Welkom op mijn blog
Nostalgie
Nostalgie

Ik ben een gelukkige gepensioneerde en vooral bijzonder fier op mijn kinderen en kleinkinderen.
Ook op mijn beroepsloopbaan kan ik met voldoening terugblikken. Ik heb eigenlijk altijd mogen doen wat ik graag deed. Natuurlijk ging dat soms met vallen en opstaan en bracht het ook de nodige stress met zich mee. Maar ik hield van uitdagingen en was pas echt gelukkig wanneer ik nieuwe dingen mocht ontdekken, uitproberen en realiseren.
Toch is er één ding waar ik spijt van heb. Eigenlijk heb ik dat mijn hele leven geweten, maar het is me nog duidelijker geworden tijdens ons eerste familiefeest.
Dat vond plaats in Balegem, in zaal De Kring. De verantwoordelijke voor de zaal was Mortier, een vroegere klasgenoot van mij uit de lagere school.
Tijdens een gesprek vroeg hij me welke studies mijn kinderen hadden gevolgd. Toen ik hem vertelde dat ze alle drie een universitair diploma hadden behaald, vond hij dat eigenlijk niet meer dan normaal. Ik was immers in de lagere school in Balegem altijd een van de beste leerlingen geweest.
Wat mezelf betrof, moest ik hem echter vertellen dat ik onderofficier bij het Belgische leger was geworden. Hijzelf en verschillende van mijn vroegere klasgenootjes hadden daarentegen wel de kans gekregen om met succes universitaire studies te volgen.
Waarom dat voor mij niet mogelijk was, zal in het verdere verloop van mijn verhaal duidelijk worden.
Misschien begrijpen mijn kinderen hierdoor ook beter waarom ik het altijd zo belangrijk heb gevonden dat zij een universitair diploma zouden behalen. Ik wilde hun de kansen geven die ik zelf niet had gekregen. Daarvoor was geen enkel offer, ook financieel niet, mij te veel.
Dit gedeelte van mijn autobiografie beschrijft de periode vanaf mijn eerste bewuste herinneringen en waarnemingen tot aan mijn intrede in het beroepsleven in Aken, Duitsland.
Geboren in Balegem, 1937
Balegem is een landelijk dorp aan de rand van de Vlaamse Ardennen.
Dit is een van de weinige foto's die uit mijn prille kinderjaren bewaard zijn gebleven. Ik zit op de schoot van mijn moeder, in het gezelschap van mijn peter. Zo te zien was ik een echte 'wittekop'!

Mijn eerste jeugdherinnering
Mijn allereerste herinnering aan mijn jeugd is die van een zonnige dag. Ik lig rustig te genieten voor het ouderlijk huis. Mijn moeder vertrekt naar de kerk, met een baby op de arm.
Ik moet toen twee of drie jaar oud geweest zijn. Het ging wellicht om de kerkgang na de geboorte van mijn zus Brigitte of Henriette.
Pas veel later heb ik gelezen en begrepen wat de betekenis van die kerkgang precies was.
In een katholiek gezin gold destijds de opvatting dat een vrouw die pas bevallen was, gedurende de eerste tien dagen als onrein werd beschouwd. Ze mocht in die periode niet buitenshuis komen, niet naar de winkel gaan en zeker niet in de kerk verschijnen.
Na afloop van die periode werd ze uitgenodigd om de zogenaamde 'kerkgang' te doen, een religieus ritueel waardoor ze opnieuw rein werd verklaard.
Bij dit gebruik hield de kraamvrouw in de ene hand een doopkaars en met de andere hand hield ze de punt van de stola van de pastoor vast. Samen begaven ze zich naar het altaar, waar een dankgebed werd uitgesproken. Het ritueel hield ook verband met het opdragen van de pasgeboren baby aan Maria.
Na deze plechtigheid werd de moeder opnieuw als rein beschouwd en mocht ze weer volwaardig deelnemen aan het sociale en religieuze leven.
De kerkgang raakte vanaf de jaren zestig geleidelijk in onbruik.
Ons ouderlijk huis en het gezinsleven
We waren een groot gezin, wat in die tijd helemaal niet ongewoon was. Ik had twee broers en zes zussen die ouder waren dan ik. Na mij kwamen er nog twee zusjes bij.
We woonden in een gehuurd huis, volledig gelijkvloers, met enkele stallingen aan de woning en vrij veel grond eromheen. De witgekalkte muren waren begroeid met druivelaars.
We hadden ook enkele dieren. Voor een kind was dit natuurlijk de ideale omgeving om samen met de buurjongens naar hartenlust te ravotten.
Wat de indeling van de woning betreft: in het midden bevonden zich de keuken en de eetplaats.
Links daarvan lagen de slaapkamers van mijn ouders en de jongens. Mijn oudste broer sliep alleen, terwijl ik de kamer deelde met mijn drie jaar oudere broer.
Rechts van de keuken bevonden zich de slaapkamers van mijn zussen. Alles was strikt gescheiden. Hoe zij daar precies sliepen, kan ik niet vertellen, want ik ben er als jongen nooit binnen geweest.
Hoe preuts het er in die tijd aan toeging, blijkt wel uit een anekdote die me altijd is bijgebleven.
Ik weet niet meer precies hoe oud ik was, maar op weg naar de kermis fantaseerden we met enkele kameraden over het vrouwelijk lichaam. We hadden immers nog nooit een naakte vrouw gezien en vroegen ons onder elkaar af of vrouwenborsten wel echt waren.
En ik, met mijn zes zussen, was er rotsvast van overtuigd dat dit niet het geval was. Bij ons hingen de valse borsten immers gewoon aan de wasdraad te drogen!

In de keuken stond een Leuvense stoof. Andere verwarming hadden we niet. Vooral 's avonds was het gezellig om met het hele gezin rond de warme stoof te zitten.
Ook de slaapkamers waren onverwarmd en in die tijd kenden we nog echt strenge winters.
Om de kou bij het slapengaan enigszins te verdrijven, had iedereen zijn eigen baksteen. Die werd eerst op de stoof verwarmd en vervolgens meegenomen naar bed. Zo probeerden we ons bed alvast een beetje op temperatuur te brengen voordat we onder de dekens kropen.
Radio, muziek en de eerste grammofoon
Een televisie hadden we nog niet. Na de oorlog kwam er wel een radio in huis, die al vlug een centrale plaats in het gezinsleven innam.
Wat ik me uit mijn kinderjaren nog goed herinner, is dat het liedje J'attendrai in die periode bijzonder vaak op de radio werd gespeeld. En geloof het of niet: lange tijd heb ik gedacht dat de tekst 'Zatten André' was!
Ook de luisterspelen en het populaire radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein staan me nog levendig voor de geest. Wanneer die programma's werden uitgezonden, verzamelde de hele familie zich rond de radio. Zelfs op straat viel er dan weinig beweging te bespeuren. Iedereen zat blijkbaar aan de radio gekluisterd.

Op een bepaald moment verscheen er bij ons thuis ook een ouderwetse grammofoon, of pick-up zoals we die noemden. Waar mijn vader die vandaan had gehaald, weet ik niet meer.
De eerste grammofoons werkten nog met een opwindmechanisme om de plaat te laten draaien. Ze gebruikten stalen naalden die na een aantal afgespeelde platen moesten worden vervangen. Dat laatste was meestal mijn taak.
Een voorval met die grammofoon is me bijzonder bijgebleven.
Op een zekere dag kwam mijn vader uit Gent terug met een nieuwe langspeelplaat. Iedereen was natuurlijk nieuwsgierig naar zijn aankoop. Terwijl hij de pick-up klaarmaakte om de plaat af te spelen, had hij de bakelieten plaat even op een stoel gelegd.
Een van mijn zussen, die daar nietsvermoedend plaats wilde nemen, zette zich prompt boven op de plaat!
Mijn vader kreeg bijna een hartaanval. Je kunt je zijn ontsteltenis wel voorstellen!
Met zoveel zussen in huis werd er bij ons trouwens heel wat gezongen en gedanst. Muziek en gezelligheid waren nooit ver weg.
Het kleinste kamertje

Zoals toen vrijwel overal gebruikelijk was, bevond ook ons toilet zich buiten, aangebouwd tegen de stallingen. Het interieur was bijzonder eenvoudig: een houten plank met een gat erin en een deksel.
Van wc-papier was er toen nog geen sprake. Na de oorlog hadden we een bakje in het toilet hangen waarin stukjes oude krant, tijdschriften en zelfs uitgescheurde bladzijden uit boeken lagen. Die dienden als vervanging.
Het toilet was meestal gebouwd boven op een beerput, die ongeveer één keer per jaar moest worden leeggeschept. Dat was natuurlijk geen aangenaam karwei, maar het had ook zijn voordelen: de inhoud vormde uitstekende mest voor de moestuin.
Zo werd in die tijd vrijwel alles opnieuw gebruikt en ging er weinig verloren.
Spelen, verzamelen en ravotten
Het oprapen van paardenvijgen op straat was tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog een vrij algemeen verschijnsel.
Na de oorlog waren er immers grote tekorten aan brandstof, zowel voor de verwarming van woningen als voor voertuigen. Gedroogde paardenmest kon, ondanks de weinig aangename geur, in sommige gevallen als brandstof voor kachels worden gebruikt.
Daarnaast was paardenmest bijzonder nuttig als natuurlijke bemesting. Mest was schaars en daardoor waardevol voor wie zelf groenten wilde verbouwen.
Ook mijn vader had daar iets op gevonden. Hij had een speciaal handkarretje gemaakt waarmee ik, samen met enkele speelkameraadjes uit de buurt, op pad ging om paardenvijgen te verzamelen. Die waren bestemd voor de moestuin.
Vandaag zou men wellicht zijn neus ophalen voor zo'n bezigheid, maar wij vonden het een bijzonder leuke onderneming!
Spelen deden we hoofdzakelijk op straat. Zo hadden we zelf een soort hockeyspel bedacht, waarbij we een metalen doos en enkele stokken als spelmateriaal gebruikten. Een nogal gevaarlijke bezigheid, want die ijzeren doos vloog ons soms letterlijk om de oren!
Verder werd er vooral veel gemarbeld of geknikkerd. Knikkeren was in die tijd een echte rage. Iedereen deed mee en er werd soms fanatiek gestreden om de mooiste knikkers.

Een ander populair tijdverdrijf was het hoepelrollen. Met een stokje probeerden we een metalen of houten hoepel zo lang mogelijk voort te bewegen en onder controle te houden. Vaak gebruikten we daarvoor oude fietsvelgen of metalen banden van houten vaten.
Het was een eenvoudige, maar bijzonder leuke bezigheid waarbij je heel wat behendigheid nodig had. We konden er uren mee bezig zijn en legden soms flinke afstanden af.
In een tijd waarin speelgoed nog schaars was, vonden we op die manier onze eigen vormen van amusement. We hadden niet veel nodig om ons te vermaken.
De oorlogsjaren, in ons landelijk dorp, verliepen redelijk rimpelloos, een paar incidenten niet te na gesproken.
We waren nog te jong om de ernst van de oorlog goed in te schatten.
Zo kon het dat ik met vrienden aan een overweg aan het spelen was terwijl een goederentrein voorbijvoer die aangevallen werd door een vliegtuig, zodat de kogels ons om de oren vlogen.
Een schoolkameraad werd doodgeschoten door nieuwsgierige dorpelingen, die in een neergestort vliegtuig waren gekropen en per ongeluk de trekker van een machinegeweer hadden overgehaald.
Wat ik me ook goed herinner is dat wij met kerstmis plots naar buiten moesten zonder dat wij kinderen wisten waarom. Onze ouders kenden echter het karakteristieke motorgeluid van de overvliegende V1-bommen, op weg naar de haven van Gent en Antwerpen.
Echt honger heb ik tijdens de oorlogsjaren niet gekend. We hadden immers wat groenten in de tuin en hielden ook enkele kleine dieren, zodat er meestal wel iets op tafel kwam.
Wat ik me eveneens herinner, is dat mijn moeder elke week naar het dorp ging en met etenswaren terugkwam. Bepaalde producten waren toen slechts in beperkte hoeveelheden verkrijgbaar. Daarom kregen de gezinnen rantsoenzegels, waarmee ze recht hadden op een vastgestelde hoeveelheid van een bepaald product.
Diefstallen kwamen in die tijd vaak voor. Mijn vader bezat een jachtgeweer en liep ’s nachts regelmatig gewapend rond het huis om een oogje in het zeil te houden. Soms liep ik hem ongemerkt achterna. Dat vond ik bijzonder spannend.
De oorlog liep stilaan op zijn einde, maar de dreiging nam niet meteen af. De Duitsers organiseerden razzia’s waarbij ze jonge mannen oppakten en naar Duitsland wegvoerden. Daar moesten ze gaan werken in fabrieken of op het land.

In onze voortuin stond een zogenaamd ‘ovenkot’, waar mijn ouders zelf brood bakten.
Vandaag vindt men hier en daar misschien nog een vervallen exemplaar, maar voor het overige behoort zo’n ovenkot stilaan tot het verleden en is het bijna folklore geworden.
Wat ik me vooral herinner, is dat mijn vader onder dit ovenkot een schuilkelder had gebouwd. Die moest dienen als schuilplaats voor mijn oudste broer, voor het geval de Duitsers onverwacht een inval zouden doen. Zo had mijn vader, in die onzekere oorlogstijd, toch geprobeerd zijn zoon zo goed mogelijk te beschermen.
Daarbij herinner ik me nog een grappig voorval. Op een dag reed er een Duitse soldaat op zijn fiets het dorp binnen. Meteen ontstond er paniek. Mijn peter verstopte zich in de gracht en mijn broer vluchtte naar de schuilplaats onder het ovenkot. Toen de Duitser aankwam, bleek het gelukkig maar om een eenvoudige soldaat te gaan die op zoek was naar eieren.
Een andere herinnering, uit de periode na de bevrijding, is veel minder vrolijk. Op weg naar school zag ik op een dag dat de volledige huisraad van een familie op straat werd gegooid. Ik kende die mensen persoonlijk en vond hen heel vriendelijk. Ik begreep dan ook niet wat ze misdaan konden hebben om zo behandeld te worden.
Pas later hoorde ik dat het om een vergeldingsactie van de mensen uit het verzet. ging. Voor mij was het als kind een verschrikkelijk tafereel, dat ik toen helemaal niet kon begrijpen. Het beeld is me altijd bijgebleven.
Intussen liep ik ook al enkele jaren school. Dat deed ik heel graag, vooral omdat ik toen al verslaafd was aan boeken en lezen.
Dankzij mijn vele zussen lagen er thuis overal zogenaamde stationsromannetjes. Hedwig Courths-Mahler was in die tijd een begrip en haar boeken vormden dan ook mijn eerste lectuur.
Later leende ik stapels boeken uit de schoolbibliotheek en de gemeentelijke bibliotheek. Mijn zakgeld, hoe miniem ook, besteedde ik hoofdzakelijk aan boeken.
Ook Abraham Hans behoorde tot mijn lievelingsschrijvers. Zijn boeken waren in sommige scholen van het katholieke onderwijs verboden omdat hij protestant was. Dat maakte hem voor mij misschien alleen maar aantrekkelijker.

In het lager onderwijs in Balegem was ik ieder jaar primus. Ik meen me te herinneren dat ik één keer op de tweede plaats eindigde.
Straffen waren in die tijd heel gewoon. Een ervan bestond erin met een liniaal op de kneukels (de vingergewrichten) te slaan. Dat was niet alleen pijnlijk, maar ook vernederend. Vooral omdat de straf meestal moest worden toegediend door een voorbeeldige medeleerling.
Een van de gelukkigen die daarvoor geregeld werd uitgekozen, was een zekere Braeckman, de zoon van de veldwachter. Het was een braaf manneke dat altijd vooraan in de klas zat. Hij was bovendien een verwoed verzamelaar van ‘buvards’, of vloeipapiertjes, die als beloning aan de braafste leerlingen werden uitgedeeld.
Het vervelende voor Braeckman was dat hij na zo’n straf van de gestrafte leerling achteraf soms nog een flinke rammeling kreeg. Zo werd hij dus af en toe zelf het slachtoffer van zijn voorbeeldige gedrag!
Vandaag zouden zulke straffen ondenkbaar zijn. In die tijd vonden wij ze echter ergens normaal en, voor zover ik me herinner, hebben we er geen blijvende emotionele schade aan overgehouden. Lijfstraffen waren toen nog wijdverbreid, hoewel ze in principe bij wet verboden waren. Voor onze ouders waren leerkrachten doorgaans onaantastbare gezagsfiguren. Een klacht over hun optreden kwam dan ook niet snel ter sprake.
Wie te veel babbelde, kon eveneens worden gestraft. Die moest dan vooraan in de klas gaan staan met een grote, rode tong van karton. Ook dat was een vernederende ervaring.
Na de oorlog raakte het dragen van klompen stilaan uit de mode, omdat ze steeds meer met armoede werden geassocieerd. Op het platteland werden ze bij ons toch nog gedragen. Een van de straffen bestond erin dat je met je blote knieën op een paar klompen moest gaan zitten. Vooral pijnlijk!
In het vijfde leerjaar kregen we een leraar die er niet voor terugschrok hardhandig op te treden. Hij had dan ook de bijnaam ‘meester Klop’. Bij een gelegenheid had hij zelfs een leerling zo hard geslagen dat die tot bloedens toe verwond raakte. Uiteindelijk moest de rijkswacht tussenbeide komen.
Toen ik negen jaar was, kreeg ik voor het eerst te maken met een verschijnsel dat in de volksmond ‘seskes’ werd genoemd. Het ging om onwillekeurige samentrekkingen en verkrampingen van de spieren, die men niet mocht verwarren met epileptische aanvallen. Dit verschijnsel kwam in die tijd blijkbaar geregeld voor bij kinderen, maar de oorzaak ervan was bij de dokters nog niet bekend.
Tijdens zo’n aanval lag ik verkrampt op de grond. Ik kon niet spreken, maar nam alles rondom mij wel bewust waar. Wat me vooral is bijgebleven, is de paniek van mijn moeder. Ze besprenkelde me dan met wijwater, in de hoop dat dit zou helpen. De aanval duurde enkele minuten. Daarna stond ik gewoon weer recht, alsof er niets gebeurd was.
Dit overkwam me meerdere keren per jaar, vooral wanneer ik vermoeid was of stress had.
In Knutsegem-Velzeke staat een kapel ter ere van de Heilige Antonius. Mijn moeder besloot met mij gedurende negen opeenvolgende dinsdagen te voet naar die kapel te gaan om er een noveen te bidden ter ere van de heilige.
Op school wist men niets over mijn aandoening. Om die dinsdagen vrij te krijgen, moest ik mijn probleem dus wel aan de school vertellen.
Mijn zus werkte bij een dokter in Brussel. Toen ze hem over mijn aanvallen vertelde, stelde hij voor dat ik eens bij hem langskwam voor een grondig onderzoek. Na dat onderzoek schreef hij me medicatie voor. En wonder boven wonder: vanaf dat ogenblik heb ik nooit meer een aanval gehad.
Voor mijn moeder was de verklaring echter een andere. Volgens haar was het niet de dokter of de medicatie die mij genezen had, maar de Heilige Antonius, tot wie ze zo vurig had gebeden. Daar is ze haar hele leven van overtuigd gebleven.
Het beeldje van de Heilige Antonius dat ik nog altijd bezit, heeft voor mij dan ook een bijzondere emotionele waarde. Het herinnert me niet alleen aan mijn kinderjaren, maar vooral aan het geloof, de bezorgdheid en de liefde van mijn moeder.
Door mijn gezondheidsproblemen was ik thuis eigenlijk een echt moederskindje geworden. Mijn moeder was bijzonder bezorgd om mij en ook mijn zussen verwenden hun jongste broer maar al te graag. Ik werd dus behoorlijk in de watten gelegd.
Zo werd ik twaalf jaar en kwam er stilaan een einde aan mijn onbezorgde kinderjaren. Er moest nu ook een belangrijke keuze worden gemaakt over mijn verdere schoolloopbaan.
Alle scholen uit het toenmalige kanton Zottegem moesten daarvoor naar Oudenaarde, waar een examen werd afgenomen voor de zesde klas van de lagere studie. Ik legde dat examen met succes af, zodat in principe niets mijn verdere studies nog in de weg stond.
Aan het einde van het schooljaar nodigde meester Raymond Haems me uit om samen met hem de klas op te ruimen. Tijdens dat karweitje liet hij zich ontvallen dat mijn thuissituatie niet ideaal was voor mijn verdere studiekeuze.
Op dat ogenblik begreep ik absoluut niet wat hij daarmee bedoelde. Ik schonk er dan ook verder geen aandacht aan. Pas later zou ik misschien beter begrijpen wat hij met die opmerking had willen zeggen.
Zoals ieder jaar kwam er een missionaris in onze kerk preken. Wij, kinderen, hingen aan zijn lippen wanneer hij vertelde over zijn belevenissen en over hoe edel en bewonderenswaardig het missiewerk wel was. Nadien bracht hij ook een bezoek aan de ouders om hen warm te maken voor de priesteropleiding en de priesterroeping van hun zonen. Ik vermoed dat mijn ouders dat idee niet ongenegen waren. In grote gezinnen was het immers een hele eer wanneer er een priester of een kloosterzuster in de familie was.
Gelukkig kwam er ook een leraar van het Atheneum in Zottegem leerlingen ronselen. Uiteindelijk werd het dus die school die mijn verdere studieloopbaan zou bepalen.
Zottegem was in feite maar een provinciestadje, al heerste er soms een mentaliteit die eerder bij een grootstad paste. Wij kwamen van het platteland en waren in hun ogen eigenlijk de boeren die voortaan deel mochten uitmaken van hun gemeenschap. Dankzij mijn uitstekende schoolresultaten werd ik echter vrij vlug aanvaard.
Alhoewel latijn mijn persoonlijke voorkeur genoot verplichtte mijn status mij bijna om de Moderne Afdeling te kiezen.
De verplaatsingen van en naar school deed ik meestal met de fiets. Tijdens de strenge winters leverde dat weleens problemen op. Zo is het meermaals gebeurd dat ik de zeven kilometer door de sneeuw moest ploeteren. Bij ijzel bond ik soms kousen rond mijn schoenen om toch wat meer grip te hebben en legde ik het traject noodgedwongen te voet af.
Ook een voorval tijdens mijn schooltijd is me altijd bijgebleven. Tijdens de examens op het einde van het vijfde Moderne was ik ziek geworden, waardoor ik alle examens moest missen. Ik had nog nooit herexamens meegemaakt en meldde me aan het einde van de vakantie aan om die alsnog af te leggen. Wat ik echter niet wist, was dat de herexamens over drie dagen werden gespreid. Zelf had ik me voorbereid op alle vakken en dacht ik dat ik ze allemaal op één dag zou moeten afleggen.
Bij het begin van het nieuwe schooljaar ging ik, zoals vanzelfsprekend, samen met mijn klasgenoten in het vierde Moderne zitten. Toen de leraar wiskunde binnenkwam, stuurde hij me echter terug naar het vijfde Moderne. De reden? Ik had een nul behaald op het herexamen wiskunde!
Ik wist natuurlijk dat dit onmogelijk was, want ik had alle oefeningen juist opgelost. De leraar vertelde me daarop dat ik inderdaad alles correct had gemaakt. Zijn opmerking was blijkbaar bedoeld als een grapje, om te laten zien hoe gemakkelijk die herexamens wel waren!
Een andere mooie herinnering aan die schooltijd was mijn leraar Nederlands, de schrijver Daan Inghelram. Ik was bijzonder fier dat juist hij ons les gaf. Hij had immers een aantal prachtige romans geschreven, waaronder De Boskanter, een boek dat bekroond werd met de Vlieberghprijs en in het Deens werd vertaald.
Ik droomde ervan om later een even bekende schrijver en dichter te worden. Ik schreef zelf gedichtjes over zowat alles en nog wat: over de opstanden in Hongarije en de DDR, maar ook over de liefde, waarover ik eigenlijk nog niet zoveel, om niet te zeggen helemaal niets, wist. Mijn teksten waren vaak behoorlijk gezwollen en dramatisch, maar ik was dan ook echt verslaafd aan lezen en schrijven.
In de bibliotheek kreeg ik pas na veel aandringen toegang tot de zwaardere literatuur. Ik was immers nog maar vijftien jaar oud. Uiteindelijk mocht ik werken lenen van onder anderen Tolstoj, Dostojewski en Victor Hugo. Voor mij ging daarmee een nieuwe literaire wereld open.
De proclamatie aan het einde van het schooljaar zou in de namiddag plaatsvinden. Daarom brachten we ook de voormiddag op school door.
Iedereen was op zijn paasbest gekleed. Ook ik had mijn beste kostuum aangetrokken. Er was echter één probleem: mijn moeder had een gat in mijn broek gestopt. De hele voormiddag bleef ik als het ware aan mijn schoolbank vastgekleefd zitten, uit angst dat mijn klasgenoten het zouden opmerken. Ik schaamde me daar verschrikkelijk voor en durfde nauwelijks te bewegen.
De feestelijkheden vonden plaats in het cinemacomplex Majestic. Ook de ‘grand chichi’ van Zottegem was aanwezig, helemaal opgedirkt en uitgedost alsof het een bijzondere gala-avond betrof.
Ik wist wel dat ik geslaagd was, maar had dat thuis niet verteld aan mijn vader en mijn zus Julia, die erbij aanwezig waren. Voor hen maakte dat de plechtigheid natuurlijk extra spannend.
Eindelijk was het zover en kwam mijn klas aan de beurt. Het duurde en duurde, maar mijn naam werd maar niet afgeroepen. Stilaan begon ik te twijfelen of ik wel goed gehoord had dat ik geslaagd was.
En dan, als voorlaatste, mocht ik eindelijk het podium op. Dat betekende dat ik als tweede van de klas was geëindigd! Een resultaat dat ik zelf helemaal niet had verwacht.
Het grote verlof kon beginnen en ik wist meteen wat me te doen stond.
Mijn vader kon bij de boeren uit de omgeving wel eens een paard lenen om onze grond te bewerken. Maar voor niets gaat de zon op, dachten die boeren. Als tegenprestatie mochten — of liever gezegd, moesten — wij kinderen hen helpen bij het rooien van de aardappelen en het binnenhalen van de oogst. Uiteraard gebeurde dat helemaal gratis. Daarbij werden we meestal ingezet voor het zwaarste werk en op de moeilijkst bereikbare plaatsen.
Na de oorlog was voedsel schaars en duur. Terwijl vis vandaag vaak als een luxeproduct wordt beschouwd, was die toen voor arme gezinnen eerder een noodzakelijke voedingsbron.
Mijn drie jaar oudere broer trok met paard en kar rond om groenten, vis en mosselen te verkopen. Af en toe mocht ik met hem meerijden. Wanneer we door Zottegem reden, probeerde ik echter vooral te vermijden dat ik een van mijn medeleerlingen zou tegenkomen. Ik schaamde me blijkbaar een beetje voor die manier van werken, hoewel er op zich niets was om zich voor te schamen.
Intussen was ik ook oud genoeg geworden om op zondag naar de kermis of een andere festiviteit te gaan. Er was in die tijd bijna iedere week wel ergens iets te beleven.
Twee maanden vakantie leken aanvankelijk een eeuwigheid te duren, maar waren uiteindelijk toch zo voorbij.
Een nieuw hoofdstuk in mijn leven brak aan: de start van het hoger middelbaar onderwijs.
Op school verliep alles normaal, maar toch voelde ik me niet helemaal goed in mijn vel. Het was midden in het schooljaar toen tijdens een discussie met mijn zussen de opmerking viel dat ik maar beter kon zwijgen, omdat ik zelf nog niets verdiende.
Misschien was die opmerking niet zo kwaad bedoeld, maar ze kwam bij mij bijzonder hard aan. En ergens was het natuurlijk ook waar.
Thuis hadden we het financieel niet zo breed. Mijn ouders hadden pas een huis gebouwd en ik was de enige in het gezin die verder studeerde. Terwijl de anderen op een of andere manier bijdroegen aan het gezinsinkomen, kostte mijn opleiding alleen maar geld.
Ook mijn vader werd intussen door iemand uit de buurt aan het twijfelen gebracht. Die maakte hem voortdurend attent op het feit dat zijn zoon naar het leger was gegaan, daar een wedde ontving en toch de mogelijkheid had om verder te studeren.
Het loon bedroeg op dat ogenblik 2.250 Belgische frank (BF) per maand. Daarvan werd 1.000 BF op een spaarboekje vastgezet voor een periode van vijf jaar. Ik was toen zestien jaar, wat betekende dat ik na die vijf jaar, op mijn eenentwintigste, over een bedrag van 60.000 BF zou kunnen beschikken. Voor een jongeman van die leeftijd was dat in die tijd een aanzienlijk kapitaal.
Ik beloofde mijn ouders dat dit bedrag voor hen bestemd zou zijn. Die belofte heb ik later ook waargemaakt. Met dat geld konden ze de nog openstaande lening op hun huis terugbetalen.
Mijn vader heeft me nooit onder druk gezet om die richting uit te gaan. Toch wilde ik er ernstig over nadenken.
Ik vroeg inlichtingen aan over de Koninklijke Cadettenschool in Laken. Een plaatsje bemachtigen bleek echter bijzonder moeilijk, zeker zonder militaire of politieke connecties. Mijn vader probeerde daarom via een volksvertegenwoordiger, die wekelijks in een café in de buurt aanwezig was, een ingang te vinden. De zoon van de cafébaas, die ik kende, mocht wel naar de Cadettenschool.
Ik ontving uiteindelijk een brief van de toenmalige minister van Landsverdediging, Etienne De Greef. Daarin stond, volgens de gebruikelijke officiële formulering, dat het voorlopig niet mogelijk was mij toe te laten. Ik was echter nog jong en mocht het volgende jaar opnieuw proberen.
Mijn eerste grote desillusie was daarmee een feit.
Op school was er een medeleerling die eveneens overwoog om bij het leger te gaan. Hij had zich ingeschreven voor een toelatingsexamen voor de richting ‘hersteller radio en radar’, dat in een kazerne in Vilvoorde werd georganiseerd. Ik besloot hetzelfde te doen. We trokken er samen naartoe, maar helaas voor hem slaagde hij niet. Ikzelf slaagde wel!
Intussen bleef ik gewoon verder schoollopen. Ik had wel bericht gekregen dat ik voor het examen geslaagd was, maar tegen het einde van het schooljaar had ik nog altijd geen oproepingsbrief ontvangen. Ik hield er dus rekening mee dat ik misschien toch nog een jaar verder zou studeren.
Het duurde tot begin september vooraleer er eindelijk een oproepingsbevel in de bus viel. Daarin stond dat ik me op 1 oktober 1953 moest aanmelden in de kazerne van Helchteren.
Helchteren? Ik had er nog nooit van gehoord en had geen flauw idee waar die plaats lag.
Daarmee kwam er een einde aan mijn jeugdjaren en begon tegelijk een volledig nieuw hoofdstuk in mijn leven: mijn beroepsloopbaan.
Wat wil je later worden
De meest gestelde vraag aan opgroeiende jongeren is waarschijnlijk wel: wat wil je later worden?
De meest gehoorde antwoorden zijn dokter, brandweerman, politieagent en nog vele andere beroepen. Maar voor mij was het meteen duidelijk: ik wilde schrijver en dichter worden.
Thuis lagen overal zogenaamde stationsromannetjes. Ik herinner me nog de naam Courths-Mahler, al zegt die naam me verder niet zoveel meer.
Naar school gaan kon voor mij niet vlug genoeg, want ik keek er enorm naar uit om die boekjes te kunnen lezen. Dat betekende meteen ook het begin van mijn grote liefde, of beter gezegd mijn verslaving, aan boeken en lezen.
Met het zakgeld dat ik kreeg, kon ik me af en toe al eens een boek aanschaffen, maar het waren vooral de schoolbibliotheek en de gemeentelijke bibliotheek waar ik stapels boeken leende.
Ook de volksschrijver Abraham Hans behoorde tot mijn lievelingsauteurs. Hij was protestant en journalist bij de krant ‘Het Laatste Nieuws’. Vooral zijn jeugdboekjes, beter bekend als ‘de Hansjes’, waren bijzonder geliefd. Van zijn boeken voor volwassenen herinner ik me dan weer het verhaal over Bakelandt en zijn roversbende in het Vrijbos.
Wat was ik fier toen in het middelbaar onderwijs de lessen Nederlands werden gegeven door de auteur Daan Inghelram, die toch wel prachtige romans heeft geschreven, waaronder ‘De Boskanter’.
Ik droomde ervan later een even bekende schrijver te worden. Ik schreef zelf gedichtjes over alles en nog wat: over de volksopstand in de DDR, over de liefde, waarvan ik eigenlijk nog niet zoveel, om niet te zeggen helemaal niets, van afwist. Het waren vaak nogal gezwollen teksten. Ik was werkelijk verslaafd aan lezen en schrijven, wat ik dan ook het liefste deed.
In de bibliotheek kreeg ik, na veel aandringen - ik was immers nog maar vijftien jaar oud – uiteindelijk ook wat zwaardere lectuur zoals werken van Tolstoj, Dostojewski, Victor Hugo en anderen.
In die tijd bestond er ook een weekblad waarin lezers zelfgeschreven gedichten konden insturen, die dan eventueel werden gepubliceerd. Uiteraard stuurde ook ik regelmatig eigen werk op.
In 1953 konden we ook hier in België , via de radio en de kranten, de groeiende sociale ontevredenheid onder de bevolking en de daaropvolgende opstand tegen het regime in verschillende steden van de DDR en in Oost-Berlijn volgen.
Vooral het feit dat deze vreedzame verzuchtingen met harde hand werden neergeslagen door Russische tanks in de straten van Oost-Berlijn, maakte diepe indruk. Er vielen talrijke doden en gewonden en honderden burgers werden gevangengenomen.
Ook bij ons in het Westen, waar het leven intussen toch wel goed was, kwam deze militaire onderdrukking hard aan. Zowel in het dagelijks leven als op school werd er dan ook druk over gesproken.
In mijn jeugdige verontwaardiging probeerde ik deze gebeurtenis ook een plaats te geven in een gedicht. Achteraf viel me natuurlijk op hoe bombastisch sommige woordkeuzes waren, maar de tekst kwam wel recht uit het hart van een zestienjarige jongen.
Langzaam, tergend langzaam gaat de nacht
met vloek en schrei als duistere symptomen
en dood aan hem die mint de vrijheid
vrij van angst en zielzorg
slechts te proeven van de vrede
God schenk toch de macht dit volk
Macht om liefde te doen heersen daar waar viert de haat hoogtij
Heer ik smeek u zend uw zegen, steun die mensen, stem ze blij
blij van hart en vrij van zorgen, dankbaar elke nieuwe nacht
hopend dat de dag van morgen nieuwe glorie brengen mag
Dansende vlammen in het haardvuur
Het is winter. Buiten vriest het dat het kraakt.
Ik ben alleen thuis en zit bij de roodgloeiende kachel met het boek “de Ellendelingen” van Victor Hugo, overigens een van mijn lievelingsauteurs. Langzaam voel ik mezelf wegdromen.
Toch heb ik het gevoel dat er iets veranderd is, iets wat er gisteren nog niet was. De inrichting van de woning lijkt nochtans onveranderd: hetzelfde tapijt aan de wand, hetzelfde meubilair en toch … Tot mijn blik plots op de open haard in de hoek valt. Die was er gisteren nog niet! En hoewel mijn vader wel eens een manusje-van-alles wordt genoemd, vind ik dit toch bijzonder vreemd.
Ik neem plaats voor de open haard en geniet van de gezellige warmte. Ik werp nog enkele houtblokken op het vuur en luister naar het knetterende geluid terwijl de vlammen steeds hoger oplaaien.
Elke keer wanneer ik een nieuw houtblok op het vuur gooi, ontstaat er een symfonie van klanken. De ritmisch op en neer dansende vlammetjes veranderen langzaam in kleurrijke figuren, die de muziek als het ware omzetten in een dans.
Zonder goed te weten hoe, ben ik plots verzeild geraakt op een folklorefestival. Verschillende, kleurrijk uitgedoste volksdansgroepen geven er het beste van zichzelf. Wat is de werkelijkheid toch veel mooier dan alles wat ik ooit in mijn boeken heb gelezen!
Ik wil meer van dit alles en gooi een groter houtblok op het vuur. Met een oorverdovend geknetter spat het uiteen. Plots voel ik me weggeslingerd en beland ik in een totaal andere, verwoeste omgeving.
Van alle kanten klinken explosies. Ik probeer zo snel mogelijk een veilig onderkomen te vinden en loop het dichtstbijzijnde gebouw binnen. Het blijkt een kerk te zijn die als veldhospitaal werd ingericht.
Ik huiver bij het zien van de vele, gruwelijk verminkte mensen. Maar vooral die vreemde geur blijft me bij.
Hoe ben ik hier in hemelsnaam terechtgekomen? En hoe kon ik zo dom zijn? Mijn ouders hebben me toch uitdrukkelijk op het hart gedrukt het huis niet te verlaten wanneer er geschoten wordt!
Ik heb veel over de oorlog gelezen, maar de werkelijkheid blijkt toch heel anders en vooral veel gruwelijker te zijn.
Plots word ik op de schouder getikt. Het is mijn moeder, die net is thuisgekomen. Ze vraagt me of ik geslapen heb. Dat ontken ik natuurlijk.
Heimelijk kijk ik naar de hoek waar daarnet nog de open haard stond, maar daar is niets meer te zien.
Toch herinner ik me dingen die ik nergens eerder heb gehoord of gelezen. Vooral die vreemde geur in het veldhospitaal laat me niet los.
Ik ga naar bed met het besef dat ik iets heb meegemaakt wat ik met niemand zal kunnen delen, maar wat me voor altijd diep vanbinnen zal bijblijven.
Nu, zoveel jaren later, kan en wil ik nog steeds niet aanvaarden dat dit alles slechts een droom was. Ik blijf er rotsvast van overtuigd dat ik daar werkelijk aanwezig ben geweest.
Een vogeltje op zoek naar heimwee en dromen
Ik zit helemaal alleen op mijn ongezellige soldatenkamer en heb opnieuw zo'n dag waarop de heimwee me overvalt wanneer ik terugdenk aan mijn dorp en mijn ouderlijk huis.
Dromerig tuur ik door het venster. De schemering valt en in de huizen rondom mij worden één voor één de lichten aangestoken, totdat ze samen een lange ketting van licht vormen. Een bijna feeëriek schouwspel.
Het maakt me nieuwsgierig. Wie wonen er in die huizen? Hoe leven die mensen? Ik stel me voor dat ik een vogeltje ben en zomaar naar al die huizen kan vliegen om er een kijkje te nemen.
Wat ik te zien krijg, zijn de gewone, dagelijkse bezigheden. Moeder staat aan het fornuis, de kinderen maken hun huiswerk, zitten te lezen of verdrijven de tijd met een of ander spelletje terwijl ze wachten tot vader thuiskomt van zijn werk.
Hoewel de huizen er aan de buitenkant min of meer hetzelfde uitzien, blijkt hun interieur een heel andere wereld te verbergen. Het valt me op hoe sterk die werelden van elkaar verschillen.
Een vredige of juist grimmige sfeer, weelde of armoede: alle facetten van het dagelijkse leven die voor de buitenwereld meestal verborgen blijven.
Ik besef dat dit niet mijn wereld is en dat ik hier eigenlijk niet thuishoor.
Ik verlang naar mijn dorp, mijn familie en mijn vrienden. Naar het ouderlijk huis met zijn witgekalkte muren, begroeid met druivelaars, en naar de bloeiende boomgaarden. Ik vlieg over het landschap, waar je kilometers ver kunt kijken zonder ook maar één huis tegen te komen. Hoogbouw is in ons dorp onbestaande en kinderen kunnen er nog onbezorgd op straat ravotten.
Ook verlang ik ernaar mijn vroegere school nog eens te bezoeken, waaraan ik zoveel mooie herinneringen heb overgehouden. Vooral mijn leraar Duits, de heer Polfliet, staat me nog helder voor de geest. Met grote bewondering kon hij vertellen over de Duitse cultuur. Hij liet de donkere bladzijden uit de Duitse geschiedenis niet zomaar vergeten, maar wilde ons vooral ook laten kennismaken met alles wat dit land op cultureel vlak te bieden had.
Zo vertelde hij vol bewondering over Duitse componisten als Bach, Beethoven en Wagner, maar ook over Weimar en zijn grote dichters Schiller en Goethe. Dat laatste sprak mij bijzonder aan, want ik droomde er immers van om later zelf een gewaardeerd schrijver en dichter te worden.
Vooral over het gedicht ‘Die Glocke’ van Schiller raakte hij niet uitgepraat.
Misschien kan ik als vogeltje wel een van mijn dromen waarmaken en Weimar bezoeken, gelegen in de toenmalige Duitse Democratische Republiek.
Ik vlieg over West-Duitsland en stel vast dat men er volop bezig is met de wederopbouw van de steden die tijdens de oorlog werden verwoest. Wat me daarbij vooral opvalt, is de positieve ingesteldheid van de bevolking en de vastberadenheid waarmee men aan een nieuw en hoopvoller hoofdstuk wil beginnen.
Heel anders wordt het wanneer ik de grens met de DDR oversteek. De landschappen en steden laten een desolate indruk na. Ik voel dat de bevolking onder grote druk staat en dat vooral de angst overheerst: de angst om iets verkeerds te zeggen of te doen.
Dit is absoluut niet het Weimar dat ik me had voorgesteld.
Intussen zijn mijn kamergenoten teruggekeerd. Meteen is er geen plaats meer voor heimwee of dromerijen. En al bij al ben ik toch tevreden dat ik me opnieuw in mijn vertrouwde omgeving bevind.