
Ik wilde graag het fietsen leren,
was ongeveer een jaar of zeven.
Maar welk kind had een fiets in die tijd,
Wij niet mijn ouders waren niet rijk.
Ons ma haar fiets kon ik stiekem lenen,
mijn oudste broer ga de bevelen..
Van doe nu dit en doe nu dat.
eventjes later lag ik op mijn gat.
Het was op dees manier gegaan,
gingen boven aan ons straatje staan.
Dat ging bergaf naar 't ouderlijk huis.
het kon niet anders zo kwam ik thuis.
Het was zo'n grote zwarte fiets.
die je nu alleen nog in mussea ziet.
Ik zette mijn voet op de hoogste pedaal
en ja ,hoor ik ging aan de haal.
Maar de weg bestond toen nog uit gaten,.
ik kon niet zitten op het zadel.
Halvertwege was ik de richting kwijt,
Lag in het veld tot mijn grote spijt.
Mijn grote broer vond het maar niks,
wat trek jij daar zo'n gezicht.
Want tranen rolden over mijn wangen,
ga jij nu het flauw Trezeke uithangen.
Dus ik met de fiets maar terug omhoog,
het stuur stond voor mijn armpjes te hoog.
Maar niet versagen klonk de boodschap toen
en ik mocht mijn proefjes overdoen.
Als ik nu aan die tijd terug denk
dan leek hij toch een groot geschenk.
Een thuis een vader en een moeder
en ik keek zo op naar mijn oudste broeder.