De Kruisweg - 5
Aardbeving – Doden verschijnen in Jeruzalem
Toen Jezus met een luide kreet zijn geest aan zijn hemelse Vader teruggaf, zag ik zijn ziel als een lichtgestalte bij het kruis in de grond neervaren en met haar ook een schitterende groep engelen afdalen en onder hen bemerkte ik de aartsengel Gabriël. Ik zag door deze engelen een grote menigte boze geesten van de aarde naar de afgrond neergedreven worden. Jezus zond uit het voorgeborchte vele zielen in hun lichamen op aarde terug om de onboetvaardigen schrik in te boezemen, te vermanen en voor Hem te getuigen. De aardschok bij Jezus’ dood, die de Kalvarierots deed barsten, veroorzaakte in de wereld veel instortingen en verzakkingen, vooral echter in Palestina en in Jeruzalem. Nauwelijks was met het ophouden van de duisternis de rust en de orde in de stad en de tempel teruggekeerd en waren de Joden weer op adem gekomen, of de aardbeving, het gekraak en gedruis van instortingen op vele plaatsen verwekte overal een nog groter en algemener ontsteltenis.
Maar de schrik steeg ten top, toen de mensen, die in wanorde en jammerend wegvluchtend op hun weg hier en daar doden ontmoetten, die uit hun graf opgestaan door de straten zweefden en hen met een schorre, holle stem vermaanden. Nauwelijks hadden de hogepriesters in de tempel de slachting van het paaslam, die wegens de schrik voor de duisternis even stopgezet was, weer doen hervatten en waanden zij zich reeds met de terugkeer van het licht overwinnaars, of opeens beefde de aarde en hoorde men een zwaar dof gedruis; het kraken van vallende muren met daartussen het scheuren van het voorhangsel van de tempel wekte een ogenblik een stomme, doodstille angst onder de enorme volksmenigte. Weldra werd hier en daar de stilte door angstgeroep en weegeschrei verbroken.
De 2 grote zuilen van de ingang van het Heilige van de tempel, waartussen een prachtig voorhangsel hing, weken uit elkaar; het gordijn scheurde in zijn lengte van boven naar beneden zodat het, zich openend, naar beide zijden neerviel. Dit voorhangsel was rood, blauw, wit en geel. Er waren vele hemelsferen op afgebeeld en ook figuren, zoals de koperen slang. Men kon nu in het Heilige zien. Bij het altaar verscheen onder meer Jeremias en hij sprak dreigende woorden; hij verklaarde dat het tijdperk van het oude offer afgesloten en dat van het nieuwe offer ingeluid was. Er ontstond ook nog een ander groot gedruis: de deuren van de tempel sprongen open en er weerklonk een stem die riep: “Laten wij uit deze plaats weggaan!”.
Hierop zag ik engelen uit de tempel wegzweven. Nikodemus, Jozef van Arimatea en vele anderen namen nu ook afscheid van de tempel en verlieten hem (zoals vroeger reeds het Sanhedrin). Annas, was nu als waanzinnig van angst en vluchtte in de tempel. Kaïfas, hoewel in de grond niet minder beangstigd, had zulk een hoogmoedige, hardnekkige, onverzettelijke duivel in zich, dat hij zijn ontsteltenis niet liet merken. Bij het paleis van Pilatus brak de steen en zakte de plaats waarop Jezus stond, toen Hij door de landvoogd met de woorden ‘Ecce Homo’ aan het volk voorgesteld werd. De verwarde Pilatus was radeloos van schrik en zonder kracht om de toestand te beheersen en een bestuursdaad te stellen. Bij de aardbeving schudde zijn paleis, de grond scheen onder zijn voeten weg te schuiven en te zinken.
De doden die tot op de voorplaats van zijn paleis kwamen, slingerden hem verwijten naar het hoofd wegens zijn onrechtvaardig vonnis dat hij velde in strijd met zijn eigen overtuiging. Ook Herodes was in zijn paleis onzinnig van schrik en hield alle toegangen zorgvuldig gesloten. Niet minder dan 100 doden en wel uit alle tijdperken waren te Jeruzalem en in de omstreken uit hun ingestorte graven met hun lichamen opgestaan. Op de hoeken waar zijwegen begonnen en waar men met bazuingeschal Jezus’ doodvonnis had afgekondigd, hielden zij een ogenblik stil, verheerlijkten zij Jezus om zijn dood en riepen zij: “Wee over zijn moordenaars!” Het volk luisterde van ver toe naar hun boodschap, sidderde van angst en sloeg op de vlucht. Ongeveer om 4 uur keerden de lijken naar hun graven terug.
Pilatus vertrouwt Jezus’ lichaam aan Jozef van Arimatea toe
Nauwelijks was de rust na zovele vreeswekkende voorvallen in de heilige stad enigszins teruggekeerd, of men bestormde de ontstelde Pilatus van alle zijden met berichten over het gebeurde. Ook de Hogeraad zond, ten gevolge van een besluit dat al vroeg in de morgen genomen was, een gezantschap naar Pilatus met het verzoek de beenderen van de 3 gekruisigden te laten verbrijzelen en hen aanstonds na hun dood te laten afnemen van het kruis opdat ze niet tot op de sabbat aan het kruis zouden blijven hangen. Ingevolge dit verzoek zond Pilatus enige beulen met deze opdracht naar de strafplaats. Hierop zag ik Jozef van Arimatea, de raadsheer, het paleis van Pilatus binnengaan. Hij had de dood van Jezus reeds vernomen en was met Nikodemus overeengekomen om het lichaam van Jezus in zijn eigen nieuw rotsgraf in de tuin niet ver van de Kalvarieberg ter aarde te bestellen.
Nikodemus van zijn kant was reeds in enige winkels lijkwaden en specerijen voor de bereiding en de balseming van het lijk gaan kopen. Jozef trof Pilatus aan in de grootste verwarring en angst. Zonder vrees, op de man af vroeg Jozef hem verlof om het lichaam van Jezus, de koning van de Joden, van het kruis af te mogen nemen om Hem in zijn eigen graf een waardige laatste rustplaats te bezorgen. Pilatus, die reeds zo ontsteld was, schrok nu nog meer, daar zo’n aanzienlijk man als Jozef van Arimatea hem met zulk een aandrang verzocht de laatste eer te mogen bewijzen aan Jezus, die hij zo schandelijk aan het kruis had laten doden. Dit deed de onschuld van Jezus, die zijn geweten zo pijnigde, nog sterker uitkomen en zijn wroeging nog aangroeien, maar hij vermande zich en zei schijnbaar onverschillig: “Is Hij dan al dood?”
Hij toonde zich over die spoedige dood verwonderd, want pas een paar minuten geleden had hij gerechtsdienaren uitgezonden om de dood van de gekruisigden door het breken van hun beenderen te verhaasten. Hij liet daarom de hoofdman Abenadar bij zich toe, die ondertussen van de spelonken was teruggekeerd en vroeg hem of de koning van de Joden reeds gestorven was. Abenadar vertelde hem nu de dood van de Heer, die om 3 uur had plaatsgehad, zijn laatste woorden aan het kruis, zijn laatste luide uitroep. Hij wilde zijn wreedheid en het gepleegde onrecht wellicht enigermate goedmaken door aan Jozef van Arimatea onmiddellijk een stuk te laten overhandigen, waarbij hij hem recht gaf op het lichaam van de koning der Joden en hem bemachtigde om het van het kruis af te nemen en het te begraven. Hij zond onmiddellijk Abenadar naar de strafplaats, die zou waken over de uitvoering van deze bepaling.
Jozef van Arimatea ging daarna inkoop doen van een fijne, kostbare, katoenen lijkdoek van 6 el lang en verscheidene ellen breed. Nikodemus had kruiden en specerijen voor de lijkbalseming gekocht. Dienaren van Nikodemus haalden uit een loods nog andere benodigdheden, zoals ladders, staken, hamers, lederen waterzakken, bekkens, sponsen en verder alles wat nodig kon zijn voor hun opzet.
De beenderen van de moordenaars worden gebroken
Diepe stilte en rouw heersten intussen buiten de stad op Golgota. Het volk had zich uit schrik en angst teruggetrokken en verborgen. De Moeder van Jezus, Joannes, Magdalena, Maria van Kleofas en Salome stonden of zaten met gesluierd hoofd tegenover het kruis, weenden en treurden. Enige soldaten zaten op de aarden ringwal en hadden hun lansen naast zich in de grond geplant. Spoedig kwamen er 6 beulen opdagen, die ladders, spaden, koorden en zware, driehoekige ijzeren knuppels of baren bij zich hadden om de beenderen van de gekruisigden te breken.
De H. Maagd werd overvallen door de geheel nieuwe, hartverscheurende vrees dat de beulen nu ook nog het lijk van haar Zoon smadelijk zouden verminken, want zij klommen reeds op hun ladder die zij tegen het kruis van Jezus geplaatst hadden, stootten tegen zijn heilig lichaam aan en beweerden dat Hij zich voor dood hield. Nochtans, daar zij tastten en voelden dat Hij geheel koud en verstijfd was en daar Joannes bovendien, op het verlangen der H. Vrouwen, de tussenkomst der soldaten ter bescherming van het heilig lichaam inriep, zagen de beulen voorlopig van de beenderenbreuk bij Jezus af. Zij gingen nu de ladders op, die zij tegen de kruisen van de moordenaars geplaatst hadden. Bij ieder moordenaar verbrijzelden 2 beulen met hun knotsen de pijpen van hun beenderen onder en boven de ellebogen, terwijl een derde hetzelfde deed boven de knieën en op de scheenbeenderen.
Gesmas slaakte daarbij een vervaarlijk en woest gebrul; de beulen sloegen hem daarop nog met 3 geweldige deuken de borstkas in. Dismas zuchtte gelaten en bestierf deze marteling; hij was de eerste sterveling die zijn Verlosser in de andere wereld terugzag.
Opening van Jezus’ zijde
De vrienden van Jezus waren door het gruwzaam optreden van de beulen bij het breken van de beenderen der moordenaars, nog angstiger geworden. Maar Kassius, later Longinus genaamd, de onderofficier die het opperbevel van Abenadar had overgenomen, gaf door zijn ingrijpen een ander verloop aan het gebeuren. Het zien van de woedende, brutale handelwijze van de beulen, van de angst en bezorgdheid der H. Vrouwen vervulde hem opeens onder aandrijving van Gods genade met grote vurigheid en maakten hem tot de vervuller van een profetie. Zijn lans, waarvan de delen verkort in elkander staken, schoof hij verlengend uiteen, bevestigde de punt of het blad op het boveneinde, wendde zijn paard en richtte het ijlings opwaarts naar de Kalvarieheuvel.
Kassius nu, staande tussen de kruisen van Jezus en van de goede moordenaar aan de rechterkant van het lichaam van Onze Heer, nam zijn lans met beide handen vast en dreef ze met zo’n geweld opwaarts in de hol gespannen rechterzijde van de Verlosser, dwars door heel het binnenste en het Hart, dat haar punt aan de andere kant uitkwam en links op de borst een kleine wonde opende. Daar hij de heilige lans even onstuimig uittrok, liep er uit de wijde wonde aan de rechterzijde een rijke stroom van bloed en water, die als een stroom van heil en genade zijn omhoog gericht gezicht besproeide. Hij sprong van zijn paard, viel op zijn knieën, sloeg zich rouwmoedig op de borst, en beleed Jezus voor alle aanwezigen.
De H. Maagd en haar vriendinnen, die hun blikken onafgewend op Jezus gevestigd hadden, aanzagen met angst de onverwachte handeling van die man. Als hij nu Jezus’ zijde doorboorde, ontrukte hun de stoot van zijn lans een smartelijke angstkreet, terwijl zij naar het kruis toesnelden. Hier voelde Maria, als had de lans van Kassius haar eigen hart doorboord, het snijdende ijzer dwars door haar hart gaan en zij zonk bewusteloos neer in de armen van haar vriendinnen. Doch Kassius sprong, na de lanssteek, van zijn paard en beleed de Heer; zijn ziel was vol jubel. Op de knieën loofde en verheerlijkte hij God, want hij geloofde en was inwendig verlicht.
Op hetzelfde ogenblik waren allen van eerbied doordrongen bij het zien van het bloed van de Verlosser, dat schuimend en met water vermengd in een holte op de rotsbodem aan de voet van het kruis samengevloeid was. Kassius, Maria en de H. Vrouwen en Joannes verzamelden zo zorgvuldig mogelijk dit bloed en water in drinkschalen en flessen, en droogden daarna de kuil en de bodem met linnen doeken. Kassius was een ander mens geworden. Ook de aanwezige soldaten waren diep onder de indruk van het wonder dat aan hun hoofdman geschied was en zij volgden hem na in zijn geloof. Zij vielen eveneens op hun knieën, sloegen zich op de borst en beleden hun geloof in Jezus.
De beulen die kennis gekregen hadden van Pilatus’ verbod om de beenderen van Jezus’ lichaam te breken, keerden niet meer op Golgota terug. Joannes ging met de H. Vrouwen daarna in de stad, om aan de H. Maagd de allernodigste rust en verkwikking te bezorgen. De H. Maagd had trouwens een klein verblijf in de bijgebouwen van het Cenakel.
Jezus wordt van het kruis afgenomen.
Het kruis stond daar eenzaam, slechts door enkele wachten omgeven. Twee mannen, Jozef van Arimatea en Nikodemus kwamen van het graf en gingen tot het kruis. Alle benodigdheden voor de balseming van het lijk werden samengebracht. Hun bedienden namen naast de gereedschappen om het heilig lichaam van het kruis af te nemen, ook nog 2 ladders mee. Er was ook reukwerk voor de lijkbereiding. Jozef droeg ook een doos met balsem. Ook namen zij licht in een gesloten lantaarn met zich mee. Deze dienaren vertrokken vóór hun meester en kwamen bij het huis, waarheen de H. Maagd, de andere vrouwen en Joannes zich begeven hadden. Joannes en de H. Vrouwen volgden de bedienden op een korte afstand.
De vrouwen waren met vijf. Enkele van hen droegen grote stukken linnen opgerold onder hun wijde mantels. De straten waren stil en verlaten. Iedereen bleef van schrik en angst binnenshuis; velen ook verrichtten werken van boetvaardigheid en slechts zeer weinigen vierden het paasfeest volgens de wettelijke voorschriften. Kassius en enkele soldaten die zich bekeerd hadden, stonden daar als geheel andere mensen vol schroom en ontzag op een eerbiedige afstand van Jozef van Arimatea, Nikodmus en hun bedienden, Johannes en de H. Vrouwen. Zodra nu de hoofdman Abenadar aangekomen was, begonnen zij, de ziel vol droefheid, eerbied en piëteit, het zeer heilig liefdewerk van de afneming en bereiding ter begrafenis van het heilig lichaam van hun Heer en Meester en Verlosser.
De H. Maagd en Magdalena waren boven op de heuvel gezeten, tussen het kruis van Jezus en dat van de goede moordenaar. De andere vrouwen waren nu in de weer met de specerijen, doeken, water, sponsen, vaten en al het overige in orde en gereedheid te brengen. Allen waren zeer onder de indruk en vol statige ernst, vol droefheid en liefde en meer geneigd tot zwijgen dan tot spreken. Nikodemus en Jozef plaatsten nu de ladders tegen de achterkant van het kruis, klommen erop met een lijnwaad die ze aan de dwarsbalken vastmaakten. Ze dreven de nagels uit hun gaten en maakten Jezus los en lieten hem in het lijnwaad zakken. Eerst maakte hij de koorden los en verwijderde hij de nagel uit de linkerhand dan deze uit de rechterhand. Intussen had Abenadar, de gewezen bevelhebber met veel moeite de grote nagel uit de voeten geslagen. Kassius nam de nagelen eerbiedig van de grond op en legde ze alle bij de heilige Maagd neer.
Nu plaatsten zij de ladders tegen de voorkant van het kruis en ze lieten het heilig lichaam neerzakken tot het terechtkwam bij de hoofdman Abenadar. Deze stond beneden op een trapbank, nam het lichaam onder de knieën en de armen en daalde ermee de treden van de bank af. Terwijl ook Nikodemus en Jozef, die tussen zich Jezus bij het bovenlijf in hun armen hielden, gelijkmatig de ladder afdaalden. Hierbij gingen zij zacht, zwijgend en met alle omzichtigheid te werk, als droegen zij een geliefde, dodelijk gewonde vriend. Zo geraakte het heilige en verminkte lichaam van onze Verlosser van het kruis op de grond. Toen nu het heilig lichaam eindelijk van het kruis afgenomen was, wikkelde men het van de heupen tot de knieën in lijnwaad en legde het eerbiedig op de doek neer in de armen van zijn Moeder, die deze met smart en verlangen naar Hem uitgestrekt hield.
Jezus’ lichaam wordt ter begrafenis bereid.
De H. Maagd zat op een opengespreide doek op de grond; haar rechterknie was een weinig opgeheven en zij leunde met haar rug tegen een kussen, wellicht van samengerolde mantels. Men wilde zo het liefdewerk vergemakkelijken, dat de smartvolle, door zorgen uitgeputte Moeder aan het lijk van haar vermoorde Zoon verlangde te bewijzen. De mannen legden het lichaam op een doek tegen haar schoot aan. Jezus’ hoofd rustte op haar opgeheven knie en het lichaam lag op de uitgespreide doek uitgestrekt. Even groot waren de smart en de liefde, welke die heilige Moeder op dit ogenblik ondervond; zij hield nu weer het lichaam van haar innig geliefde Zoon in haar armen, aan wie zij gedurende de lange uren van vreselijke foltering geen enkel bewijs van liefde en tederheid, niet de minste verzachting van pijn had kunnen geven.
Nu beschouwde zij met eigen ogen de verschrikkelijke martelingen die dat heilig, dierbaar lichaam had ondergaan, want vlak onder haar ogen vertoonden zich de gapende wonden en striemen waarmee het overdekt was. Vol liefde kuste zij zijn bloedige wangen, terwijl Magdalena met het gezicht op zijn doorboorde voeten lag. De mannen trokken zich nu een weinig terug waar zij alles in gereedheid brachten voor de balseming van Jezus’ lichaam. De soldaten die zich hier nog bevonden, vormden een schutswacht rondom de laatste eerbewijzen aan het lichaam van Jezus, opdat geen vijand of rustverstoorder het werk zou verhinderen. Ook staken zij af en toe ontroerd en dienstvaardig een helpende hand toe, waar men dit van hen vroeg.
Ook alle H. Vrouwen hielden zich gereed: zij reikten de vaten met water, de sponsen, het lijnwaad, de balsem en de specerijen aan, waar dit nodig was, en gingen dan verderaf staan, oplettend toeziend of zij helpen konden. Onder die vrouwen bevonden zich ook Maria van Kleofas, Salome en Veronika. Telkens boden zij Maria en Magdalena bekkens met vers zuiver water en andere sponsen aan. Niettegenstaande haar onbeschrijfelijke zielesmart was de H. Maagd met grote moed bezield. Haar liefde kon op het heilig lichaam van haar Zoon al die tekenen en sporen van verguizing en foltering niet laten bestaan en zo begon zij het onvermoeid en rusteloos te reinigen en te verzorgen. Met de hulp van anderen nam zij de doornenkroon behoedzaam van het hoofd.
Na de doornenkroon naast de nagels te hebben neergelegd, begon Maria met een soort van ronde, gele, buigbare veertang de afgesneden doornen en splinters, die nog in het hoofd staken, uit te trekken en vol droefheid toonde zij die aan haar vriendinnen die haar medelijdend omringden. De meeste doornen legde men naast de kroon neer. Het gezicht van de Verlosser was bijna onherkenbaar geworden: zozeer was het door wonden misvormd en met bloed bedekt. Toen nu het hoofd, de romp en heel het lichaam tot de voeten van alle bloed en vuil gereinigd waren, glansde het heilig lichaam blauwachtig-wit als uitgebloed vlees en het vertoonde hier en daar bruine vlekken van gedroogde wonden en plekken van rauw vlees zonder huid. Zo lag het neer in de schoot van de rouwvolle Moeder, die de gereinigde ledematen begon te zalven.
Magdalena bleef meest bij de voeten van Jezus, nu om ze af te drogen en te zalven, en ze dan weer met haar onstelpbare tranen te besproeien en om er dan weer een hele tijd met haar gezicht op te blijven rusten. Na al de wonden gezalfd te hebben, omwond Maria Jezus’ hoofd met windsels, maar de gelaatsdoek, waarvan deze omhulling voorzien was, trok zij nog niet neer; zij drukte de half geopende ogen van Jezus toe en liet haar hand er enige ogenblikken op rusten. Zij sloot Hem ook de mond, omarmde het heilig lichaam van haar Zoon en liet onder het storten van tranen haar gezicht op het Zijne zinken. Een laatste maal omhelsde Maria nog inniger het lichaam van haar goddelijke Zoon en nam er met zielroerende woorden afscheid van. Nu tilden de mannen het heilig lichaam op de doek waarop het lag, van de grond en droegen het naar de plaats der lijkbereiding.
Maria die in de liefdevolle reiniging van het lichaam van haar Zoon enige verlichting en troost gevonden had, maar zich er nu weer van beroofd zag, gaf zich opnieuw geheel aan haar smart over en liet haar gesluierd hoofd in de armen der H. Vrouwen rusten. Eerst zag ik een doorzichtig doek als van kantwerk met mazen als een net. Ik zag daar echter ook nog een ander grote doek uitgespreid. Zij legden het lichaam van de Heer op de opengewerkte doek en enigen hielden de andere doek of het laken erover heen. Nikodemus en Jozef knielden neer en maakten onder deze laatste doek, die het lichaam voor hun ogen verborg, de lendendoek los die zij bij de afneming om Jezus’ onderlijf van de knieën tot de heupen gewonden hadden. Vervolgens ontdeden zij het lichaam ook van de lendendoek die Jonadab vóór de kruisiging, aan Jezus aangeboden had.
Schroomvol en zedig wasten zij met sponsen het onderlijf van de Heer, dat onder het bovengehouden laken verborgen bleef. Hierna wasten zij ook de rugzijde van het lichaam en voor deze laatste wassing werd het lichaam niet omgedraaid, terwijl het onder de bovenste doek nog steeds verborgen bleef. Zij wasten het heilig lichaam zolang tot er uit de uitgewrongen sponsen helder water kwam. Ik zag hoe zij dan Jezus’ heilig lichaam neerlieten en het met hun handen plat uitstrekten. Zij legden vervolgens een doek van ongeveer 3 el lang en één el breed onder de lenden van de Heer, vulden zijn schoot met specerijen. Hierna wikkelden zij het onderlijf in met de lange baan doek die zij er eerst onder gelegd hadden.
Nu ging Joannes de H. Maagd en de andere vrouwen halen en bracht ze bij het heilig lichaam. Maria knielde neer bij het hoofd en legde een doek van fijn lijnwaad, die zij van Klaudia Prokla, de vrouw van Pilatus had gekregen en tot nog toe onder haar mantel om de hals had gedragen, onder Jezus’ hoofd. Maria en de H. Vrouwen en mannen zorgden nog voor specerijen en kruiden voor de wonden en het lichaam te bedekken. Dan sloegen de mannen de grote witte doek vast rondom het lichaam en rondom de kruiden tot aan de borst, en ze wonden de zwachtel om het hoofd en verder rondom het gehele lichaam, zodat het er uit ging zien als een ingebakerde pop.
Nu legden zij het lichaam van de Heer op de grote doek van 6 el, die Jozef van Arimatea had gekocht en sloegen deze om Hem. Toen zij nu allen geknield rondom het lichaam geschaard waren om het een laatst vaarwel te zeggen, deed zich onder hun ogen een aangrijpend wonder voor. Het heilig lichaam van Jezus vertoonde zich met al zijn wonden in zijn ganse gestalte bruinrood afgebeeld op de oppervlakte van de doek die het bedekte. Het scheen dat Jezus hun hiermee hun liefdevolle zorg, hun toewijding, hun medelijden en tranen wilde belonen en hun zijn beeltenis door alle zwachtels en kruiden heen, uit dank wilde nalaten, geprent in die doek. Wenend en weeklagend omarmden zij het heilig lichaam en kusten zij die wonderbare afbeelding. Hun verbazing was zo groot, dat zij de doek weer openvouwden, maar ze werd nog groter, toen zij tot de bevinding kwamen dat de andere windsels om het lichaam onveranderd wit gebleven waren en de gestalte des Heren slechts op de bovenste doek afgetekend was.
‐ Het gedeelte van de doek waarop het lijk neerlag, droeg de afbeelding van geheel Jezus rugzijde;
‐ het gedeelte dat over het lijk heengeslagen was, vertoonde de voorzijde van zijn lichaam en om deze voorzijde te zien, moest men de 4 hoeken van de doek bij elkaar brengen, zoals men ze over Hem had geslagen na de lijkbereiding. Dit beeld was geen afdruk ontstaan uit bloedende wonden; het hele lichaam immers was met kruiden en specerijen aangevuld en in meerdere windsels gehuld; het was een mirakel, het teken en bewijs der aanwezigheid van de scheppende Godheid in Jezus’ gestorven lichaam.








