er soms een mentaliteit die eerder bij een grootstad paste. Wij kwamen van het platteland en waren in hun ogen eigenlijk de boeren die voortaan deel mochten uitmaken van hun gemeenschap. Dankzij mijn uitstekende schoolresultaten werd ik echter vrij vlug aanvaard.
Alhoewel latijn mijn persoonlijke voorkeur genoot verplichtte mijn status mij bijna om de Moderne Afdeling te kiezen.
De verplaatsingen van en naar school deed ik meestal met de fiets. Tijdens de strenge winters leverde dat weleens problemen op. Zo is het meermaals gebeurd dat ik de zeven kilometer door de sneeuw moest ploeteren. Bij ijzel bond ik soms kousen rond mijn schoenen om toch wat meer grip te hebben en legde ik het traject noodgedwongen te voet af.
Ook een voorval tijdens mijn schooltijd is me altijd bijgebleven. Tijdens de examens op het einde van het vijfde Moderne was ik ziek geworden, waardoor ik alle examens moest missen. Ik had nog nooit herexamens meegemaakt en meldde me aan het einde van de vakantie aan om die alsnog af te leggen. Wat ik echter niet wist, was dat de herexamens over drie dagen werden gespreid. Zelf had ik me voorbereid op alle vakken en dacht ik dat ik ze allemaal op één dag zou moeten afleggen.
Bij het begin van het nieuwe schooljaar ging ik, zoals vanzelfsprekend, samen met mijn klasgenoten in het vierde Moderne zitten. Toen de leraar wiskunde binnenkwam, stuurde hij me echter terug naar het vijfde Moderne. De reden? Ik had een nul behaald op het herexamen wiskunde!
Ik wist natuurlijk dat dit onmogelijk was, want ik had alle oefeningen juist opgelost. De leraar vertelde me daarop dat ik inderdaad alles correct had gemaakt. Zijn opmerking was blijkbaar bedoeld als een grapje, om te laten zien hoe gemakkelijk die herexamens wel waren!
Een andere mooie herinnering aan die schooltijd was mijn leraar Nederlands, de schrijver Daan Inghelram. Ik was bijzonder fier dat juist hij ons les gaf. Hij had immers een aantal prachtige romans geschreven, waaronder De Boskanter, een boek dat bekroond werd met de Vlieberghprijs en in het Deens werd vertaald.
Ik droomde ervan om later een even bekende schrijver en dichter te worden. Ik schreef zelf gedichtjes over zowat alles en nog wat: over de opstanden in Hongarije en de DDR, maar ook over de liefde, waarover ik eigenlijk nog niet zoveel, om niet te zeggen helemaal niets, wist. Mijn teksten waren vaak behoorlijk gezwollen en dramatisch, maar ik was dan ook echt verslaafd aan lezen en schrijven.
In de bibliotheek kreeg ik pas na veel aandringen toegang tot de zwaardere literatuur. Ik was immers nog maar vijftien jaar oud. Uiteindelijk mocht ik werken lenen van onder anderen Tolstoj, Dostojewski en Victor Hugo. Voor mij ging daarmee een nieuwe literaire wereld open.
De proclamatie aan het einde van het schooljaar zou in de namiddag plaatsvinden. Daarom brachten we ook de voormiddag op school door.
Iedereen was op zijn paasbest gekleed. Ook ik had mijn beste kostuum aangetrokken. Er was echter één probleem: mijn moeder had een gat in mijn broek gestopt. De hele voormiddag bleef ik als het ware aan mijn schoolbank vastgekleefd zitten, uit angst dat mijn klasgenoten het zouden opmerken. Ik schaamde me daar verschrikkelijk voor en durfde nauwelijks te bewegen.
De feestelijkheden vonden plaats in het cinemacomplex Majestic. Ook de ‘grand chichi’ van Zottegem was aanwezig, helemaal opgedirkt en uitgedost alsof het een bijzondere gala-avond betrof.
Ik wist wel dat ik geslaagd was, maar had dat thuis niet verteld aan mijn vader en mijn zus Julia, die erbij aanwezig waren. Voor hen maakte dat de plechtigheid natuurlijk extra spannend.
Eindelijk was het zover en kwam mijn klas aan de beurt. Het duurde en duurde, maar mijn naam werd maar niet afgeroepen. Stilaan begon ik te twijfelen of ik wel goed gehoord had dat ik geslaagd was.
En dan, als voorlaatste, mocht ik eindelijk het podium op. Dat betekende dat ik als tweede van de klas was geëindigd! Een resultaat dat ik zelf helemaal niet had verwacht.
Het grote verlof kon beginnen en ik wist meteen wat me te doen stond.
Schoolvakantie
Mijn vader kon bij de boeren uit de omgeving wel eens een paard lenen om onze grond te bewerken. Maar voor niets gaat de zon op, dachten die boeren. Als tegenprestatie mochten — of liever gezegd, moesten — wij kinderen hen helpen bij het rooien van de aardappelen en het binnenhalen van de oogst. Uiteraard gebeurde dat helemaal gratis. Daarbij werden we meestal ingezet voor het zwaarste werk en op de moeilijkst bereikbare plaatsen.
Na de oorlog was voedsel schaars en duur. Terwijl vis vandaag vaak als een luxeproduct wordt beschouwd, was die toen voor arme gezinnen eerder een noodzakelijke voedingsbron.
Mijn drie jaar oudere broer trok met paard en kar rond om groenten, vis en mosselen te verkopen. Af en toe mocht ik met hem meerijden. Wanneer we door Zottegem reden, probeerde ik echter vooral te vermijden dat ik een van mijn medeleerlingen zou tegenkomen. Ik schaamde me blijkbaar een beetje voor die manier van werken, hoewel er op zich niets was om zich voor te schamen.
Intussen was ik ook oud genoeg geworden om op zondag naar de kermis of een andere festiviteit te gaan. Er was in die tijd bijna iedere week wel ergens iets te beleven.
Twee maanden vakantie leken aanvankelijk een eeuwigheid te duren, maar waren uiteindelijk toch zo voorbij.
Van lager- naar hoger middelbaar onderwijs
Een nieuw hoofdstuk in mijn leven brak aan: de start van het hoger middelbaar onderwijs.
Op school verliep alles normaal, maar toch voelde ik me niet helemaal goed in mijn vel. Het was midden in het schooljaar toen tijdens een discussie met mijn zussen de opmerking viel dat ik maar beter kon zwijgen, omdat ik zelf nog niets verdiende.
Misschien was die opmerking niet zo kwaad bedoeld, maar ze kwam bij mij bijzonder hard aan. En ergens was het natuurlijk ook waar.
Thuis hadden we het financieel niet zo breed. Mijn ouders hadden pas een huis gebouwd en ik was de enige in het gezin die verder studeerde. Terwijl de anderen op een of andere manier bijdroegen aan het gezinsinkomen, kostte mijn opleiding alleen maar geld.
Ook mijn vader werd intussen door iemand uit de buurt aan het twijfelen gebracht. Die maakte hem voortdurend attent op het feit dat zijn zoon naar het leger was gegaan, daar een wedde ontving en toch de mogelijkheid had om verder te studeren.
Het loon bedroeg op dat ogenblik 2.250 Belgische frank (BF) per maand. Daarvan werd 1.000 BF op een spaarboekje vastgezet voor een periode van vijf jaar. Ik was toen zestien jaar, wat betekende dat ik na die vijf jaar, op mijn eenentwintigste, over een bedrag van 60.000 BF zou kunnen beschikken. Voor een jongeman van die leeftijd was dat in die tijd een aanzienlijk kapitaal.
Ik beloofde mijn ouders dat dit bedrag voor hen bestemd zou zijn. Die belofte heb ik later ook waargemaakt. Met dat geld konden ze de nog openstaande lening op hun huis terugbetalen.
Mijn vader heeft me nooit onder druk gezet om die richting uit te gaan. Toch wilde ik er ernstig over nadenken.
Ik vroeg inlichtingen aan over de Koninklijke Cadettenschool in Laken. Een plaatsje bemachtigen bleek echter bijzonder moeilijk, zeker zonder militaire of politieke connecties. Mijn vader probeerde daarom via een volksvertegenwoordiger, die wekelijks in een café in de buurt aanwezig was, een ingang te vinden. De zoon van de cafébaas, die ik kende, mocht wel naar de Cadettenschool.
Ik ontving uiteindelijk een brief van de toenmalige minister van Landsverdediging, Etienne De Greef. Daarin stond, volgens de gebruikelijke officiële formulering, dat het voorlopig niet mogelijk was mij toe te laten. Ik was echter nog jong en mocht het volgende jaar opnieuw proberen.
Mijn eerste grote desillusie was daarmee een feit.
Op school was er een medeleerling die eveneens overwoog om bij het leger te gaan. Hij had zich ingeschreven voor een toelatingsexamen voor de richting ‘hersteller radio en radar’, dat in een kazerne in Vilvoorde werd georganiseerd. Ik besloot hetzelfde te doen. We trokken er samen naartoe, maar helaas voor hem slaagde hij niet. Ikzelf slaagde wel!
Intussen bleef ik gewoon verder schoollopen. Ik had wel bericht gekregen dat ik voor het examen geslaagd was, maar tegen het einde van het schooljaar had ik nog altijd geen oproepingsbrief ontvangen. Ik hield er dus rekening mee dat ik misschien toch nog een jaar verder zou studeren.
Het duurde tot begin september vooraleer er eindelijk een oproepingsbevel in de bus viel. Daarin stond dat ik me op 1 oktober 1953 moest aanmelden in de kazerne van Helchteren.
Helchteren? Ik had er nog nooit van gehoord en had geen flauw idee waar die plaats lag.
Daarmee kwam er een einde aan mijn jeugdjaren en begon tegelijk een volledig nieuw hoofdstuk in mijn leven: mijn beroepsloopbaan.

Een valse start
Op 1 oktober, vroeg in de morgen, begon ik aan een treinreis die ik vooraf zorgvuldig had uitgestippeld. De spoorverbindingen waren toen nog lang niet zo uitgebreid als vandaag, zodat ik onderweg verschillende keren moest overstappen.
Ik herinner me nog goed welke stations ik aandeed: Balegem, Zottegem, Brussel, Landen en Hasselt. Vanuit Hasselt moest ik verder met de bus naar Hechtel en vandaar te voet naar de kazerne in Helchteren.
Voor iemand die tot dan toe nauwelijks verder was geweest dan Gent, was dat een hele wereldreis!
In Hechtel aangekomen, trof ik verschillende andere jongens aan die eveneens naar de kazerne moesten. Ze waren allemaal een stuk ouder dan ik. Omdat we inmiddels al later waren dan voorzien, besloten ze zonder veel omhaal een café binnen te stappen om iets te drinken.
De volgende ochtend moesten we met zijn allen op het rapport verschijnen bij commandant Dubois. Een naam die ik nooit meer vergeten ben! Als straf kregen we allemaal vier dagen ‘ballen’. Die uitdrukking had ik nog nooit gehoord. Pas later zou ik ontdekken wat ze in het militaire leven precies betekende.
Begin militaire opleiding

De kazerne stond bekend onder de bijnaam ‘De Hel van Helchteren’. Voor mij, een jongen van amper zestien jaar, waren de eerste dagen dan ook verschrikkelijk. Het vooruitzicht dat ik hier twee maanden militaire opleiding zou moeten volgen, maakte het er niet bepaald beter op.
In 1953 heerste er veel werkloosheid en was een toekomst bij het leger voor velen aantrekkelijk. Daardoor namen ook heel wat volwassenen tussen twintig en dertig jaar aan die opleiding deel. Ik had gehoopt tussen leeftijdgenoten terecht te komen, maar tot mijn teleurstelling waren er slechts enkele kandidaten jonger dan twintig.
De meeste van die volwassen rekruten zouden na de twee maanden opleiding gewoon naar een andere eenheid vertrekken, zonder nog een verdere opleiding te volgen.
Ik had het moeilijk met de mentaliteit van de meeste volwassenen. Hun aangebrande moppen, hun manier van doen en hun kijk op het leven lagen mij helemaal niet. Door die grote leeftijdsverschillen botsten de verschillende groepen geregeld met elkaar. Toch had het ook een voordeel: zonder die ervaring was ik wellicht nooit zo vroeg met die andere leefwereld in aanraking gekomen.
Ik nam me voor er het beste van te maken. Het was tenslotte maar voor twee maanden.
De eerste dagen kregen we een uitvoerige opsomming van de militaire reglementen. Tot mijn verbazing bleken dat nog voorschriften van vóór de oorlog te zijn. Zo werden we geconfronteerd met bepalingen waarin voor het verlaten van zijn post zelfs de doodstraf door de kogel was voorzien. Dat maakte meteen duidelijk in welke strenge militaire traditie we terechtgekomen waren.
Iedere rekruut was bovendien verplicht de film Het Sluipend Gift te bekijken. Het was een beruchte voorlichtingsfilm die ons moest waarschuwen voor de gevaren van het leven buiten de kazerne. Vooral het contact met meisjes die met een geslachtsziekte besmet konden zijn, werd op een angstaanjagende manier voorgesteld. Je zou er bijna bang van worden om verliefd te worden!
Veel van de oudere rekruten verlieten de zaal na afloop lachend. Bij mij was de reactie heel anders. De film had een diepe indruk op me gemaakt en was voor mij, als zestienjarige jongen met weinig levenservaring, bijzonder confronterend.
Wat me ook nog levendig voor de geest staat, is een andere zestienjarige jongen in onze groep, een zekere Dreesen. Hij was een stadsjongen, woonde in Nederland, maar had de Belgische nationaliteit.
Tijdens de nachtelijke wacht stonden we ongeveer honderd meter van elkaar opgesteld. De kettingen aan de garagepoorten rammelden voortdurend in de wind en dat maakte de omgeving behoorlijk griezelig. Dreesen was de hele tijd aan het roepen, uit angst en vooral om te horen of ik nog op mijn post stond. Blijkbaar voelde hij zich daar niet bepaald op zijn gemak!
Uiteindelijk verliet hij nog tijdens de opleiding de kazerne. Intussen had hij immers de Nederlandse nationaliteit verkregen en mocht hij daardoor niet langer zijn militaire dienst in het Belgische leger vervullen.
Wie op dat ogenblik eveneens in Helchteren verbleef, zij het als dienstplichtige, was Jan Theys, die later bekendheid zou verwerven als televisiepresentator.
Onze kamers werden verwarmd met kolenkachels. Om de voorraad aan te vullen, moesten we samen naar het kolenhok. Jan was een bijzonder aimabele jongen. Hij vertelde me dat hij in de Ancienne Belgique werkte en een aanvraag had ingediend om het toen bekende ‘Soldatenhalfuurtje’ te presenteren. Die kans zou hij later ook krijgen.
Voor zijn vertrek had hij bovendien nog een bijzonder leuke avondvoorstelling met zang, sketches en muziek op poten gezet. Dat was een aangename afwisseling in het toch vrij harde en eentonige kazerneleven.
De militaire opleiding viel al bij al nog mee.
Toch zijn er enkele voorvallen die me bijzonder zijn bijgebleven. Zo waren we eens met onze sectie op dropping. Het was ijzig koud en op een bepaald ogenblik werden we door een mevrouw binnengeroepen. Ze bood ons koffie en koekjes aan, een gebaar dat me enorm verraste.
Die onverwachte gastvrijheid was voor mij iets heel bijzonders. Misschien heeft juist dat voorval ertoe bijgedragen dat ik sindsdien altijd een bijzondere band heb gevoeld met Limburg en zijn inwoners.
Het eerste weekend waarop ik niet naar huis mocht, was voor mij eveneens een heel bijzondere ervaring. Over het hele kamp hingen luidsprekers verspreid. Er was een radiokamer van waaruit gedurende het volledige weekend plaatjes werden gedraaid.
Plots weerklonk door de luidsprekers het lied Vraag me nooit wat heimwee is, gezongen door Caterina Valente, een Duitse zangeres die in die tijd bijzonder populair was in België en ook Nederlandstalige liedjes zong.
Ik was nog nooit langer dan één dag van huis weggeweest en kende het begrip heimwee eigenlijk niet. Maar op dat ogenblik voelde ik plots heel sterk wat het betekende. Mijn gemoed liep over en ik, die mezelf toch als een stoere bink beschouwde, heb daar een flink potje zitten huilen.
Einde opleiding en geconfronteerd worden met het echte soldatenleven
Na mijn opleiding werd ik overgeplaatst naar Kamp Lombardsijde, waar de radars gestationeerd waren. Ik dacht dat ik eindelijk aan mijn opleiding tot ‘hersteller radio en radar’ zou mogen beginnen, maar er gebeurde helemaal niets.
Wat ik ook vroeg, het enige antwoord dat ik kreeg, was: wachten.
Ik was nog geen zeventien en sliep op een kamer met een twintigtal mannen, allemaal tussen de 25 en 30 jaar oud. Maar wat een marginaal gezelschap was dat!
De ene vertelde zonder enige schroom wanneer en hoe hij de liefde bedreef met een van de vele meisjes uit de soldatencafés in Nieuwpoort. Een andere kwam er plots achter dat hij de geslachtsziekte syfilis had opgelopen en daarvoor naar de dokter moest.
Maar veel erger nog; wij sliepen in een kamer waar de ijzeren bedden twee per twee op elkaar gestapeld waren. Ik sliep onderaan en op een avond laat kwam mijn bovenbuur terug van café en begon hij zich ongegeneerd te masturberen. Ik durfde me niet te bewegen en heb er hem dan ook nooit over aangesproken.
Gelukkig was er op de kamer één iemand die zich afzijdig hield van dat marginale gezelschap. Met hem raakte ik goed bevriend. Hij speelde gitaar, maakte ook zelf wat muziek en was blij dat hij dit met mij kon delen. Uiteindelijk heb ik van hem ook nog een gitaar kunnen overkopen voor mijn oudste broer, en dat voor een zacht prijsje.
Toen ik na mijn verlof terugkeerde, mocht ik plotseling mijn kamer niet meer binnen. Er heerste een epidemie van ‘geelzucht’. Met die bende was dat eigenlijk niet zo verwonderlijk.
Samen met enkele anderen werd ik in quarantaine geplaatst, omdat men niet wist of ook wij besmet waren. Dat betekende drie weken lang op bed liggen en verder helemaal niets doen.
Wat ik wél tof vond in Lombardsijde, was dat er nog altijd, volgens de aloude traditie, een klaroenblazer was.
Vooral het spelen van de ‘Last Post’, waarmee de dag werd afgesloten en het doven van de lichten werd aangekondigd, was telkens opnieuw een ontroerend moment.
Minder leuk was dat ook het verzamelen om een straf uit te voeren met de klaroen werd aangekondigd. Je moest dus voortdurend alert zijn, want wie te laat kwam opdagen, riskeerde daar nog een bijkomende straf bovenop.
In maart was ik zeventien geworden en ik had het gevoel dat ik hier mijn tijd en mijn leven aan het verdoen was.
Ik was het leger kotsbeu en begon steeds meer te rebelleren.
Toen de toenmalige prins Albert op bezoek kwam, moesten wij de straten schoonvegen. Het was bitterkoud en samen met een kameraad bleef ik gewoon naast de kachel zitten. De straf die daarop volgde, kon me geen moer schelen.
Ik herinner me ook dat ik in de duinen van Lombardsijde met een kruiwagen zand van de ene plaats naar de andere moest voeren. Een volkomen zinloze bezigheid, die voor mij alleen maar een extra reden was om aan alles mijn voeten te vegen.
Toen kreeg ik het aanbod om, in afwachting van mijn eigenlijke opleiding, een cursus automechanica te volgen. Wat mij daaraan vooral interesseerde, was dat ik tegelijkertijd mijn rijbewijs voor vrachtwagens tot 3,5 ton kon behalen.
De theoretische lessen vonden plaats in de kazerne ‘De Sterre’ in Gent. De theorie viel nog mee, maar onder auto's liggen sleutelen in de ijzige kou was helemaal mijn ding niet. Na een jaar vol frustraties keerde ik in 1955 terug naar Helchteren.
Voorlopig werd ik dan maar in de officiersmess geplaatst, waar ik als barman aan de slag moest.
Dat deed ik best graag, maar het was natuurlijk niet waarvoor ik bij het leger gekomen was.
De fotograaf had precies wel iets te veel gedronken!

In december 1955 verhuisde onze eenheid van Helchteren naar Brasschaat.
Intussen was het 1956 en was er nog altijd geen uitzicht op de opleiding waarvoor ik bij het leger was gekomen. Naar verluidt waren de opleidingscentra door de werkloosheidscrisis overbelast.
Ik begon er stilaan aan te denken mijn contract van vijf jaar bij het leger te verbreken en opnieuw te gaan studeren. Normaal gezien was dat niet mogelijk, maar ik meende toch een kans te maken, omdat het leger zijn verbintenis bij mijn aanwerving niet was nagekomen.
Omdat ik bleef aandringen, stelde men mij voor deel te nemen aan het toelatingsexamen voor de Hogere School voor Kandidaat-gegradueerden, ook wel de Centrale School genoemd. Die opleiding was in feite bedoeld als voorbereiding op de officiersschool.
Deze school bestond van 1951 tot 1962 en bood bekwame onderofficieren zonder hoger middelbaar onderwijs de kans om die achterstand alsnog in te halen. Ik was zelf nog geen onderofficier, maar kreeg toch de toelating om aan het examen deel te nemen.
De proeven vonden in 1956 plaats in Brussel, in het Klein Kasteeltje.
Vol goede moed trok ik erheen, maar bij aankomst wachtte mij een flinke ontnuchtering: zevenhonderd kandidaten voor amper 27 plaatsen!
En 's avonds op de slaapzaal volgde nog een grotere ontgoocheling.
Iedereen had wel een reden waarom hij ervan overtuigd was dat hij zou slagen. Sommigen kwamen van de Cadettenschool, waar ze eerder niet geslaagd waren. Kinderen van militairen rekenden erop dat ze via hun ouders enige voorkeur zouden genieten. En dan waren er nog kandidaten die er openlijk voor uitkwamen dat ze hun kans via politieke contacten hadden proberen te vergroten.
Ik stond erbij en keek ernaar.
Het resultaat kon ik eigenlijk al raden. Toen ik thuiskwam, zag ik het echt niet meer zitten. Ik heb eerst eens flink mijn hart uitgehuild.
Ik moest opnieuw naar het Klein Kasteeltje om het resultaat te vernemen. En wat te verwachten was, gebeurde ook: ik was geslaagd, maar niet batig gerangschikt.
De selectieofficier was een vriendelijke, oudere man. Tijdens ons gesprek kwam bij mij plots alles naar boven. Ik vertelde hoe gemotiveerd ik destijds bij het leger was begonnen, wat ik in de voorbije, bijna drie jaar allemaal had meegemaakt en hoe weinig vertrouwen ik intussen nog in het leger had. Ook vroeg ik hem of het mogelijk was mijn nog lopende contract te verbreken.
De selectieofficier begreep mijn frustratie heel goed. Hij vroeg me of ik eventueel naar 2SCOOK wilde gaan, een school voor onderofficieren in Zedelgem. Ik zou daarvoor geen toelatingsexamen meer moeten afleggen, maar moest wel een nieuw contract ondertekenen.
Ik kreeg de raad om er rustig over na te denken. Ik hoefde niet onmiddellijk te beslissen.
Een beslissing die mijn verdere leven zou bepalen
Mijn vader was natuurlijk laaiend enthousiast. Zelf vond ik dit niet meteen de beste beslissing. Maar het leger verlaten had gevolgen voor de spaarsom waarop ik rekende, en opnieuw gaan studeren was, rekening houdend met de financiële situatie, ook niet zo eenvoudig.
Op 1 oktober 1956 trad ik binnen in 2SCOOK. En ik moet zeggen: het was een hele verademing! Eindelijk mocht ik opnieuw op de schoolbanken plaatsnemen en mijn middelbare studies verderzetten.
Na drie maanden in 2SCOOK werd ik bij de commandant van de school geroepen. Hij vertelde me dat soldaten die al een aantal jaren in het leger dienden, rechtstreeks naar het tweede jaar mochten overgaan.
Dat tweede jaar was de Wapenschool en was meer gericht op de militaire functie.
Ik voelde me echter zo goed in 2SCOOK dat ik er liever bleef, ook al verloor ik daardoor een jaar in mijn verdere bevorderingen.

Wat de algemene vakken betreft, waren vooral wiskunde en Nederlands mijn lievelingsvakken.
Mijn favoriete leraar was de lesgever Nederlands, Olt Jozef Muylle. Hij deed me denken aan mijn vroegere leraar Nederlands, Daan Inghelram.
Wanneer hij ons de opdracht gaf een opstel te schrijven, hoorde daar telkens een bijzondere titel bij, zoals ‘Moest ik een vogeltje zijn’, ‘Dansende vlammen in het haardvuur’ en nog vele andere.
Ik denk dat ik zowat de enige was die telkens voor die bijzondere titels koos. Ze boden mij immers de mogelijkheid om me helemaal in mijn eigen fantasiewereld te verplaatsen.
In 1983 ontmoette ik diezelfde leraar opnieuw, tijdens een Davidsfondscongres op Camping Drie Eiken in Wilrijk. We waren allebei bestuurslid van een Davidsfondsvereniging en raakten er toevallig met elkaar in gesprek.
Hoewel hij aan honderden leerlingen les had gegeven, herinnerde hij zich mij nog heel goed. Vooral mijn keuze voor die bijzondere opstelonderwerpen was hem bijgebleven.
Elke maand werd op een bord een lijst uitgehangen met de beste leerlingen voor de verschillende vakken. Ook de beste leerling van het schooljaar werd bekendgemaakt.
We waren met 175 leerlingen en voor Nederlands, mijn lievelingsvak, hoopte ik natuurlijk bij de besten te eindigen. Het was telkens een bijzonder moment wanneer die lijsten werden uitgehangen.
Voor het schooljaar 1956-1957 eindigde ik op de tweede plaats. En of ik daar pissig om was!
De militaire opleiding was geen lachertje. Ik was dan wel de laksheid van het vroegere kazerneleven gewoon, maar toch had ik het hier veel meer naar mijn zin. Vooral omdat er ook heel wat sport op het programma stond.
We werden gedrild tot echte elitesoldaten. Ik behoorde tot Peloton B en het hele schooljaar door heerste er een hevige strijd tussen de verschillende pelotons om uit te maken wie het beste was.
Wanneer ik over 2SCOOK vertel, zal ik dan ook altijd met enige fierheid mijn peloton vermelden.
Op het einde van het schooljaar, tijdens de sporttesten, liep ik echter een spierscheur op. Ik kon nog alle examens afleggen en wist dus dat ik geslaagd was. Na het verlof moest ik wel naar de Wapenschool, en ik hoopte maar dat mijn blessure daarbij geen problemen zou opleveren.
Tijdens het grote verlof had ik nog altijd pijn. Toch ging ik elke dag sporten, in de hoop op die manier te revalideren.
Mijn vader merkte dat ik me zorgen maakte en trok, zonder mijn medeweten, naar 2SCOOK in Zedelgem. Pas veel later heeft hij mij dat verteld. Met wie hij daar precies gesproken heeft, ben ik nooit te weten gekomen.
Op 1 oktober 1957 volgde dan mijn mutatie naar de Genieschool in Jambes. De spierscheur was intussen voor 99 procent hersteld.
Militaire opleiding als voorbereiding op latere loopbaan

De kazerne droeg de naam ‘Kwartier Luitenant Dewispelaere’, als eerbetoon aan deze militair die op 12 mei 1940 zijn leven gaf bij het laten springen van de brug van Yvoir.
Naast het gewone lessenrooster werden we vooral voorbereid op onze latere beroepsloopbaan. Voor mij zou die in principe plaatsvinden bij een eenheid van de Genie.
De Genie hield zich met heel uiteenlopende opdrachten bezig: bruggen bouwen, werken met springstoffen, oefeningen op het water, waterputten slaan en water zuiveren, kampementen opzetten en nog veel meer.
Ik voelde al meteen dat ik een interessante en bovendien juiste keuze had gemaakt.
Na de Tweede Wereldoorlog werden op tal van plaatsen, als voorlopige noodoplossing, Baileybruggen gebouwd. Zo'n brug bestaat uit geprefabriceerde stalen onderdelen die met bouten en pinnen aan elkaar worden bevestigd. Het brugdek is van hout. Dankzij dat eenvoudige maar doeltreffende systeem kan een Baileybrug relatief snel worden opgebouwd. De brug werd oorspronkelijk ontworpen voor genietroepen, kan een vrije overspanning van maximaal 60 meter bereiken en is sterk genoeg om zware voertuigen te dragen.
Wat mij van de bruggenbouw vooral is bijgebleven, is dat onze lichaamslengte daarbij een rol speelde. Ik was 1,76 meter groot en behoorde daarmee tot de grootste mannen van ons peloton.
Wij moesten de zware stalen onderdelen telkens naar de voorziene plaats dragen. De militairen die wat kleiner van gestalte waren, kwamen achter ons aan, gewapend met pinnen en een hamer, om de onderdelen met elkaar te verbinden.

De Baileybrug in Mol, zeker gekend door de deelnemers aan pennenzakkenrock
Iedereen zal wel eens over zulke brug zijn gereden.
We moesten ook leren omgaan met springstoffen. Vol bewondering keken we naar de adjudant-springstofmeester, die de springladingen zo vakkundig wist te plaatsen dat een toren als een kaartenhuisje in elkaar stortte.
De oefeningen op het water waren dan weer hilarisch. We hebben daarbij heel wat afgelachen. Synchroon roeien in een boot bleek niet zo eenvoudig. We voeren in alle mogelijke richtingen, behalve in de richting waarin we moesten gaan!
Dan was er nog het zuiveren van water. We moesten water uit de Maas oppompen, dat met van alles vervuild was, zelfs met uitwerpselen. Vervolgens werden er enkele tabletten aan de watertank toegevoegd. Na een bepaalde tijd moesten we van dat gezuiverde water drinken. Bah! Echt smakelijk was het niet.
Ook sport speelde een belangrijke rol in Jambes. Iedere ochtend, nog vóór het ontbijt, stond er een ochtendcross op het programma. Dat deed ik overigens heel graag.
In 1958, ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling in Brussel, werd rond het Atomium een estafetteloop georganiseerd waaraan alle legereenheden konden deelnemen. Elke ploeg bestond uit twintig lopers, die elk een afstand van 1.200 meter moesten afleggen. Onze dagelijkse ochtendlopen hadden blijkbaar hun vruchten afgeworpen, want we eindigden op de derde plaats!
Het jaar vloog tamelijk snel voorbij. Uiteindelijk brak de dag aan waarop we onze voorkeur mochten opgeven voor de plaats waarnaar we graag wilden muteren.
Er waren in België slechts twee beschikbare plaatsen en die waren voorbehouden aan de beste leerlingen. Ik hoopte natuurlijk dat ik daarvoor in aanmerking zou komen, want ik zag het helemaal niet zitten om ergens ver weg in Duitsland terecht te komen.
Spijtig genoeg behoorde ik niet tot de eerste twee. Mijn mutatie werd dus Duitsland, maar gelukkig wel naar het garnizoen dat het dichtst bij België lag: Aken.
Daarmee kon ik best tevreden zijn. De eenheid die voor mij bestemd was, was de ‘131e Cie Depot’. Gelukkig geen gevechtseenheid!
Hier kwam definitief een einde aan mijn jeugdjaren. Ik was benieuwd wat de toekomst en mijn verdere beroepsleven voor mij in petto hadden.

