De Kruisweg - 2


Zij richtten de stammen van de kruisen van de 2 moordenaars. De beulen legden nu het kruis van Jezus reeds ter plaatse, waar zij Hem er aan wilden vastnagelen, zodat zij het gemakkelijk op de plaats waar het staan moest, in de hoogte konden trekken en in de put neerlaten. Vervolgens voegden zij er de beide dwarsbalken in, nagelden er het steunblokje voor de voeten op, boorden de gaten voor de nagelen en voor het titelbord van Pilatus, sloegen spieën onder de ingezette dwarsbalken en hakten hier en daar kleine uitdiepingen in de middenstam voor de verhevener delen van de rug en voor de doornenkroon, opdat het lichaam meer zou steunen en staan dan hangen, groter folteringen zou verduren en de handen niet zouden doorscheuren. Vervolgens plaatsten zij achter de kruisheuvel staken in de grond met boven een dwarsbalk er op, om zo, door middel van er over geworpen touwen, het kruis in de hoogte te trekken.
Maria gaat met haar vriendinnen naar Golgota
Nadat de H. Maagd haar kruisdragende Zoon zo smartelijk had ontmoet en bewusteloos neergezegen was, brachten Joanna Chusa, Suzanna en Salome van Jeruzalem en Joannes en een neef van Jozef van Arimatea haar terug in het huis van Lazarus. De liefde, het verlangen om bij haar Zoon te zijn, en alles met Hem mee te lijden, de bewuste wil om Hem gezelschap te houden tot het bitter einde, schonken haar een bovennatuurlijke sterkte en haar gesluierde gezellinnen spoedden zich met haar naar het huis van Lazarus, waar de andere H. Vrouwen zich verzameld hadden bij Marta en Magdalena en waar zij samen zuchtten en weenden. Er waren ook kinderen bij hen en van daar begaven zij zich weer op weg om de kruisweg van Jezus te bewandelen.
Ze waren met 17. Hun waardig voorkomen dwong eerbied af. Zo kwamen zij op het forum. Op de plaats waar Jezus het kruis op zijn schouders had genomen, zag ik hen de grond kussen. Daarna bewandelden zij de gehele lijdensweg van Jezus en vereerden alle voorname plaatsen van zijn lijden. De H. Maagd die alles voelde, in de geest beschouwde en mee-beleefde en nu opnieuw ondervond, leidde de groep: waar ze stilstonden en verder gingen. Ze ging de kruisweg en nam alle plaatsen onuitwisbaar in haar ziel en onvergetelijk in haar geheugen op. Zij wees deze plaatsen ter verering aan haar gezellinnen aan. Die groep H. Vrouwen kwam nu bij het huis van Veronika en zij traden er binnen.
Onder vele tranen en luide verzuchtingen aanschouwden zij hier de zweetdoek met het aangezicht van Jezus en prezen zijn barmhartigheid jegens zijn trouwe vriendin. Zij namen van hier de kruik met de gekruide wijn mee, die men Veronika niet vergund had Jezus toe te reiken. Veronika sloot zich bij de heilige groep aan en zij volgden de weg door de poort en van daar naar Golgota. Nog meer andere goede mensen, waarvan sommige onderweg een eerste heilzame ontroering ontvingen, en zelfs meerdere mannen sloten zich bij de kleine groep aan en deze trok als een kleine stoet door de straat. Onnoemelijk groot, hartverscheurend waren de smarten van Maria op deze weg, vooral wanneer zij de strafplaats in het zicht kreeg en bij het beklimmen van de hoogte. Inwendig voelde zij al de pijnen van Jezus en bovendien griefde haar de droefheid Hem te moeten overleven. Ook Maria Magdalena was geheel verscheurd en door haar buitengewone droefheid als buiten zichzelf; haar gang was wankelend.

grijs: plaats waar Maria, de Moeder van Jezus, haar nicht Maria van Kleofas, Salome en Joannes stonden
oranje: plaats waar Marta, Maria Heli, Veronika, Joanna Chusa, Suzanna en Maria Markus rond Maria Magdalena stonden
lichtblauw: plaats waar ongeveer 7 andere vrouwen stonden .
Tussen die groepen stonden goedmenende personen, die de verbinding tussen de groepjes onderhielden.
paars: De bereden Farizeeën hadden zich in groepen op meerdere plaatsen rondom de kring opgesteld.
groen: Romeinse soldaten die bij de 5 ingangen van de kring post hadden gevat.
Hoe schrikkelijk was voor Maria het zicht van deze strafplaats op de Golgotaheuvel, van dat verschrikkelijk kruis daar onder haar ogen op de grond uitgestrekt, het zicht van die hamers, die touwen en spijkers verspreid door elkaar neergegooid en tussen dit alles het zicht van die afschuwelijke, half naakte beulen, die onder het uiten van godslasteringen en verwensingen hier en daar in de weer waren om alles voor de kruisiging in gereedheid te brengen. De kruisstammen van de beide moordenaars stonden daar reeds opgericht. De afwezigheid van Jezus, nog steeds in de rotskuil opgesloten, verlengde Maria’s martelaarschap. Zij wist dat Hij nog leefde. Zij verlangde Hem te zien, maar sidderde voor dat weerzien en toch moest zij haar Jezus terugzien, maar helaas in onzeglijke foltering!
Van ‘s morgens vroeg tot 10u, toen het doodsvonnis over Jezus uitgesproken werd, had het keer op keer een weinig gehageld. Als men daarna met de uitvoering van de straf begonnen was klaarde de hemel op en scheen de zon. Maar tegen 12u, was er een roodachtige doffe waas vóór de zon te zien.
Jezus van zijn klederen beroofd en krijgt edik te drinken
Vier gerechtsdienaars gingen nu de heuvel af naar de kerkerholte, waarin men Jezus opgesloten had. Zij openden de deur en trokken Hem met geweld eruit. Jezus had daar tot zijn hemelse Vader nogmaals om sterkte gebeden en zich tevens opnieuw voor de zonden van zijn vijanden aan zijn Vader opgeofferd. Ook gedurende deze laatste stappen van zijn lijdensweg duwden en sleurden de beulen Hem vooruit, terwijl zij Hem met nog andere mishandelingen en smaad overlaadden. De soldaten namen een koele en trotse houding aan, alleen erop bedacht de orde te handhaven.
De gerechtsdienaren ontvingen Hem met grimmige woede. Toen de H. Vrouwen Jezus zagen nader strompelen, gaven zij geld aan een man met het verzoek dit geld met de kruik gekruide wijn aan de soldaten te brengen en hen te vragen Jezus voor dit geld met de wijn te willen verkwikken. Maar die ellendelingen gaven Hem de wijn niet; zij dronken hem later zelf uit. Zij hadden daar evenwel 2 bruine kannen staan met in de ene een mengsel van azijn en gal en in de andere een soort gegiste drank, die wijn zal geweest zijn met alsem en mirre gemengd. Met een teug van deze laatste brachten zij de geboeide Heiland in een bruine drinkschaal aan de lippen. Jezus proefde amper, maar dronk er niet van. Daar waren 18 gerechtsdienaren op de strafplaats binnen de
omwalling. Het zien van dat alles was des te verschrikkelijker voor mij, daar ik ook het boze dat voor anderen onzichtbaar was, hier in zijn ware en afschuwelijke gedaante moest zien. Ik zag vreeswekkende duivelenfiguren tussen al die boze mensen in de weer, als reikten zij hun alles aan, als hielpen zij hen bij alles met raad en daad. Ik zag een ontelbare menigte walgelijke gedaanten zoals van padden, slangen en draken met vele klauwen, gedaanten van afschuwelijke soorten van giftige insecten, die door hun groot getal de lucht in de omgeving versomberden. Zij vlogen met geweld in de mond van die mensen of in hun boezem, of gingen op hun schouders zitten. Dit deden zij bij degenen wier ziel vervuld was met toornige, boze gedachten of die woorden van vloek en hoon uitbraakten.
Gedurende de kruisiging echter zag ik boven de Heer veel grote gestalten van wenende engelen en ook gloriën waarin ik louter kleine gezichten van engeltjes onderscheidde. Ook zag ik dergelijke medelijdende en troostende engelen verschijnen boven de H. Maagd en boven alle vrienden van Jezus en andere goedgezinden, die daardoor gesterkt en in hun moed gesteund waren. De gerechtsdienaren rukten Jezus‘ mantel af, die om zijn bovenlijf gewonden was, evenals de gordelboei met de 4 koorden en zijn eigen gordel. Daarna trokken zij Hem zijn wijd witwollen bovenkleed over het hoofd en dan namen zij de lange, smalle halsdoek van zijn schouders.
Omdat zij de bruine tuniek zonder naad, die zijn Moeder voor Hem had gemaakt, niet over de brede doornenkroon konden krijgen, rukten zij deze met ruw geweld van het hoofd, waardoor al zijn hoofdwonden weer opengereten werden. Dan schortten zij de naadloze rok omhoog en onder hoon en verwensing trokken zij Hem die over zijn met wonden bezaaid en bebloed hoofd uit. Zo stond daar nu de Mensenzoon, sidderend, over heel zijn lichaam met builen, striemen, met oude en nieuwe, droge en bloedende wonden bedekt. Nu had Hij alleen nog zijn kort wollen schouderkleed op het bovenlijf aan en de gordeldoek om zijn middel. Het schouderkleed was met wol was met bloed vastgeplakt aan de diepe wonde die de kruisstam in zijn rechterschouder had gegroefd, vooral deze wonde veroorzaakte Hem de onbeschrijfelijkste smarten.
Meedogenloos rukten zij Hem dit scapulier van de borst. De Zaligmaker stond daar nu verschrikkelijk mismaakt en verscheurd, zonder kleed. Zijn schouders, schouderbladen en ribben waren tot op het bot toe ontvleest. Hier en daar waren plukken witte wol, afkomstig van het scapulier, in de bloedklonters, in de wondkorsten en in het opgedroogde bloed van zijn borst blijven kleven. Daarna ontdeden zij Hem van zijn laatste kledingstuk, zijn lendengordel en nu stond Jezus daar helemaal naakt. Hij boog en kromde zich voorover om enigszins zijn schaamte te bedekken; en toen Hij onder hun handen scheen te zullen neerzinken, wentelden zij een steen nader en deden Hem erop neerzitten.
Dan drukten zij Hem ook weer, nu voor de derde maal, de doornenkroon op het hoofd en boden Hem de andere kruik met gal en azijn aan, maar zwijgend wendde Hij het hoofd af en weigerde te drinken. Nu grepen de beulen Hem bij de armen waarmee Hij zijn naaktheid bedekte en heften Hem op om Hem op het kruishout neer te werpen, maar op dit ogenblik verhief zich een luid protest van verontwaardiging uit het midden van al zijn vrienden over dit eerloos gedrag van de beulen, die zelfs het heilig schaamtegevoel van de Heer niet ontzagen. Zijn heilige Moeder bad met aandrang tot God om Jezus deze smaad bespaard te mogen zien.
Zij stond op het punt haar sluier van haar hoofd te nemen, en Hem haar sluier ter bedekking over te reiken, maar haar gebed werd door God verhoord, want op hetzelfde ogenblik stormde een man met opgeschorte klederen en buiten adem in de kring, drong tussen de beulen door en reikte Jezus een doek over om zijn middellijf te bedekken. Jezus nam dankbaar de doek aan en omwond er zich op zulk een manier mee, dat het langste, van voren neerhangend einde tussen de benen naar achteren gebracht en in de omgewonden doek als in een gordel vastgemaakt werd. Deze weldoener van de Verlosser, die door God op het gebed van de H. Maagd naar hier gedreven werd, had in zijn onstuimigheid iets gebiedends.
Terwijl hij zijn vuist dreigend tegen de beulen uithaalde, sprak hij: “Belet deze arme mens zich te bedekken, als je durft!” Verder sprak hij tegen niemand en liep even snel van daar weg, als hij gekomen was. Deze man was Jonadab, een neef van de H. Jozef, uit de omstreken van Bethlehem, een zoon van Jozefs broer.
Jezus wordt aan het kruis genageld
Jezus, een toonbeeld van ellende, werd nu door de beulen op het kruishout uitgestrekt. Eerst zette Hij zich zelf erop neer en de beulen duwden Hem dan op de rug en zij trokken zijn rechterhand tot boven het nagelgat in de rechterdwarsbalk van het kruis en zij bonden dan de arm met koorden stevig vast. Een van hen zette zijn knie op zijn heilige borst; een ander wrong de zich sluitende hand open en een derde plaatste een lange, dikke nagel in het dikke gedeelte van zijn rechterhand, waarmee Hij altijd had gezegend en begon met de ijzeren hamer verwoed te kloppen. Een zacht, hartverscheurend gekerm weerklonk uit de mond van de Heer. Zijn heilig Bloed spatte op de armen van de beulen; zijn handpezen scheurden en werden met de driekantige spijker in het nauwe nagelgat gedreven.
De H. Maagd jammerde zacht en scheen het uitwendig bewustzijn verloren te hebben, maar Magdalena was buiten zinnen. De nagels, bij de aanblik waarvan Jezus over zijn gehele lichaam gehuiverd had, waren ongeveer 10cm lang met boven een afgeronde brede kop ter grootte van ong. 2cm diameter. En van onderen ong. 1cm. Door het kruishout gedreven stak hij aan de achterkant van de balk even uit. Na het nagelen van de rechterhand van de Heer bemerkten de kruisigers dat de linkerhand, die zij eveneens op de kruisarm hadden vastgesnoerd, niet tot boven het nagelgat in de linkerdwarsbalk reikte. Zij bonden daarom koorden om die arm en terwijl zij zich met hun voet tegen het kruis schoorden, trokken zij met alle kracht de hand tot boven het gat.
Jezus jammerde op hartverscheurende wijze. Zij rukten Hem zo de armen uit de gewrichten, zijn oksels stonden uit elkaar getrokken en hol, en aan de ellebogen zag men de ontwrichting van de knoken. Zijn borst kwam omhoog en de knieën trokken zich krampachtig naar het benedenlijf toe. Zij zetten nu opnieuw hun knie op de arm en de borst van de Zaligmaker, knevelden zijn arm vast en klopten de tweede gruwzame nagel door de linkerhand van de Heer; het bloed spoot omhoog. Tussen de zware hamerslagen door weergalmde het zachte gekerm van Jezus. Beide armen waren nu in een rechte lijn zo uitgespannen, dat ze de schuin opgaande kruisarmen niet meer bedekten. Men kon tussen de kruisarmen en zijn okselholten door zien.
De H. Maagd leed alle folteringen met Jezus mee; zij was lijkbleek en zachte klaagtonen weerklonken van haar lippen. De Farizeeën richtten hun spotwoorden naar die kant van de aarden wal waar zij stond en de vrienden brachten haar daarom een weinig verder van de kring af bij de andere H. Vrouwen. Magdalena was van droefheid als waanzinnig; zij krabde zichzelf in het gezicht en haar ogen en wangen waren bebloed. Beneden op de kruisstam, ongeveer op een derde van zijn hoogte, was met een zeer grote spijker een vooruitstekend blokje bevestigd. Het doel ervan was steun te verlenen aan de voeten die er op vastgenageld moesten worden, opdat Jezus meer zou staan dan hangen; zonder dat zouden de handen zijn doorgescheurd en zouden ook de voeten, zonder te breken, niet genageld hebben kunnen worden.
In dat blokje was ook reeds het nagelgat geboord. Ook was er reeds een uitdieping in gemaakt voor de hielen, zoals overigens op de kruisstam op meerdere plaatsen dergelijke uithollingen gemaakt waren, opdat de gekruisigde des te langer zou kunnen hangen. Ook moest er door bekomen worden dat de handen onder het gewicht van het lichaam niet doorscheurden en het lichaam niet neerstortte. Het hele lichaam was door het gewelddadig uitrekken van de armen naar de te ver van elkaar geboorde nagelgaten naar boven getrokken en zijn knieën hadden zich opgericht. Nu trokken de beulen zijn knieën met touwstrikken naar beneden en snoerden zij deze tegen het kruishout, maar zijn heilige voeten reikten, ten gevolge van de onjuist geplaatste nagelgaten, op verre na niet tot bij de voetblok.
Nu verhief zich onder de beulen een verschrikkelijk gevloek en smaden tegen Jezus. Enigen stelden voor, andere gaten te boren in de kruisarmen, omdat het blokje moeilijk te verplaatsen was. Anderen zeiden met cynische wreedheid: “Hij wil zich niet uitstrekken, maar we zullen Hem aanstonds helpen!” Zij legden hierop een touw om zijn rechterbeen, trokken met folterend geweld de voet tot bij het blokje en bonden dan het been met touwen stevig op de kruisstam vast. Deze uitrekking van zijn lichaam was zo wreedaardig, dat Jezus’ borstkas kraakte en zijn beenderen zich ontwrichtten, waarbij Jezus luid jammerde: “Ach, mijn God, mijn God!“ Zijn borst en armen waren reeds met koorden vastgebonden om te voorkomen dat de handen uit de nagels zouden scheuren. Zijn onderlijf was als weggeslonken en het was als braken al zijn ribben van het borstbeen af. Dit was een huiveringwekkende marteling.
Nu bonden zij met hetzelfde gruwzaam geweld de linkervoet met koorden op de rechtervoet vast, en met een priem of zwikboor boorden ze in de wreef van de linkervoet een gat, omdat zonder dit vooraf geboord gat de linkervoet geen voldoende steun ter nageling gehad zou hebben. Nu namen zij een veel langer nagel, de gruwelijkste die zij hadden en dreven die met forse hamerslagen krakend door de reeds verwonde wreef van de linkervoet en vervolgens door de er onder geplaatste rechtervoet totdat de spijker tenslotte door het steunblokje heen, in de kruisstam gedrongen was. Ik zag de nagel tussen de voeten doorgaan. Door de uitrekking van het hele lichaam was deze nageling van de voeten de gruwzaamste van al Jezus’ martelingen.
Ik telde 36 hamerslagen, waaronder de lijdende Verlosser weeklaagde van de pijn. Hoe zacht en helder waren zijn jammerklachten. Hoe hels, hoe grof, dof en akelig klonken daarentegen de stemmen van hoon en woede rondom Hem. De H. Maagd was tot de plaats van de terechtstelling teruggekeerd, maar bij dat rekken en kraken van de beenderen van haar Zoon en bij zijn kermen gedurende de nageling van de voeten, werd haar Hart van medelijden verscheurd en zonk zij opnieuw bewusteloos in de armen van haar gezellinnen. Hierdoor ontstond een andere herrie: de Farizeeën kwamen in haar richting gereden en voegden haar harde beledigingen toe en daarom brachten haar vriendinnen haar opnieuw van de aardwal weg.
Gedurende de nageling en de daarop volgende kruisoprichting weerklonk hier en daar, vooral onder de vrouwen, een medelijdend protest: “Waarom verzwelgt de aarde die verachtelijke beulen niet? Waarom verteert het vuur van de hemel hen niet?” Doch met hoon en spot reageerden de beulen op deze uitingen van liefde. Jezus’ verzuchtingen waren louter klanken van pijn, die hem ontsnapten, terwijl Hij bepaalde psalmen en voorzeggingen bad op het ogenblik dat Hij ze vervulde. Ook op heel zijn weg en tot aan zijn dood was Hij ononderbroken in zo’n gebed en in deze vervulling verdiept. Gedurende Jezus’ onmenselijke martelingen zag ik wenende engelen boven Hem verschijnen. Bij het begin van Jezus’ nageling aan het kruis had de bevelhebber van de Romeinse wacht de door Pilatus geschreven titel op het bovenstuk van het kruis laten vasthechten.
De Farizeeën waren er nu nog meer over geërgerd en beledigd, daar de Romeinen er zich vrolijk over maakten en om die titel schaterlachten: “Koning van de Joden!” Enige Farizeeën lieten de maat voor een nieuw opschrift maken en reden dan naar de stad terug en vernieuwden bij Pilatus hun verzoek om een nieuw opschrift. Gedurende Jezus’ nageling beitelde men nog aan de opening, waarin het kruis opgericht moest worden, omdat het te klein was en de rots zeer hard was. Enige beulen hadden de gekruide wijn, door de H. Vrouwen voor Jezus meegebracht, zelf uitgedronken en nu waren zij er geheel van bedwelmd. Zij voelden in hun ingewanden een soort brand en snerpende pijn, zodat zij er als razend van werden. Zij scholden Jezus uit voor een tovenaar, waren woedend om zijn zwijgend geduld en liepen meermalen de Kalvarieberg af om ezelinnenmelk te gaan drinken. Enige vrouwen uit het naburige paasgastenkamp waren met melkgevende ezelinnen in de nabijheid en zij verkochten de melk.
Oprichting van het kruis
Nadat de beulen Jezus aan het kruis hadden genageld, bonden zij touwen aan ringen achter het boveneind van het kruis en sleepten het met dit gedeelte op de hogere standplaats, waar het kruis moest staan. Zij wierpen nu die koorden over een daarachter opgerichte dwarsbalk en meerdere beulen trokken met verenigde krachten de top van het kruis met die koorden in de hoogte. Andere beulen intussen bewogen met haakstokken de voet van het kruis in de richting van de opening en als hij daarin terecht gekomen was, hieven zij de top van het kruis voorwaarts, zodat het in loodrechte stand geraakte en heel het gewicht met een geweldige schok in de opening neerplofte. Het kruis daverde van de stoot en Jezus slaakte luide jammerkreten.
Door zijn gewicht trok het uitgespannen lichaam neerwaarts; de wonden scheurden breder open, het bloed stroomde er overvloediger uit en de ontwrichte beenderen duwden tegen elkaar. Om het kruis vaster te zetten schudden de beulen het nog enige keren en sloegen dan 5 wiggen rondom de stam in de opening. Het maakte een schrikwekkende en tegelijk ontroerende indruk, toen het kruis onder het spot- en triomfgeschreeuw van de beulen, van de Farizeeën en van veel volk dat verderaf stond en nu de omhoog geheven Verlosser ook kon zien en met een ruwe, ploffende stoot in de kuil viel. Maar er weerklonken ook vrome, weeklagende stemmen die zich tot Hem verheften: de heiligste stemmen der aarde, het klaaggeschrei van de medelijdende Moeder, van de vriendinnen en van de vriend en van alle reinen van hart die de op het kruis verheven, eeuwige, mensgeworden Woord begroetten en huldigden met zielroerende ontboezemingen.
Alle minnenden strekten bekommerd hun bevende handen in zijn richting, als wilden zij Hem hulp verlenen, toen de Heilige der heiligen, de Bruidegom van de zielen, levend aan het kruis genageld, onder razend getier, door de handen van dolzinnige zondaars, schuddend in de hoogte geheven werd. Maar toen het kruis met een luide schok rechtop in de put op de harde rots neerplofte, trad voor een ogenblik een algemene stilte in: het was of iedereen een nieuwe, nooit beleefde gewaarwording ondervond. Zelfs de hel schrok bij de schok van het neervallende kruis, maar steigerde in haar werktuigen, die tot een nieuwe aanval van gevloek en gehoon tegen hun slachtoffer overgingen. Maar ook bij arme zielen van afgestorvenen en in het voorgeborchte werd die schok vernomen.
Het vervulde hen met vreugde en bange, hoopvolle verwachting; de schok klonk hun toe als de aankondiging van hun bevrijding, als het kloppen van de naderende overwinnaar aan de poorten van de Verlossing. Voor de eerste keer stond dan daar het heilig kruis in het midden van de aarde opgericht als een andere levensboom in het paradijs en uit Jezus’ breder opengescheurde wonden gulpten 4 heilige stromen op deze aarde neer om haar schuld af te wassen, de vloek van haar weg te nemen en om haar te herscheppen in een vruchtbaar paradijs voor de nieuwe Adam. Nadat het kruis opgericht en onze Heiland van de aarde verheven was en de woeste kreten van de beulen gedurende enige minuten voor een stille verbazing hadden plaats gemaakt, drong het geschal van vele trompetten en bazuinen uit de tempel tot hier door en kondigde aan dat de slachting van het voorafbeeldende paaslam begonnen was.
Dit plechtig, betekenisvol geschal onderbrak het spotgeschreeuw van de bozen en het weeklagen van de vromen rondom het ware geslachte Lam Gods. Menig versteend hart werd vermurwd en dacht aan de woorden van Joannes de Doper: “Zie het Lam Gods dat de zonden van de wereld op zich heeft genomen!” De verhevenheid waarop het kruis stond was ongeveer een halve meter hoger dan de grond er omheen. De voeten van Jezus bevonden zich ongeveer op manshoogte. Nadat het kruis in de kuil neergestoten was, konden de vrienden van Jezus zijn voeten gemakkelijk omarmen en kussen. Jezus was met zijn gezicht naar het noordwesten gekeerd.
Kruisiging van de moordenaars
Terwijl de beulen Jezus aan het kruis nagelden, lagen de 2 moordenaars met de handen aan de dwarsbalk op de nek gebonden, op hun rug naast de weg tegen de oostelijke helling van de Kalvarieberg; een wacht was bij hen. Allebei waren zij verdacht van een moord op een reizende Joodse vrouw en haar kinderen op de weg van Jeruzalem naar Joppe. De slechte moordenaar die men aan Jezus’ linkerzijde had gekruisigd, was ouder; het was een grote booswicht. Hij was de verleider van de andere die zich bekeerde en was ook zijn hoofdman geweest. Gewoonlijk noemt men hen Dismas en Gesmas. Ik ben hun ware namen vergeten en zal daarom de goede moordenaar Dismas en de slechte Gesmas noemen. Allebei maakten zij deel uit van die roversbende bij de Egyptische grens en in hun herberg had de H. Familie op haar vlucht naar Egypte overnacht.
Dismas was het melaatse knaapje, dat op aanraden van Maria, door zijn moeder gewassen werd in hetzelfde water waarin Maria haar goddelijk Kind gebaad had en dat op hetzelfde ogenblik zijn genezing bekwam. De barmhartigheid waarmee zijn moeder de H. Familie toen opgenomen en tegen de rovers beschermd had, werd toen beloond met zijn genezing, die een voorspel- en voorafbeelding inhield van de genade die hem nu bij de kruisiging ten deel viel, nl. zijn zielereiniging in het bad van Jezus’ bloed. Dismas was verdwaald en diep gevallen; hij kende Jezus niet. Omdat hij niet boosaardig was en nog veel goed in hem stak, had het geduld van Jezus hem geweldig getroffen. Terwijl hij daar op de grond lag, sprak hij voortdurend met zijn kameraad Gesmas over Jezus. Zo zei hij: “Zij gaan met die Galileeër verschrikkelijk te keer.
Wat Hij met zijn nieuwe Wet uitgericht heeft, moet dus nog een groter misdaad zijn dan de onze, maar Hij heeft een ongelooflijk geduld en ook een grote macht over alle mensen.” Gesmas echter antwoordde: “Welke macht heeft Hij? Als Hij de macht heeft die men zegt, dan zou Hij ons kunnen helpen!” Dergelijke woorden wisselden zij met elkander. Terwijl men nu het kruis van Jezus nog aan het oprichten was, kwamen gerechtsdienaars hen halen en trokken hen nu opwaarts mee naar de gerechtsplaats met de woorden: “Kameraden, de beurt is aan u!” Men maakte de dwarsbalken van hun nek los en gingen daarbij haastig te werk, want de zon begon te vertroebelen en er was een beweging in de natuur alsof een groot onweer op handen was. De beulen plaatsten nu de ladders tegen de reeds opgerichte kruisstammen en maakten de gebogen dwarsbalken daaraan vast.
Ondertussen had men de moordenaars een mengsel van azijn met mirre te drinken gegeven en hun versleten scapulieren, die ter zijde open waren, uitgetrokken en nu hees men hen omhoog met koorden om de armen, die over de dwarsbalken van de kruisen geworpen waren, terwijl zijzelf hun voeten zetten op tappen die door de gaten in de stam gestoken waren, en zo hun kruis bestegen. Hun armen werden omgewrongen, over de dwarsbalken gebogen en eraan vastgebonden, boven de handgewrichten en ellebogen, en zo ook hun benen boven de enkels en knieën. Door middel van ingeschoven stokken die zij draaiden, werden de touwen zo stevig aangespannen, dat het bloed uit hun spieren sprong en de beenderen kraakten. De gekruisigden slaakten een vervaarlijk gebrul. De goede moordenaar had bij het bestijgen van zijn kruis reeds gezegd: “Waren jullie met ons te werk gegaan zoals met die arme Galileeër, je zou ons niet meer naar boven hebben moeten trekken.”
















